Filosofie, Recensies

De creatie van een andere wereld

Het ware leven

Of waarom de jeugd gecorrumpeerd moet worden

Alain Badiou

In zijn essay Het ware leven, of Waarom de jeugd gecorrumpeerd moet worden analyseert de Franse filosoof Alain Badiou (1937), inmiddels tweeëntachtig, de maatschappelijke situatie van de hedendaagse jongeren. Tegelijkertijd richt hij zich ook rechtstreeks tot hen. Dit spreken over én spreken met is voor Badiou geen contradictie. Het is de taak van de filosoof om de jeugd te instrueren. De jeugd is alleen maar opgewassen tegen de uitdagingen van de toekomst wanneer ze zichzelf en haar positie ‘filosofisch’ begrijpt, aldus Badiou. En die uitdagingen zijn gigantisch: ‘Jullie zijn de tijdgenoten van een maatschappelijke crisis die de laatste resten van de traditie dooreenschudt en vernietigt.’ Ons tijdsgewricht is voor Badiou een fundamenteel keerpunt in de geschiedenis en de spanning tussen de jeugd en de volwassenen is meer dan het zoveelste generatieconflict.

In drie opstellen richt Badiou zich eerst tot de jeugd in het algemeen, dan tot de jongens en ten slotte tot de meisjes. De ondertitel van zijn essay verwijst naar de beruchte aanklacht tegen Socrates, die met zijn filosofie de Atheense jeugd zou hebben gecorrumpeerd. Wat Socrates echter deed, volgens Badiou, was de jeugd de weg naar ‘het ware leven’ tonen, een leven dat het streven naar geld, genot en macht – de echte corruptie – ver achter zich laat, een leven dat de moeite waard is om geleefd te worden. Op dezelfde manier als Socrates wil Badiou de hedendaagse jeugd corrumperen.

Het ware leven is een vlot geschreven essay, bedoeld voor een groot publiek. Toch komen de ideeën pas tot hun recht wanneer het opstel met veel aandacht gelezen wordt. De inzet van het werkje is zeer ambitieus: aan de hand van een analyse van de situatie van de jongeren een tijdsdiagnose maken. Ook al hanteert hij bij momenten een eigenzinnig filosofisch jargon, Badiou raakt wel degelijk een aantal zenuwen van onze tijd. Zijn filosofie kreeg pas vanaf het midden van de jaren negentig grotere weerklank. Voor een generatie die zich afkeerde van de postmoderne ironie, de relativering van iedere waarheidspositie, en de deconstructieve opschorting van betekenis, en weer op zoek ging naar stevige ankerpunten voor politieke actie, werd Badiou een lichtend baken.

We zitten in een cruciale fase van de geschiedenis. De ‘traditionele wereld’ die duizenden jaren bestaan heeft met zijn symboliseringen, zijn hiërarchieën, zijn coderingen, zijn rituelen, zijn initiaties, zijn verdeling van sociale posities, … is definitief ten einde. De filosoof treurt daar niet erg om – het afscheid van de traditie is dan ook onvermijdelijk – maar constateert wel dat voor die traditionele symbolisering niets anders in de plaats is gekomen dan de brutale dwang van de economie en de a-symbolische heerschappij van het egoïsme. Voorbij de schittering van de eindeloze productie en consumptie ligt het nihil, het absolute niets: ‘Alles bij elkaar genomen vraagt het kapitalisme alleen een leven dat bestaat uit werk, behoeftes en pleziertjes. Een dierenleven, in feite.’ De imperatief van de traditionele samenleving luidde: ‘Leef met dit (religieus, patriarchaal, …) Idee en met geen ander’. De huidige imperatief luidt: ‘Leef zonder Idee’. Daarom is er al bijna een halve eeuw sprake van de dood van ideologieën. Als reactie op deze leegte is er een verlangen ontstaan naar een terugkeer van de hiërarchische symboliseringen, die de vorm kan aannemen van een religieus, een nationalistisch, een racistisch of een puur individualistisch verhaal. Badiou noemt dat vormen van ‘reactionair fascisme’.

