Corpus met overgewicht

De begraafplaats van Praag

Umberto Eco

Niets is wat het lijkt, niemand is wie hij voorgeeft te zijn: zo kunnen we de algemene conditie beschrijven in Umberto Eco’s (voorlopig) laatste roman De begraafplaats van Praag. Alleen, deze veralgemeende zwendel levert ondanks de onstuitbare stroom aan intriges geen intrigerend verhaal op, maar tast in eerste en laatste instantie de roman zelf aan: die vermag op geen enkel moment te overtuigen of te boeien, maar zinkt weg in een mislukte parodie op de negentiende-eeuwse feuilletonroman.

Het begint al in de eerste bladzijden waarin het hoofdpersonage, Simone Simonini, zichzelf introduceert en zich afvraagt ‘wie ben ik?’. Zijn identiteit vat hij in één zin samen: odi ergo sum, ik haat dus ik ben. En hij laat al wie het mikpunt is van zijn zogenaamde haat de revue passeren: Joden, Duitsers, Fransen, Italianen, jezuïeten, vrouwen. Naarmate de roman vordert, deint het lijstje op een schier eindeloze manier uit: Kroaten, Russen, Arabieren, Engelsen, negers, communisten, vrijmetselaars. Haat wordt hier verwisseld met vooringenomenheid. Simonini is een te zwakke figuur om te haten, hij is zo verstoken van elk principe dat hij noch tot liefde noch tot haat in staat is. Eigenlijk zit hij gevangen in vooringenomenheden die hem beletten wat dan ook te ervaren. Hij is een platte opportunist: hij wordt gedreven door niets meer dan een povere zorg voor lijf en leden en eetlust. Zijn zogenaamde misantropie wordt bij het zien van lekkernijen onmiddellijk vergeten, zijn zelfverklaarde antisemitisme wordt steevast weggesoupeerd. Een dergelijk karakterloos personage bombarderen tot hoofdrolspeler in een actieroman van iets minder dan vijfhonderd pagina’s is een riskante onderneming – een onderneming die, zoals kon worden gevreesd, faliekant is afgelopen.

De begraafplaats van Praag speelt zich af in de tweede helft van de negentiende eeuw, voornamelijk in Italië en in Parijs. We krijgen dan ook – uit den treuren – alle mogelijke gebeurtenissen opgedist die zich in die periode in Italië en Frankrijk hebben voorgedaan: de eenmaking van Italië, de Duits-Franse oorlog, de val van het Franse keizerrijk en van Napoleon III, de Parijse Commune, de opkomst van het marxisme, de strijd tussen de integralistische rooms-katholieke Kerk en de vrijmetselarij, de affaire Dreyfus en het groeiend antisemitisme. Simonini is bij al (!) deze gebeurtenissen van dichtbij betrokken. Hij staat bekend als de ongeëvenaarde meester in het vervalsen van documenten en het fabriceren van valse documenten. Om deze kunde prijkt hij op het verlanglijstje van alle mogelijke illegale organisaties. Zo raakt Simonini verzeild in Sicilië, waar hij zich opwerpt als Garibaldijn en als anti-Garibaldijn, zo slijt hij zijn dagen in Parijs, waar hij zowel voor jezuïeten als voor vrijmetselaars complotten verzint. Ondertussen frequenteert hij de kringen van satanisten en occultisten. Verder schrijft hij het document waaruit het landverraad van Dreyfus moet blijken. En tenslotte zit hij verstrikt in een internationale samenzwering die het op de Joden gemunt heeft , en schudt hij de eerste versie uit zijn mouw van wat later gepubliceerd zal worden als de Protocollen van de Wijzen van Zion.

