Deel Facebook Twitter / X LinkedIn
Het vrouwelijke hoofdpersonage van Jante Wortels novelle Ik, de ander (2025) laat op de nieuwjaarsborrel van het werk een oogje vallen op een collega. Ze vinden elkaar in een gedeelde aversie voor karaoke en wanneer hij ’s avonds laat zijn sjaal afstaat tegen de kou, zijn ze aan elkaar gebonden. De sjaal zal echter een gevangenisketting blijken wanneer zich gaandeweg een vernietigende machtsrelatie ontwikkelt. Daarover verslag uitbrengen valt niet mee: de man en de vrouw zijn voornaamwoorden. Het gebrek aan namen – maar ook aan uiterlijke kenmerken, plaatsomschrijvingen, bezigheden, kortom: details – creëert een vaagheid die uitermate functioneel is, maar ook irritant.
Ingewikkelde relaties weergeven met een hoge emotionele intensiteit is de hoofdinteresse van Jante Wortel (1996). Waar ze in haar met De Bronzen Uil bekroonde debuut Weerlicht (2022) de verstikkende dynamiek van een gezin in eetstoornisherstel invoelbaar maakt, richt ze zich hier op de krachten in een toxische relatie. Dat doet ze aan de hand van een driedelig verslag, waarin de hoofdpersoon haar relatie in de derde persoon reconstrueert. Het relaas is geschreven in de tegenwoordige tijd, wat een helderheid brengt die in het geleefde leven ontbreekt en spanning creëert. Net als zij zal je als lezer de rit uitzitten; de uitwegen die jij ziet, waren er niet. Zo hoop je dat de vrouw de man verlaat wanneer ze aan het begin van hun samenzijn verneemt dat hij nog een andere partner heeft, ook al weet je dat dat niet zal gebeuren. De aanwezigheid van de ander kapselt namelijk haar onzekerheid in. Ze streeft ernaar de beste geliefde te zijn door in te spelen op de grillen van haar vriend en wordt daarvoor beloond met (spaarzame) uitingen van liefde.
In het tweede deel zal ze echter beseffen dat hij haar meer beschadigt dan goeddoet. Ze heeft ‘strontgenoeg’ van het emotionele en seksuele geweld, maar slaagt er niet in om hulp te vragen. Haar netwerk is uitgedund en als het erop aankomt schrijft ze zijn uitspattingen toe aan persoonlijk falen of brengt ze verzachtende omstandigheden aan. Pas na een zwangerschapsverlies aan het begin van het derde deel, wanneer letterlijk een deel van hem loslaat, bevrijdt ze zichzelf uit haar objectpositie. Het is niet toevallig lente. De donkerste dagen zijn voorbij, de zomer komt eraan.
De progressie van mentale rebellie naar daadwerkelijk verzet, voorzichtig gekoppeld aan het verstrijken van de seizoenen, geeft Ik, de ander een sobere structuur. Die soberheid is ook eigen aan het personale perspectief, waarbij verwijzingen met hij/zij en hem/haar alle persoonsnamen verdringen. Dat heeft in de eerste plaats iets waarachtigs, omdat iemand die zulke verwarrende, verschrikkelijke dingen heeft meegemaakt vermoedelijk enkel kan schrijven met zo’n emotionele distantie. Iets wat overigens wordt bevestigd wanneer een hulpverlener opmerkt dat de vrouw uitsluitend over haar situatie praat met een ingebouwde afstand, wat haar later doet beseffen dat ze de man in kwestie zelfs nooit bij naam heeft genoemd. Daarnaast bestendigt de rigide tweedeling hij/zij de problematische fundamenten van de relatie, waarbij het ene geslacht tegengesteld is aan het andere. Mannen zijn zelfstandig, vrouwen niet. Mannen hebben verlangens, vrouwen niet. Mannen zijn juist, vrouwen juist niet.