Is er dan geen alternatief? Toch wel. Tegenover de kapitalistische ontbinding van iedere symbolisering enerzijds en de reactionaire symboliseringen anderzijds zet Badiou de ‘egalitaire symbolisering’ van het communisme. Badiou was in de jaren zestig en zeventig een van de leiders van het Franse maoïsme. Hij heeft later nooit, ook niet na de val van de Sovjet-Unie (en dus het einde van het historische communisme), die militante linkse erfenis ter discussie gesteld. Hij erkent de catastrofes die het reële communisme heeft aangericht (lang niet voldoende, vinden zijn critici), maar blijft het ‘communisme’ als Idee verdedigen, als enig mogelijk alternatief om de ongestoorde wildgroei van het kapitalisme en de impasse van de representatieve democratie die steeds populistischer wordt,  te doorbreken. Badiou is inmiddels de tachtig voorbij en zoekt nieuwe allianties. Hij pleit expliciet voor een bondgenootschap tussen jongeren en ouderen tegen de volwassenen. En met ouderen bedoelt hij in de eerste plaats ‘de rebellen en revolutionairen’ van de jaren zestig, zijn eigen generatie dus. Badiou wil hun ideaal koppelen aan wat de jongeren van nu zou moeten bezighouden.

Wie denkt dat Badiou opgetogen is met de vele (burger)bewegingen van de voorbije decennia (van de Occupy-beweging tot de klimaatjongeren) komt enigszins bedrogen uit. Hij ziet hierin vooral een reactie van de jongeren uit de middenklasse waarvan de politieke rol volgens hem inmiddels uitgespeeld is. De jongeren hebben goede bedoelingen, maar zien het grotere geheel niet. De enige mogelijkheid voor Badiou is een alliantie tussen deze geëngageerde jeugd en intellectuelen aan de ene kant en de straatarme 50% van de wereldbevolking aan de andere kant: ‘Alles, werkelijk alles hangt af van de definitieve wedergeboorte van zo’n alliantie en van de politieke organisatie ervan op internationale schaal.’ Badiou is er zich van bewust dat hij ontwikkelingen beschrijft die nog niet voltooid zijn en die zich vaak nog in hun beginfase bevinden. Hij ziet het immers als de belangrijkste taak van de filosoof om bezig te zijn met wat nog niet is.

Opvallend afwezig in Badious analyses zijn termen als ‘multiculturaliteit’, ‘diversiteit’ of ‘verschil’, die op dit ogenblik een groot deel van de maatschappelijke en politieke discussie bepalen. Badiou heeft die termen altijd categoriek afgewezen. Het culturalisme is voor hem een vorm van banale sociologie die de rechtstreekse erfgenaam is van de koloniale verwondering voor de ‘wilden’. Diversiteit maakt voor Badiou deel uit van iedere situatie en van iedere persoonlijkheid en moet niet gereduceerd worden tot een aparte categorie: ‘Wat moeten we dan denken van de ander, van verschillen, van hun ethische erkenning? Het oneindige anders-zijn is doodgewoon wat er is. Om het even welke ervaring is de oneindige ontplooiing van oneindige verschillen. Zelfs de zogenaamde reflexieve zelfervaring is allesbehalve de intuïtie van een eenheid, maar een labyrint van differentiaties, en Rimbaud had geen ongelijk toen hij verklaarde: ‘Ik is een ander’. Er is evenveel verschil tussen, pakweg, een Chinese boer en een jonge Noorse manager als tussen mijzelf en willekeurig wie – mijzelf inbegrepen. Evenveel, maar dus ook noch meer, noch minder ‘, schrijft hij in zijn essay De ethiek (1993, Ned. vert. 2005). Het gaat Badiou niet om het Andere, maar om Hetzelfde, om de universele principes van vrijheid, gelijkheid en rechtvaardigheid.

Badiou zet in op de toekomst, op de jeugd. Maar hij beseft ook dat de jeugd het niet makkelijk heeft in een wereld zonder tradities, symboliseringen en vaders. Hij is opvallend negatief over de jongens en hun toekomst. Omdat er geen initiatieriten in de volwassenheid meer zijn – Badiou verwijst naar de consequenties van de afschaffing van de militaire dienst én de stijgende werkloosheid bij bepaalde groepen jonge jongens – komen ze terecht in een eeuwige jeugd. Jongens worden niet meer volwassen omdat hen niet meer geleerd wordt hoe dat moet. Omdat ze geen symbolische ondersteuning krijgen en dus leven zonder Idee, leiden ze een kinderachtig bestaan. De vaders ontbreken, zowel op het reële als op het symbolische niveau. De figuren van de ‘genietende vader’ (de geile sater) en ‘de vader van de wet’ (de autoriteit) zijn op z’n minst problematisch geworden. Het is niet meer de vader die de zoon onderdrukt, maar de ‘wet van de markt’ (mode, consumptie, representatie) die alles gelijk maakt en die volstrekt anoniem is. De onderdrukking van de zoon is anarchistisch omdat ze buiten de macht van het symbool valt.

