Poëzie, Recensies

Bloot zijn en beginnen

Beginnen voor gevorderden

Hélène Gelèns

Als je maar even op gang bent, dan gaat het verder vanzelf: dat is een sensatie die we allemaal kennen. Zit je eindelijk in een flow, ben je onderweg, heb je de eerste alinea op papier staan, dan hoef je de beweging alleen maar vol te houden om ergens te komen, waarbij het er soms minder om te doen is het al dan niet vage einddoel te bereiken dan domweg voort te gaan. Maar hoe kom je zover? Je moet eerst beginnen, eens moet je de eerste stap zetten, het gesprek openen of op zijn minst je bed uitkomen. En daar gaat het vaak mis, want je hebt geen zin, je weet niet waartoe, je durft niet, er zijn reële of ingebeelde obstakels die het je onmogelijk maken in actie te komen. In dat opzicht vormt de kosmische en biologische orde waartoe we behoren enerzijds een probleem, want iedere nacht vallen we stil om de volgende ochtend weer te moeten opstaan, anderzijds is dat een voordeel: je kunt altijd opnieuw beginnen.

In het nog niet erg omvangrijke oeuvre van Hélène Gelèns (1967) is de dynamiek van beginnen en voortgaan een centraal thema. Haar eerste poëziebundel heette Niet beginnen bij het hoofd (2006) en de tweede Zet af en zweef (2010). Daarna verscheen alleen nog Applaus vanuit het donker (2014). Je zou kunnen stellen dat ze als dichter traag op gang is gekomen en vervolgens steeds opnieuw een lange aanloop nodig heeft gehad om met iets nieuws te komen. Dat is geen bezwaar. Een dichter hoeft geen haast te hebben.

De titel van Gelèns’ nieuwe bundel, Beginnen voor gevorderden, is dus meteen van toepassing op dit dichterschap. Is de dichter inderdaad gevorderd, in de zin van vooruitgekomen? Zijn de sprekers in de gedichten experts die weten hoe ze efficiënt moeten beginnen omdat ze vaker met het bijltje hebben gehakt? Daaraan ligt de zowel psychologisch als historisch en politiek belangrijke vraag ten grondslag of de mens eigenlijk wel in staat is van vroegere ervaringen te leren. Proberen we iedere dag, iedere generatie het wiel opnieuw uit te vinden?

Op de laatste pagina’s staan acht motto’s uit werk van onder anderen James Baldwin, Alain Badiou en Anneke Brassinga, die het concept ‘begin’ centraal stellen. Het bekendste citaat is waarschijnlijk dat van Paul van Ostaijen: ‘Ik wil bloot zijn / en beginnen’. Het zijn die woorden die in de eerste reeks van de bundel steeds terugkeren.

Er zijn vier afdelingen, getiteld ‘Met opstaan en opstaan’, ‘Voort voort’, ‘Met vallen en vallen’ en ‘Epiloog: het beginnende begin’. Die sequentie verbeeldt al een natuurlijke kringloop van oorsprong via bloei en verval naar een volgende cyclus. Het laatste gedicht heet ‘kunnen we?’, en het antwoord op die vraag luidt, zij het voorwaardelijk, bevestigend. Ja, we kunnen, alleen moeten we misschien nog even wachten tot de condities optimaal zijn. Je zou kunnen zeggen dat het boek, waarin verschrikkingen niet ontbreken, toch met een zeker optimisme eindigt.

Typerend voor de stijl van Gelèns is dat de stem van de dichter voortdurend in gesprek is, vaak met zichzelf, soms met anderen, alsof de taal, zelfs in haar meest alledaagse verschijning, de motor is die het leven op gang brengt en houdt. In ‘wie eerst’ gaat dat bijvoorbeeld zo:

 

ik begin   maakt dat iemand wat uit?

of begin jij? het maakt mij niet uit

we kunnen ook samen beginnen

zij wachten wel (zij zijn al begonnen?)

 

zijn we te laat? (niet antwoorden)

 

De eerste afdeling is één doorlopende, steeds weer strandende poging om te beginnen. De dichter roept: ‘ik moet naar buiten dingen veranderen en wel nu!’, maar ziet zich geconfronteerd met allerlei factoren die het handelen in de weg staan. Ze is bloot en wil beginnen, maar iedereen gluurt door het raam naar binnen, of er ontbreekt juist een raam, zodat ze het contact met de wereld mist, de deur sluit niet goed of gaat juist niet open. De indruk wordt gewekt dat de protagonist niet werkelijk wordt belemmerd, maar allerlei gelegenheidsargumenten zit te bedenken om maar niet in actie te hoeven komen. Daarmee wordt de vraag opgeroepen in hoeverre men verantwoordelijk is voor het eigen gedrag, maar ook voor wat er in de wereld gaande is.

Welke taak zouden dichters en denkers op zich kunnen nemen? In Zet af en zweef beschreef Gelèns een experiment met muizen, die rondzwemmend in een bak met troebel water moesten onthouden waar zich het punt bevond waar ze konden uitrusten. De hypothese was natuurlijk dat de muizen die dat punt het snelst gevonden hadden, over het beste geheugen beschikten. Maar de dichter vroeg zich af of het niet ook zo zou kunnen zijn dat de muizen die schijnbaar doelloos bleven rondzwemmen juist de vrolijkste en energiekste dieren waren.