De soberheid van de vertelling slaat echter om in een gebrek aan persoonlijkheid wanneer die gepaard gaat met een stijl die meer benoemt dan beschrijft. Anders dan in Weerlicht, waar handelingen werelden scheppen (het aantrekken van een extra trui, het obsessieve trillen met de voeten), zet Wortel in Ik, de ander geen scènes neer, maar kiest ze ervoor om diepe waarheden via mededelingen aan de oppervlakte te brengen. ‘Ze heeft nog nooit eerder iemand gezien die zelfs in zijn slaap zo gecontroleerd lijkt’, schrijft ze bijvoorbeeld. Maar hoe die gezichtsuitdrukking – of nog beter: de man – eruitziet, blijft een raadsel.
Hetzelfde gebrek aan specificiteit gaat ook op voor het uiterlijk van de vrouw, hun jobs of de ruimte waarin ze zich bewegen. Daar zijn verklaringen voor. Zo weet de vrouw weinig over haar partner, waardoor ze wel een beroep moet doen op vage taal om zijn bezigheden te omschrijven. Ze praat over Zaken, Dingen die Moeten Gebeuren of Dingen die er Echt toe doen, omdat ze geen idee heeft wat er achter de taal schuilt en dus enkel zijn gewichtige uitspraken kan reproduceren.
Naast taal als teken van macht en machteloosheid is er nog een andere verklaring voor het gewichtige hoofdlettergebruik en de afwezigheid van concrete elementen, namelijk het idee dat iedereen dit kan overkomen. Passages waarin het hoofdpersonage naar een Stad of naar een Grotere Stad reist, wijzen er direct op dat het verhaal zich overal kan afspelen. De vrouw, die we enkel kennen middels secuur omschreven gedachten en psychologische patronen, is een sensibiliserende stand-in. ‘Hoeveel vrouwen hoor je niet zeggen: maar als ík in zo’n situatie terecht zou komen…’. Ze hebben het fout, klinkt de waarschuwing.
Hoewel het afstandelijke perspectief en de expliciete verteltrant de hoofdgedachte van het boek omvatten, werken ze ook starheid in de hand. De letterlijke mededelingen van de psychologische toestand van de vrouw laten weinig ruimte voor interpretatie, terwijl het gebrek aan persoonlijkheid de interesse doet verslappen. Dat maakt het boek zowel te nadrukkelijk als niet nadrukkelijk genoeg. Wat de begeestering ook niet vooruit helpt, zijn generieke formuleringen als ‘Ze rilt, hoewel het helemaal niet koud is’ of scheve metaforen zoals ‘Zijn lippen […] zijn zo zacht dat ze erin zou willen wonen’.
En toch, initieel leest Ik, de ander met zijn extreem korte hoofdstukken en fatalistische inslag gretig weg. Beging ik een fout door traagheid in te lassen, door mezelf het plezier van die snelle leeservaring te ontzeggen? De ambigue leeservaring doet gek genoeg aan het hoofdpersonage denken. Zit je net als haar midden in de ervaring, sleurt die je helemaal mee. Neem je samen met haar afstand, dan tonen de barsten zich.
Ik, de ander van Jante Wortel laat zien hoe makkelijk het is om in een ongezonde relatie te verdwijnen en toont hoe zwaar het is om eruit te verdwijnen – dát je eruit kan verdwijnen. Om die boodschap over te brengen worden bijna alle persoonlijke elementen geweerd, zodat een afstand ontstaat waarin de lezer zichzelf herkent. De ander is zij, maar ook ik en jij. Helaas is dat concept interessanter dan de uitvoering, die levendigheid mist en een gespleten leeservaring oplevert. Is het mogelijk om een kritische houding aan te nemen en je tegelijkertijd over te geven aan de spanning? Kan je gelijktijdig afstandelijk en betrokken zijn? Ik, de ander getuigt van wel, waardoor vorm en inhoud irritant genoeg weer samenvallen.
Reacties
Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.