Proza, Recensies

Bespiegelingen over een obsessie

Wild van een woeste droom

Julia Schoch (vert. Josephine Rijnaarts)

In Wild van een woeste droom, het derde deel van haar trilogie, neemt Julia Schoch (1974) de lezer mee in het verhaal van een vrouw die terugblikt op een opmerkelijke liefdesaffaire waaraan zij ten prooi viel tijdens een residentie in Hudson Valley, met een man die zij ‘de Catalaan’ noemt. Net zoals de voorganger van dit boek, Het liefdespaar van de eeuw, waarin Schoch haar huwelijk tegen de achtergrond van de ontwikkeling van de DDR ontleedt, draait het in Wild van een woeste droom niet zozeer om narratieve gebeurtenissen, maar worden we betrokken bij reflecties over de transformatieve aard van herinneren, de liefde, en de correlaties tussen schrijven en liefde. Bijzonder is dat het eerste deel van Schochs trilogie, Das Vorkommnis, nooit naar het Nederlands werd vertaald, maar het duidt ook aan dat de twee volgende boeken knap op zichzelf kunnen staan.

Na het lezen van Het liefdespaar van de eeuw was ik erg benieuwd naar Wild van een woeste droom. Dezelfde stem lijkt aan het woord. Ook in het derde deel van haar liefdestrilogie hanteert Schoch een analytische stijl, die door het oneindig cirkelen rond dezelfde gebeurtenissen en periodes vanuit het verlangen er grip op te krijgen, soms doet denken aan de haast klinische stijl van Annie Ernaux, zoals zij die hanteerde in bijvoorbeeld Mémoire de fille (Meisjesherinneringen). Ook Schoch doet een hopeloze poging de werkelijkheid te beschrijven zoals die was, terwijl zij de aard en betrouwbaarheid van haar herinneringen constant in twijfel trekt. Door het spanningsveld tussen werkelijkheid en herinnering steeds opnieuw te onderzoeken en te laten resoneren, weet Schoch momenten te creëren waarin het particuliere een universele betekenis aanneemt. Steeds weer stelt zij het eigen geheugen in vraag en zet zij kanttekeningen bij de verhalen waarmee wij vorm aan ons leven trachten te geven. Intussen dringen allerlei vragen en bespiegelingen zich aan haar op – over literatuur, liefdesverhoudingen, haar man, haar kindertijd. Via associatieve fragmenten zet Schoch het denkproces van de hoofdpersoon uiteen en wordt de lezer tot reflectie aangezet.

Wat in Wild van een woeste droom primeert, is grip krijgen op de herinneringen aan de Catalaan, aan wie zij – een vrouw in de helft van haar leven – nu terugdenkt. Deze charmante maar koele man tot wie zij weliswaar seksueel aangetrokken was, maar voor wie zij verder weinig genegenheid of bewondering koesterde, oefende een bijzondere aantrekkingskracht op haar uit. De gesprekken in Hudson Valley beperken zich tot enkele korte zinnen, zowel door de taalbarrière als doordat zij intuïtief aanvoelt dat zij misschien weinig tegen elkaar te zeggen hebben. Toch blijft zij ook na een eerste nacht samen naar hem terugkeren. Sterker: het is het enige waar zij aan denkt.

Terwijl Schochs hoofdpersoon terugdenkt aan haar periode met de Catalaan, komen andere herinneringen aanwaaien. Een belangrijke rol is weggelegd voor ‘de soldaat’. Tijdens haar kindertijd in de toenmalige DDR trekt zij met de fiets het bos in, waar zij telkens een jonge soldaat ontmoet. Ze raken aan de praat, ze laat briefjes voor hem achter. Met hem komt ze voor het eerst terecht op de snijlijn tussen het schrijven en de liefde, want ze praten niet enkel over ingewikkelde onderwerpen, die voor haar als kind nog moeilijk te bevatten zijn, maar bekennen elkaar ook dat ze willen schrijven. Als zij haar ambities prijsgeeft, antwoordt de soldaat dat ze er wild van moet zijn. ‘Wild van een woeste droom’, zegt hij.