Alsof dit allemaal niet volstaat, komt Simonini ook nog in contact met een uit Oostenrijk afkomstige arts die in de Parijse kliniek van Charcot de techniek van de hypnose bestudeert. Deze zonderling, wiens naam (Froïd) systematisch verkeerd gespeld wordt, geeft Simonini, die klaagt dat hij aan identiteitsverlies lijdt, de raad om een dagboek bij te houden. Daarom wisselt de roman van Eco dagboekfragmenten, zogezegd geschreven door Simonini, af met verhaalfragmenten, geschreven door een fictieve verteller. Hier doet zich een nieuw probleem voor: beide stukken tekst lijken stilistisch te sterk op elkaar. Anders gezegd: de dagboekfragmenten van Simonini wekken nooit de indruk dagboekfragmenten te zijn, ze zijn stukken verhaal, nu en dan onderbroken door een anonieme verteller. Op het eind van de roman neemt de anonieme verteller het hoe langer hoe meer over van Simonini, omdat het dagboek te traag opschiet. Als lezer kun je je moeilijk van de indruk ontdoen dat Eco zijn eigen roman moe wordt en die nu aan een verhoogd tempo wil afhaspelen.

Het wordt nooit duidelijk waar Eco met deze roman heen wil. Het komt mij voor dat er iets aan de psychologie van Simonini schort: de duivelse bezetenheid van de auteur van de Protocollen, die doelbewust een wereldwijd complot van de Joden fingeert, kan niet worden belichaamd door een wereldvreemde, enkel op copieuze maaltijden beluste onbenul. Simone Simonini’s omineuze initialen volstaan niet om van hem een Italiaanse Heydrich te maken. Eco stelt hem graag voor als het meest abjecte personage uit de literatuurgeschiedenis, maar Simonini is niet meer dan een meeloper die nooit de indruk wekt over de dynamiek en de verbeeldingskracht te beschikken om initiatieven te nemen. Aan wie in Eco’s roman een actuele boodschap wil lezen, dient opgemerkt: hoewel het hedendaagse consumentisme vaak gepaard gaat met een kwalijke onverschilligheid, ontbeert het tegelijk elk fanatisme vereist om complotten te verzinnen. Maar er schort ook iets aan de toon van de roman. Het is alsof Eco zijn aanvankelijk plan om een humoristische roman te schrijven gaandeweg laat varen en uiteindelijk terugschrikt voor een ironische benadering van het antisemitisme.

De titel suggereert dat de Joodse kwestie een cruciale rol speelt. Maar de schriftvervalsing die leidt tot de publicatie van de Protocollen van de Wijzen van Zion, zinkt weg in een overvloed aan nevenintriges. De roman eindigt ook zeven jaar voor de lasterlijke protocollen in de wereld opduiken. Misschien stel ik de verkeerde vraag en wil Eco helemaal nergens heen en enkel aantonen dat we in de geschiedenis alleen maar verloren kunnen lopen. Als lezer word je door de aanhef gewaarschuwd: ‘Omdat uitweidingen in een historische vertelling nu eenmaal onontbeerlijk zijn of er, sterker nog, het hoofdbestanddeel van vormen…’ Deze aanhef volstaat niet om het gevoel weg te nemen dat Eco bovenal in zijn eigen roman verloren gelopen is en de controle over alle uitweidingen volledig zoek is.

Overdaad kenmerkt deze roman van Eco: een overdaad aan boeken en figuren, aan stromingen en bewegingen, aan feiten en weetjes, aan clichés. De vraag of Eco in zijn roman de droevige clichés (de wereld wil bedrogen worden, de mensen geloven enkel datgene wat ze al menen te weten, enzovoort) bevestigt dan wel weerlegt, kan niet worden beantwoord. Terwijl de vele feiten en weetjes in De naam van de roos bijdragen aan en ten dienste staan van een spannende whodunit, bezorgt de infobesitas de lezer in deze roman een vervelende indigestie: het hopeloos vermoeiende, want voorspelbare verhaal dat zich van het ene incident naar het andere voortsleept, stikt in de overvloed aan gedetailleerde weetjes die er zelden toedoen. Zoals je het als lezer ook beu wordt dat altijd opnieuw zogenaamd heerlijke maaltijden uit Piëmonte of Sicilië uitgebreid beschreven worden. Als in een heus kookboek: niet alleen de ingrediënten, ook de manier van bereiden.

Een berucht Belgisch politicus, die ook wel eens in complotten verzeild geraakte, formuleerde het ooit in een onnavolgbaar idioom: ‘Trop is teveel’.

Links

Prometheus, Amsterdam, 2011
ISBN 9789044617313
493p.

Geplaatst op 25/05/2011

Naar boven

Reacties

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.