Non-fictie, Recensies

De taal van de koopwaar

Barracoon

Oluale Kossola, overlevende van het laatste slavenschip

Zora Neale Hurston

Zora Neale Hurston (1891-1960) was een Afro-Amerikaanse schrijfster die antropologie had gestudeerd (bij onder meer Franz Boas) en in de jaren dertig faam verwierf met folkloreverzamelingen, romans, verhalen, artikelen en een autobiografie. Na haar dood deemsterde ook haar werk weg, tot ze in de jaren zeventig ‘herontdekt’ werd, vooral door toedoen van Alice Walker (de auteur van The Color Purple). Sindsdien is Hurstons aanzien alleen maar gegroeid, en een ‘nieuw’ boek van haar is dus nieuws, ook als het negentig jaar oud is.

 

Mondeling

Wat de folklore betreft is Hurstons bekendste boek Mules and Men (1935), een bundel met Afro-Amerikaanse verhalen, sprookjes, grappen, liederen, preken… uit haar geboortestreek in Florida, en ook met informatie over Hoodoo/Voodoo in Louisiana. Opvallend genoeg wordt het verzamelde materiaal aan elkaar gepraat, we krijgen het gepresenteerd binnen een amusante raamvertelling met een rondtrekkende Zora als levendig en luisterend ik-personage en met haar gesprekspartners als levendige ‘bronnen’. Er is dus geen scherpe kloof tussen de onderzoekster en haar studieobject, en evenmin tussen dat object en zijn omgeving. Daartoe draagt ook bij dat het gesprokene en gezongene, zowel de dialogen als de eigenlijke verhalen en songs, veelal wordt weergegeven in getranscribeerd zuidelijk Afro-Amerikaans ‘dialect’. Dus: ‘“Ah come to collect some old stories and tales and Ah know y’all know a plenty of ’em […]” “What you mean, Zora, them old big lies we tell when we’re jus’ sittin’ round here on the store porch doin’ nothin’?”’ Hurston wilde het kenmerkende eigen spreken van zwarte mensen ‘realistisch’ overbrengen. Het probleem dat hier aan de orde is kennen we ook uit totaal andere contexten; Daniël Robberechts noteerde in 1977 (en het is niet geheel achterhaald): ‘Als een personage in een Vlaamse roman vraagt: “Ben je daar?”, dan is er een goede kans dat de schrijver zoiets “gehoord” heeft als “Zij-je gij doar?”’ (Een leven lezen, Houtekiet, 1995).

Als Hurstons beste roman geldt Their Eyes Were Watching God (1937), de geschiedenis van Janie, die na twee foute huwelijken de ware liefde vindt – met naderhand de spectaculaire dood van de geliefde; in feite leert ze bovenal om zich niet op de kop te laten zitten door repressieve of overvoorzichtige anderen, ze leert haar eigen weg te gaan. Opnieuw zijn de dialogen in dialect, en er is veel ruimte voor de mensen die op de ‘porch’ (veranda aan de voorkant) zitten te roddelen en commentaar te geven en de draak te steken met elkaar. Maar er komt iets bij. Ook dit is een raamverhaal (Janie vertelt haar voorbije leven aan een vriendin), en het niet-dialogische deel van de tekst staat nu grotendeels in de zogenaamde vrije indirecte rede; dat is dus, naast het dialect, een tweede middel om de tekst te richten op de spreektaal, vooral die van de tot zichzelf komende hoofdfiguur. Janie wil meepraten met het volk van de ‘porch’, ze wil een stem in het koor, maar tegelijk zoekt ze een stem die de hare is en dus niet samenvalt met die van het koor: een individuele en een vrouwelijke stem; en soms is er nauwelijks verschil te merken tussen haar taal en die van de alwetende verteller. Henry Louis Gates Jr., die herhaaldelijk over Their Eyes schreef, zei in een nawoord bij het boek dat Hurston ‘used black vernacular speech and rituals, in ways subtle and various, to chart the coming to consciousness of black women, so glaringly absent in other black fiction’.

In beide genoemde boeken is de taal deel van het onderwerp. Telkens dient de overweldigend mondelinge oriëntatie van Hurstons teksten niet alleen om ‘echt’ te klinken, maar om alternatieve blikken op en alternatieve stukken van de realiteit aan de oppervlakte te brengen: via het praten van een zwarte gemeenschap, het praten van een individuele zwarte vrouw. Er komt iets naar boven wat ongezien en ongehoord was. En op verschillende manieren zien we de schrijfster/vertelinstantie telkens zelf opgaan in of zich identificeren met dat andere spreken.