Op het omslag van Beginnen voor gevorderden staan twee muizen afgebeeld, die bovenop uitgebloeide papavers aan elkaar snuffelen. In de bundel treffen we opnieuw een gedicht over een experiment met muizen aan. Ditmaal worden de dieren in een doolhof geplaatst met de opdracht zo snel mogelijk de uitgang te vinden, waar hen een beloning wacht. Ook als het ze moeilijk wordt gemaakt, weten de meeste muizen puur op routine de juiste route terug te vinden. Maar er zijn uitzonderingen: ‘een hupsmuis besnuffelt elke hoek elk doodlopend pad’. Is dat dus een domme muis? Integendeel, misschien is die het meest alert. Sterker nog:

 

noem de rondneuzer niet alert maar speels en ze huppelt

noem haar een denker en ze zoekt de regels van het spel

 

Spelen en filosoferen worden hier aan elkaar gekoppeld en dat is precies waarin de poëzie van Gelèns, die filosofie studeerde, uitblinkt. De dichter is een slimme muis die zich amuseert met alles om zich heen om daar vervolgens zonder dogma’s over na te denken. In die open blik schuilt de taak van de dichtkunst, ze laat ons zien dat geen enkele stand van zaken vanzelfsprekend is.

De poëzie van Gelèns is speels van karakter, op sommige momenten zelfs ronduit melig. Een van de begin-gedichten haalt nogal flauwe trucjes uit met de letter n, van deze aard: ‘begin-n! dit is mijn zoveelste begin dus n>1 […] zouden we ons kunnen voorstellen dat n=0? / n0? no? nooit begonnen?’ Later worden er typografische grapjes gemaakt met de woorden ‘liggend’, ‘zittend’ en ‘staand’. Dat is misschien wat al te gemakkelijk.

Tegenover al dat spel staat echter ook bittere ernst. De derde afdeling bevat gedichten over opstand, oorlog, sociaal onrecht, giftig afval en het weren van asielzoekers. Ook zien we een jongetje een worm in stukjes hakken. Is dat misdadig? De dichter geeft nog een voorbeeld:

 

hoe zou het voelen als je zelf geslacht zou worden?

de veganist die het vroeg aan een slager

wist het zeker: met empathie red je de wereld.

 

Helaas doet de slager daarna geen oog meer dicht, dus het inlevingsvermogen van de veganist is op zijn minst selectief te noemen.

In de laatste afdeling plaatst Gelèns de problematiek van het beginnen in een kosmisch en natuurkundig kader. Heel fraai is een reeks gedichten op basis van fysisch onderzoek naar het ontstaan van zandribbels op het strand. Dat regelmatige patroon begint met één ribbel:

 

hoe de golf het zand opstuwt tot een eerste ribbel

hoe ze zich terugtrekt en weerkeert

die ribbel op stroomt, op de top neerwaarts krult

vaart krijgt overeind springt achterwaarts

krult in een achterwaartse salto en weer

opwaarts in een volledige spiraal, hoe het zand

meedanst achterwaarts krult en opwaarts

zich laat opgooien, een nieuwe ribbel vormt

 

De suggestie die hiervan uitgaat is dat een schijnbaar chaotisch en willekeurig maar ook vrolijk (‘meedanst’) proces in feite wiskundig voorspelbaar is, hetgeen opnieuw de vraag oproept in hoeverre er in deze wereldorde iets te kiezen en te veranderen valt, en of wij mensen niet gedoemd zijn in iedere generatie opnieuw dezelfde fouten te maken, vaak met de beste bedoelingen.

De reeks ‘pechblende’ doet het ergste vermoeden. In acht gedichten volgt Gelèns de ontdekking van radioactiviteit vanaf de zestiende eeuw, toen in het Boheemse Ertsgebergte zilvermijnen werden ontdekt. In het afval blijkt zich nog een metaal te verschuilen, dat uranium wordt genoemd. In het eerste kwartaal van de twintigste eeuw beschilderen meisjes die in een fabriek de cijfers op wijzerplaten van horloges lichtgevend maken, elkaar voor de grap met het fluorescerende materiaal, waarna ze het licht uitdoen:

 

van de meisjes rest nu alleen gegiechel en gesnuif

in het donker zweven radiumsnorren radiumbrauwen

radiumoren, de nieuwe schatert haar radiumtanden bloot

 

Niet lang daarna breekt een van de meisjes plotseling een been, eerder was hun vriendin Caroline al overleden, ‘haar kaak brak ook zomaar midden op de dag’. Pas een halve eeuw later wordt de fabriek gesloten, maar het puin wordt gebruikt om wegen te verstevigen. Wanneer het sneeuwt is duidelijk te zien waar het radioactieve materiaal terecht is gekomen: ‘her en der en der vallen bruine gaten in het wit […] overal waar de sneeuw plaatsmaakt voor derrie / leeft de radiumfabriek voort’.

Is dit goede poëzie? In een aantal gedichten is Gelèns goed op dreef en leidt haar dansante denken tot verrassende strofen, zinswendingen en inzichten. Daar staat tegenover dat de eerste reeks te lang blijft doorgaan met ‘beginnen’, en dat ‘pechblende’ wel een aardige opeenvolging van wetenschappelijke en economische rampen laat zien, maar op zinsniveau niet echt pakkend is – deze gedichten moeten het hebben van hun historische documentatie, niet van poëtische sensitiviteit.

Maar een dichter kan altijd opnieuw beginnen.

Cossee, Amsterdam, 2022
ISBN 9789464520118
80p.

Geplaatst op 27/11/2022

Tags: Bloot zijn en beginnen, Hélène Gelèns, Paul van Ostaijen

Categorie: Poëzie, Recensies

Naar boven

Reacties

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.