 

Onvrije wil

Vooraan in het boek lezen we een motief afkomstig van Nobelprijswinnaar en dichter Wislawa Szymborska:

 

‘Ik ben hun niets verschuldigd,’

zou de liefde antwoorden

op deze open vraag.

 

Deze regels resoneren in heel het boek. Het heeft geen zin je te verzetten tegen de liefde, je kan niet anders dan je eraan overgeven. Schochs hoofdpersoon betwijfelt of je wel kan kiezen, of je je eigen pad wel kan uitstippelen. De liefde (of misschien eerder de lust) voor de Catalaan overkwam haar, zij ging er roekeloos in mee: ‘je bent klaarwakker en tegelijk half verdoofd’, schrijft ze. Het vrouw- of mensbeeld dat Schoch binnen het liefdeskader schept, is eerder passief. Alsof de hoofdpersoon zichzelf niet helemaal in de hand heeft. Hebben we wat de liefde betreft wel een vrije wil? Doordat zulke vragen opstijgen uit de pagina’s, verschuift de nadruk van narratieve ontwikkeling naar reflectie, waardoor de roman een zekere essayistische inslag krijgt. Na elke stellige uitspraak volgt een contemplatieve nuancering. De hoofdpersoon komt koel over en lijkt amper onderhevig aan emoties. Hierdoor wordt een afstand gecreëerd en ontstaat er een soort paradox: als lezer leef je niet zozeer mee met het personage, maar herken je je in haar bespiegelingen. Het boek fungeert daardoor bij momenten als een gedachte-experiment dat zich laat betrekken op het eigen leven.

De hoofdpersoon herinnert zich de allesoverheersende obsessie met de Catalaan na het verlaten van Hudson Valley. Met haar man gaat het niet goed (ze wonen apart) en in andere seksuele of vriendschappelijke ontmoetingen met mannen herkent zij de Catalaan: ‘Als ik andere mannen ontmoette, vergeleek ik ze met hem. Ik werd sentimenteel, gevoelig voor toespelingen, van alle kanten verwachtte ik liefdesboodschappen.’

Wat betekent deze obsessie? De hoofdpersoon merkt op dat ze de intensiteit begon te missen die haar tijdens de residentie volledig in beslag nam, juist vanaf het moment dat ze niet langer aan de Catalaan denkt. Schoch suggereert dat het verdwijnen van die bezetenheid gepaard gaat met een gevoel van richtingloosheid. Tevergeefs probeert de hoofdpersoon later de vroegere hartstocht opnieuw op te roepen, om uiteindelijk te constateren dat alles voorbijgaat. Welke waarde heeft liefde nog wanneer ze voorbij is? Anders dan de woorden, blijft de liefde niet.

Schoch blijft weg van morele oordelen. De implicaties van de keuzes van de hoofdpersoon blijven onderbelicht, de relatie tot haar man en zijn karakter worden enkel oppervlakkig beschreven. Het is haar te doen om de aard van de herinneringen, en wat we met die herinneringen doen, hoe ze het narratief van ons leven vormgeven. Hoe werken bepaalde gebeurtenissen uit het verleden in op het heden? Waarom begrijpen we vaak pas achteraf waarom we iets hebben gedaan? En begrijpen we het werkelijk of trekken we enkele lijnen om tot een verhaal te komen? Zo lezen we hoe haar relatie met de Catalaan gedurende jaren amper plaats innam in haar leven, maar nu weer betekenis krijgt door erover te schrijven. ‘Inmiddels denk ik dat het neerkwam op een poging om mijn leven te veranderen. Zonder dat je dat aan de buitenkant kon zien, zonder dat ik het zelf besefte.’

Regelmatig vraagt de hoofdpersoon zich af wat er zou zijn gebeurd als ze andere keuzes had gemaakt. De Catalaan kan dan ook gelezen worden als een projectie, een symbool voor alle mogelijke levens die ze had kunnen leiden, een toegangspoort tot het denken over alternatieven. Dat denken herinnert soms aan de existentiële spanning bij Sylvia Plath, van wie we weten dat zij worstelde met het idee slechts één leven te kunnen leven. Maar anders dan Plath tekent Schoch de bedenkingen over die mogelijke andere levens rationeel op, gestript van enige vorm van sentimentaliteit:

Dan zeg ik bij mezelf: in plaats van al die dingen zouden er andere zijn gebeurd. Heel gewoon. Zonder spijt, zonder jammerklacht zeg ik het bij mezelf, alleen maar verbaasd.