Natuurlijk geeft het gebruik van dialect in grote lappen tekst extra moeilijkheden voor vertalers, en zeker in Nederland, dat op dat vlak hoegenaamd geen serieuze traditie heeft. Dan kun je onhandige nabootsingen krijgen, maar de oorspronkelijke taal kan ook compleet genegeerd worden, zoals in de bestaande versie van Their Eyes (Janie, haar buren en God, In de Knipscheer, 1986; herdrukt als En ze keken naar God bij De Geus, 1999). ‘So Ah thought Ah mout as well go see’ is waarlijk niet hetzelfde als ‘Dus ik dacht zo, ik kon beter maar eens gaan kijken’ – en het geheel is dus een ander en zoveel zwakker boek.

 

Gesprekken

En nu ter zake. Barracoon, dat in 1931 voltooid werd en in 2018 in het Engels verscheen, geeft de gesprekken weer die Zora Neale Hurston in de loop van enkele maanden voerde met een bijna negentigjarige overlevende van de laatste lading Afrikaanse slaven die de VS bereikte. Hij was een Isha-Yoruba en heette Oluale Kossola, maar werd in Amerika Cudjo Lewis genoemd.

Hoewel de Amerikaanse slavernij zoals bekend pas werd afgeschaft in 1865, was de slavenhandel al bijna zestig jaar eerder verboden – wat niet verhinderde dat in de tussenperiode geroofde Afrikanen door smokkel in de VS bleven terechtkomen. Op initiatief van enkele slavenhouders voer het schip Clotilda in 1860 naar Ouidah in het huidige Benin, om van daaruit meer dan honderd mannen en vrouwen naar Alabama te brengen. Sommigen van hen werden verkocht, de overigen – onder wie de hoofdpersoon van dit boek – gingen werken voor de broers Meaher in de buurt van Mobile. Vijf en een half jaar later, in 1865, werden ze allemaal vrije mensen; Cudjo en een aantal anderen kochten samen grond van hun ex-eigenaars (zonder korting!) en stichtten het dorp Africatown, dat later de naam Plateau kreeg.

In de zomer van 1927 ging Zora Neale Hurston, die in New York woonde, voor het eerst praten met Cudjo. Dat leidde tot een tijdschriftartikel, waarvan vijftig jaar later bleek dat het grotendeels geplagieerd was; Cudjo had namelijk al eerder de aandacht getrokken van en gepraat met historisch geïnteresseerde buitenstaanders. Vanaf eind 1927 zocht Hurston hem opnieuw op en interviewde hem herhaaldelijk over wat hij in zijn leven had meegemaakt. De neerslag daarvan, door Hurston voorzien van een voorwoord, een inleiding en noten, werd het boek(je) dat we nu kunnen lezen.

Waarom is het destijds niet tot publicatie gekomen? Dat is niet helemaal duidelijk. Minstens één uitgever wilde het alleen accepteren als Cudjo’s idiosyncratische Engels niet ‘letterlijk’ zou worden weergegeven maar als ‘language rather than dialect’, iets wat Hurston niet wilde. Ze lijkt zich snel verzoend te hebben met de impasse – misschien gewoon omdat ze genoeg andere projecten had? Ze stond tenslotte nog aan het begin van haar schrijverscarrière. Maar kennelijk heeft ze ook later niet meer aangedrongen op uitgave; zou het kunnen dat ze niet meer tevreden was over het manuscript? Dat de tekst ook na Hurstons herontdekking in de jaren zeventig nog lang in de lade is blijven liggen, heeft allicht iets te maken met het feit dat specialisten hun twijfels hadden bij de authenticiteit: was het werk niet te veel een eigen ‘herschepping’? Intussen is aangetoond dat het qua feitelijke juistheid meestal wel goed zit.

En nu is Barracoon er dus, en wel met een uitvoerige omkadering: een voorwoord van Alice Walker, plus inleiding, nawoord, glossarium, bibliografie en aanvullende noten door de historica Deborah G. Plant. Bovendien is in de Nederlandse editie het eeuwige heikele vertaalvraagstuk drastisch en voor mijn part bevredigend opgelost: naast de versie in ‘gewoon’ Nederlands door Robert Dorsman krijgen we de hele hoofdtekst van Hurston in het originele Engels.

 

Feiten

In haar eigen inleiding schrijft Hurston dat over slavernij en slavenhandel weliswaar al veel gezegd is, echter: ‘Allemaal verkoperstaal, maar geen woord van de zijde van de verhandelde waar.’ Helemaal juist is dat niet, want in de negentiende eeuw had het genre (of de traditie) van de slave narrative grote opgang gemaakt: de door gevluchte en vrijgemaakte slaven opgetekende levensgeschiedenissen die zo’n wezenlijke plaats innemen in de Afro-Amerikaanse literatuur en als vertrekpunt dienden voor veel latere romans (van bijvoorbeeld Toni Morrison, en recent nog Colson Whitehead). Maar die teksten waren in Hurstons tijd nog niet zo bekend bij het grote publiek. Uiteraard sluit Cudjo Lewis’ verhaal aan bij die slave narratives, het behóórt ertoe, maar er zijn aspecten die het tot iets aparts maken.

Hurston zelf deelt een en ander mee over de wijze waarop Cudjo en zijn lotgenoten uit Afrika werden overgebracht (het initiatief van de ondernemers uit Alabama, de heen- en terugreis van de Clotilda), en die aandacht voor de mensensmokkelarij is op zich al de moeite waard. Oudere slave narratives beginnen vaak met de zin ‘I was born a slave’, maar voor Cudjo ging dat niet op. Hij vertelt zelfs weinig over zijn slavenleven, maar des te meer over wat voorafging: over de gemeenschap waarin hij tot zijn negentiende leefde, zijn opleiding, zijn huwelijksplannen, zijn eerste initiatie…; over de aanval van het leger van Dahomey waarbij velen omkwamen en hij zelf gevangengenomen werd voor verkoop aan Amerikanen; en over de weken dat hij, in afwachting van de overtocht, aan de kust werd vastgehouden in een voorlopig slavenverlijf (‘barracoon’).  We zien dus óók het onheil dat van andere Afrikanen kwam, en niet iedereen wil(de) dat graag lezen, omdat het simplistische schema’s over daders en slachtoffers ondermijnt. Hurston had het er zelf lastig mee, blijkt uit haar door Plant geciteerde autobiografie (Dust Tracks on a Road, 1942): ‘het onontkoombare feit dat mij tegen de borst stuitte was dit: dat mijn eigen mensen mij hadden verkocht en dat de witten mij hadden gekocht. Dat maakte een eind aan de folklore waarmee ik was opgegroeid’. Overigens is dat nog geen reden om te zeggen dat de schuld gelijkelijk verdeeld is over ‘iedereen’.

(Ik blijf bezwaren hebben tegen het huidige Nederlandse taalgebruik met betrekking tot huidskleur: in het Engels staan hier ‘my people’ tegenover ‘the white people’, waarom moet dat laatste dan ‘de witten’ worden? En voorts wordt ‘the white man’ vertaald als ‘de witman’, meervoud ‘witmannen’. Komaan zeg.)

Cudjo’s slaventijd begon erg laat en eindigde ‘snel’. Toen de bevrijding kwam waren hij en zijn kennissen volwassen jonge mensen die zich Afrika heel goed herinnerden (inclusief de taal), die vaak onheus behandeld werden door ‘autochtone’ Afro-Amerikanen (‘dey say we savage and den they laugh at us’); ze overwogen ernstig om terug te keren naar het vaderland, maar deden dat niet bij gebrek aan geld en aan informatie over de mogelijkheden. Het grootste deel van Cudjo’s leven speelde zich verder af in een allesbehalve rooskleurige vrijheid. Hij trouwde en kreeg zes kinderen, maar die overleden allemaal voortijdig: ‘wij van overzee weten dat [de dood] met het schip waarop wij zaten is meegekomen’ (‘we from cross de water know dat he come in de ship wid us’). Eén zoon verongelukte, een andere ging vissen en kwam nooit terug, drie kinderen stierven door ziekte; en één zoon werd vermoord door een politieman – Black Lives Matter, jawel, maar deze Cudjo jr. had zelf enkele doden op zijn actief. In de tijd van de interviews was Cudjo’s vrouw ook al twintig jaar dood, en zelf was hij werkonbekwaam geworden door een treinongeval (waarvoor hij geen vergoeding kreeg). Om het op z’n hedendaags eufemistisch uit te drukken, een bevrijde zwarte slaaf had aanzienlijk minder kansen dan andere gewone mensen.