Uit deze regels spreekt een zekere gelatenheid. Schoch lijkt te willen zeggen dat het allemaal weinig uitmaakt: eender welk leven je kiest, het bestaat uit dezelfde componenten. Een geruststellende en tegelijk angstaanjagende gedachte.

 

Een schrijversleven

Het leven is ongrijpbaar. ‘Vergeten is noodzakelijk’, zegt de hoofdpersoon tegen zichzelf: ‘Als we nooit iets vergaten zouden er geen verhalen zijn.’ Ze schrijft een groot belang toe aan de herinneringen die overblijven. Er is een reden voor, maar kunnen we die reden helemaal achterhalen?

De rol van het schrijven neemt in dit boek een veel grotere plaats in dan in Het liefdespaar van de eeuw. Schoch trekt parallellen tussen het schrijven en haar verlangen:

Opeens was ik ervan overtuigd dat stilte, de afwezigheid van woorden in de liefde, de keerzijde was van schrijven. De hoeveelheid woorden is niet oneindig, dacht ik. Als je ze bij het schrijven wilt gebruiken, ontbreken ze ergens anders.

Wanneer de liefde haar overvalt, stopt ze met het schrijven van gedichten. Ergens anders suggereert ze dat het leven een stap terug doet als het schrijven begint. Er moet dus gekozen worden. Het ene ondermijnt het andere. Kan je nog wel helemaal aanwezig zijn als je schrijft, vraagt Schoch zich af. Wat offert de schrijver op? Niet enkel woorden, suggereert ze, maar ook aanwezigheid. Haar man merkt op dat hij bang is voor haar kunst, omdat de schrijver zich zo sterk naar binnen keert dat het moeilijk wordt helemaal bij anderen te zijn. Is het daarom dat de hoofdpersoon gebukt ging onder het verlies van haar obsessie met de Catalaan? Was zij tijdens haar tijd in de schrijverskolonie nog geheel in de wereld omdat zij het schrijven nog niet ten volle had ontdekt, er nog zo onzeker over was?

Het is voor mij, als beginnend schrijver, erg herkenbaar om het schrijven als een substituut voor de obsessie te beschouwen. Of als de obsessie zelf, waardoor de banaliteit van het leven draaglijker is, en daar niet de hele tijd op zoek moet worden gegaan naar excessen. Alles wat ik wil beleven, beleef ik op papier.

De hoofdpersoon worstelt met hardnekkige clichés over zowel de liefde als het schrijverschap: de liefde als onverklaarbaar en irrationeel, de schrijver als eenzame figuur, het idee dat alles materiaal is, dat schrijven altijd voorrang krijgt. Maar je vergeeft Schoch deze clichés, omdat ze op een doorleefde en veelzijdige manier behandeld worden. Het is haast haar werkwijze: nadat ze een cliché geponeerd heeft, gaat ze het langs alle kanten onderzoeken en in twijfel trekken. Zo stelt ze: ‘Ik wilde het geloven, jarenlang. Dat de literatuur zuiverder was, groter dan het leven zelf.’ Vervolgens beschrijft ze hoe ze, na een woede-uitbarsting tegenover haar kinderen die haar tijdens het schrijven stoorden, niet in staat was haar werk voort te zetten. Hier is iemand aan het woord die weet waarover ze het heeft, reeds een heel schrijversleven achter de rug heeft. In die spanning tussen leven en verwoorden zit de kern van Schochs roman. Zoals haar hoofdpersoon het ergens in een interview hoorde zeggen: ‘Zolang ik schrijf, ga ik niet dood.’

 

De Arbeiderspers, Amsterdam, 2025
Vertaald door: Josephine Rijnaarts
ISBN 9789029554701
192p.

Geplaatst op 31/05/2026

Tags: Julia Schoch, Wild van een woeste droom

Categorie: Proza, Recensies

Naar boven

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.