Vermoedelijk gaat dit boek een grote toekomst tegemoet in het onderwijs, niet alleen in de VS: via fragmenten of via het geheel kunnen leerlingen kennismaken met de slavernij én met het leven van een eenvoudige Afro-Amerikaan in de late negentiende en vroege twintigste eeuw. Maar het werk is ook boeiend genoeg voor andere belangstellende lezers, vooral als ze wat verder willen kijken dan het eigenlijke verhaaltje.

 

Vertellers

Hoewel er in het begeleidende materiaal enkele belangrijke correcties zitten op bepaalde aannames van Hurston, schijnen de feiten dus meestal te kloppen. Maar was het de schrijfster daarom te doen? Blijkens haar ‘Woord vooraf’ beoogde ze ‘de essentie van het gebeuren [essential truth] te achterhalen en niet zozeer de feitelijke details, die zo vaak misleidend zijn. Daarom mocht [Cudjo] zijn eigen verhaal op zijn eigen manier vertellen, zonder de inbreuk van nadere uitleg. [without the intrusion of interpretation]’. De essentie hangt dus samen met de woordelijkheid van het vertellen.

We hebben hier andermaal met een raamvertelling te maken. Hurston onderbreekt haar gesprekspartner slechts zelden, maar in haar beperkte ‘bindteksten’ schetst ze wel (in Standaardengels) de context van de ontmoetingen, vertelt wat Cudjo aan het doen is, hoe ze hem helpt bij klusjes, hoe ze fruit voor hem meebrengt… en ook hoe hij haar soms op afstand houdt en wegstuurt, of begint te huilen (door de eenzaamheid, door de herinneringen, en nog altijd door zijn scheiding van Afrika). Dat ‘kader’ correspondeert uiteraard met een werkelijkheid, maar het is tegelijk een vorm van literaire organisatie. We weten niet of alles zich precies in die volgorde voordeed, of pauzes niet ingelast zijn voor de leesbaarheid of voor de karakterisering; je zou dit een element van fictie kunnen noemen, zonder dat dat enige leugenachtigheid hoeft te impliceren. (Enkele door Cudjo vertelde Afrikaanse volksverhalen zijn als aparte aanhangsels opgenomen in het boek.)

De rest van de tekst kan soortgelijke overwegingen oproepen. Helemaal bij het begin wil Cudjo over zijn grootvader spreken, maar de verslaggeefster onderbreekt hem: vertel toch vooral over jezelf! ‘Hij keek me aan met een schampere en tegelijk meewarige blik en vroeg: “Waar staat het huis waar de muis de leider is? In Afrika kan je niet vertellen over de zoon voor je hebt verteld over de vader; en daarom, begrijp je, kan ik niet vertellen over de man die de vader is (et te) tot ik je verteld heb over de man die zíjn vader is (et te te, grootvader), nou dat klopt, nietwaar?”’

De gevatheid van het antwoord (inclusief spreuk) is treffend, en evengoed het feit dat Cudjo vervolgens een heldere uiteenzetting geeft over bepaalde huwelijksgewoonten in zijn land van herkomst. Er komt nog meer in die trant, pas aan het eind van hoofdstuk vier begint het min of meer lineaire verhaal over hoe hij in Alabama terechtkwam. Steeds weer zie je hoe knap er verteld wordt, hoe samenhangend en hoe pakkend, met soms krachtige beelden, met een goede balans tussen details en de grote lijn. Het is onmogelijk uit te maken in welke mate dat aan Cudjo of aan Hurston te danken is (en misschien speelt Cudjo soms ook een beetje komedie?), maar het aandeel van de schrijfster moet volgens mij niet onderschat worden. Van enige ‘herschepping’ zal dus echt wel sprake zijn.

Ter illustratie een willekeurig klein tekstfragment, het begint na de verdwijning van Cudjo’s tweede zoon:

‘Neem me niet kwalijk dat ik moet huilen. […] Mijn jongen is weg. Hij is niet in het huis en hij is niet op de heuvel bij zijn moeder [= op het kerkhof]. […] Misschien hebben ze mijn jongen wel vermoord. Het is een verborgen mysterie. Zoveel mensen hadden een hekel aan mijn jongen omdat hij zo op zijn broers leek. Ze [= mijn zoons] staan niet toe dat iemand ze misbruikt alsof ze honden zijn.’ En nadat weer een ander kind door ziekte gestorven is: ‘O Heer! Ik ben goed geweest voor mijn kinderen! Ik wilde hun gezelschap, maar het lijkt erop dat ze elkaar missen. Ze weten niet hoe snel ze samen moeten gaan slapen op de begraafplaats. […] We waren zo eenzaam, maar we wisten dat we de doden niet terugkregen. Als het spuug uit de mond is, komt het niet meer terug. Als de aarde eet, geeft hij niet terug.’

Excuse me I cain help it I cry. […] My boy gone. He ain’ in de house and he ain’ on de hill wid his mama. […] Maybe dey kill my boy. It a hidden mystery. So many de folks dey hate my boy ‘cause he lak his brothers. Dey doan let nobody ‘buse dem lak dey dogs.’ – ‘Oh Lor’! I good to my chillun! I want dey comp’ny, but looky lak dey lonesome for one ‘nother. So dey hurry go sleep together in de graveyard.’ […] We so lonesome, but we know we cain gittee back de dead. When de spit goes from de mouf, it doan come back. When de earth eats, it doan give back.

Voor wie kan loont het de moeite om af en toe iets van de oorspronkelijke tekst te lezen, zoveel zal duidelijk zijn. Hoe nauwkeurig Hurstons weergave van Cudjo’s spraak is, valt niet te beoordelen; ze kon geen geluidsopnames maken, maar er is alle reden om aan te nemen dat ze zorgvuldig te werk ging. Ze wilde haar gesprekspartner laten horen, net als de personages in haar romans. Het grote verschil met Their Eyes en Mules and Men zit in het feit dat de breuk tussen Cudjo’s taal en die van de vertelster heel sterk afgetekend is.

In de bindteksten van Hurston stuiten we af en toe op dubieuze dingen. Zo klinkt de opdracht aan haar mecenas en ‘peetmoeder’ ons wel erg vreemd in de oren: aan ‘die ene moeder van alle primitieven, die zich met de Goden in de Ruimte bekommert om de harten van de ongeschoolden’, en het woord ‘primitief’ komt nog een paar keer voor. Maar meestal gaat het om vertelclichés: Cudjo’s ‘mond en ogen stonden wijd open alsof hij het gruwelijke tafereel weer voor zich zag’; of hij ‘was niet langer bij mij op de veranda. Hij zat gehurkt bij dat vuur in Dahomey. Zijn gezicht was vertrokken van een bodemloze pijn. Het was een horrormasker.’ En het slot: ‘Ik weet zeker dat hij niet bang is voor de dood. Hij mag dan al heel lang christen zijn, hij is te veel heiden om de dood te vrezen. Maar hij siddert van ontzag voor het altaar van het verleden.’ Nee, zulke dingen zijn niet rampzalig, en het zijn er weinig: hun conventionaliteit valt juist op omdat Hurston zo trefzeker pleegt te formuleren. Het zijn wat onhandige, gedateerd aandoende frasen van een buitenstaander. Ik vermoed dat ze later, toen ze meer schrijfster dan waarneemster geworden was, haar eigen stem beter zou hebben afgestemd op die van Cudjo. Mules and Men getuigt daar misschien van: een groot deel van dat materiaal werd verzameld in dezelfde tijd als de gesprekken met Cudjo (om precies te zijn: vlak erna), maar pas jaren later uitgegeven, toen Hurston het een soepele vorm had kunnen geven.

 

Menselijkheid

Zora Neale Hurston had bepaald geen klagerige opvatting over haar ‘raciale’ identiteit. In 1928 (‘How It Feels to Be Colored Me’) schreef ze: ‘I do not belong to the sobbing school of Negrohood who hold that nature somehow has given them a lowdown dirty deal and whose feelings are all hurt about it. […] Slavery is sixty years in the past. The operation was successful and the patient is doing well, thank you.’ Ze weigerde dus de Afro-Amerikanen te beschouwen als louter slachtoffers en onderdrukten, mensen die door de geschiedenis (door de blanken) compleet tot wrakhout gereduceerd waren. Voor dat idee valt veel te zeggen, je bent in grote mate meester over je eigen lot. Maar de keerzijde ervan was uiteindelijk, vermoed ik, Hurstons rechts-republikeinse politieke overtuiging, die vooral vanaf de Tweede Wereldoorlog op de voorgrond kwam: ze was niet alleen fel anticommunistisch, maar ook tegen de New Deal en naderhand tegen verplichte desegregatie in het onderwijs: blijkbaar moest iedereen het in zijn eentje zien te redden. Jammer, maar haar verdienste blijft overeind. Ze heeft getoond hoe tot zwijgen gedoemde mensen het woord kunnen nemen – en wel een eigen woord, dat haaks staat op de algemeen opgelegde taal. Ze heeft grote stukken onbekende werkelijkheid waarneembaar gemaakt – en dat is op de een of andere manier misschien wel een opdracht voor elke schrijver.

Ten slotte nog iets over de editie van Barracoon. De teksten van Deborah G. Plant zijn vrij informatief, maar vooral het nawoord is schools-academisch en omslachtig geschreven, en geeft weinig inzicht. Je blijft ook zitten met vragen of vraagjes. De sterfdatum van Cudjo ontbreekt; hij spreekt over een Afrikaanse God Alahoea (‘he name Alahua’), maar ik kan nergens vinden ‘wie’ dat is. Volgens de inleiding vertrok de Clotilda in juli 1860 naar Afrika, volgens de Verklarende woordenlijst in maart 1860; Hurston zelf en Kossola spreken van 1859! (De ‘vijf en een half’ jaar slavernij is moeilijk te rijmen met 1860.) Ook in de vertaling vallen wel eens steken; op p. 216 staat dat Cudjo niet kon lezen of schrijven, maar op p. 22 was sprake van een brief die hij ‘schreef’ – dat had ‘dicteerde’ moeten zijn.

Ergerlijk is voor mij de fletse retoriek die vaak de kop opsteekt en die samengaat met een doodbrave maatschappij-opvatting. We lezen dat Hurston ‘in haar zwijgende luisteren’ naar Kossola ‘het ambt van priester’ aannam. En neem het slot van het nawoord: ‘de vragen die [Barracoon] oproept over slavernij en vrijheid, hebzucht en hoogmoed, persoonlijke soevereiniteit en onze gedeelde menselijkheid zijn vandaag nog even actueel’. Het ligt in dezelfde lijn dat het boek als motto een stukje uit Hurstons autobiografie heeft dat eindigt met: ‘Ik raakte doordrongen van het feit dat hebzucht en hoogmoed overal bestaan.’ En het uiterst grootsprakige voorwoord van Alice Walker loopt uit op dankbaarheid (‘zo bizar als dat misschien klinkt’) voor de ‘verbazingwekkende, spectaculaire reis’ van de Afrikanen in Amerika: ‘Misschien bestaat onze planeet wel louter om ons het buitengewone wonder van het leven te leren begrijpen dat zelfs ons lijden omringt, en ja te zeggen tegen het leven [and to say Yes], door de dikste tranen heen.’ Nee, echt niet mijn smaak, maar belangrijker is dat zulke uitingen het sociaal-economische en ‘democratische’ systeem verdonkeremanen waardoor Cudjo/Kossola en Hurston geworden zijn wie ze waren. Anders gezegd, ik zie in onze gedeelde menselijkheid, de universele hebzucht en het grote Ja geen vruchtbare uitgangspunten om historische gebeurtenissen en documenten te leren begrijpen. En ik hou meer van Zora dan van haar humanistische apostelen.

Recensie: Barracoon: Oluale Kossola, overlevende van het laatste slavenschip van Zora Neale Hurston door Joris Note.

De Geus, Amsterdam, 2019
Vertaald door: Robert Dorsman
ISBN 9789044541861
267p.

Geplaatst op 29/01/2020

Tags: Alice Walker, Barracoon, Oluale Kossola, Slavenhandel, Slavernij, Zora Neale Hurston

Categorie: Non-fictie, Recensies

Reacties

  1. Robert Dorsman

    Een van de beste, en grondigste recensies die er van dit boek zijn verschenen.

    Beantwoorden

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.