Hoe gedraagt de zoon zich dan in deze situatie? Badiou onderscheidt drie mogelijke reacties van de zoon. Hij spreekt van het perspectief van ‘het geperverteerde lichaam’, ‘het opgeofferde lichaam’ en ‘het verdienstelijke lichaam’. Onder het geperverteerde lichaam plaatst hij dat deel van de mannelijke jeugd dat het lichaam onderwerpt aan praktijken als piercen, drugs nemen, tatoeëren en ‘folteren met harde geluiden’. De seksualiteit wordt vervangen door de pornografie. Badiou spreekt van ‘een lichaam zonder Idee’, ‘een a-subjectief’ lichaam, met andere woorden een lichaam dat geen drager van een subject (een individu dat zichzelf en zijn omwereld betekenis geeft) kan zijn. Het ‘opgeofferde’ lichaam is de tegenpool van het ‘’geperverteerde’ lichaam en verlangt wanhopig naar de traditie en de absolute wet. Het is de zoon als terrorist, als martelaar die zich door een ideologisch (religieus) geweld van de als vuil ervaren wereld wil zuiveren. Tussen deze twee posities – overgave aan de betekenisloze roes en opoffering voor de wet – bevindt zich het ‘verdienstelijke’ lichaam, het lichaam dat zich zo optimaal mogelijk aanpast aan de wetten van de markt, het consumeren en het presteren. Badiou weigert deze identitaire problemen te zien als louter verklaarbaar vanuit economische of sociale omstandigheden. De oorzaken ervan liggen veel dieper: ‘Misschien zijn de hedendaagse zonen met al hun identitaire instabiliteit wel het symptoom van een diepgaande verandering van de staat.’ Die ‘diepgaande verandering’ is niet meer of minder dan het afsterven van de staat zelf. Dat stelt ons volgens Badiou voor de beslissende keuze: communisme of barbarij?

Is er dan geen uitweg voor de zoon? Toch wel. Voor Badiou bestaan er vier domeinen waarop zich een waarheid kan presenteren die een subjectwording tot gevolg heeft. Met andere woorden vier domeinen waarin het ware leven, het leven dat het waard is om geleefd te worden, gevonden kan worden: de liefde, de politiek, de kunst en de wetenschap. De liefde, de fundamentele ervaring van ‘het Twee’, kan de zoon onttrekken aan de pornografische eenzaamheid van het geperverteerde lichaam. Het politieke engagement is een zinvol alternatief voor het lichaam dat zich voor de wet (van de religie) wil opofferen. Kunst en wetenschap op hun beurt zijn een redmiddel tegen het verdienstelijke lichaam dat kennis en intelligentie alleen maar gebruikt om makkelijk carrière te maken. ‘Uit liefde, politiek, kunst en wetenschap kun je wel degelijk genade putten, met andere woorden, je kunt er iets in vinden wat je lichaam raakt en er opnieuw een idee aan geeft.’

Voor meisjes geldt dit natuurlijk ook, maar hun situatie is volgens Badiou toch heel anders dan die van de jongens. Terwijl de moderniteit de mannelijke identiteit in een crisis heeft gestort, is de twintigste eeuw voor de vrouw een eeuw van emancipatie uit de traditionele rollen van echtgenote en moeder. Ook bij de meisjes doet zich een crisis in de symbolisering voor: de man verdwijnt als mediator tussen meisje en vrouw. In de traditie werd het meisje een vrouw vanaf het ogenblik dat ze toebehoorde aan een man. Die mediatie is verdwenen (of zal verdwijnen). Het gevolg is volgens Badiou dat het meisje altijd al de vrouw is die ze zal worden. Terwijl de jongens onvolwassen blijven door het wegvallen van de symbolisering, worden de meisjes in dezelfde omstandigheden prematuur vrouw. Alle meisjes, hoe jong ook, zijn in de woorden van Badiou ‘kleine dametjes’. Meisjes – jonge vrouwen – kunnen eigenlijk alles en veel beter dan de jongens. Hij draagt hier zelfs empirisch bewijsmateriaal voor aan. Hij wijst op het enorme verschil tussen de slaagkansen op school van jongens en meisjes in de zogenaamde achtergestelde buurten. Terwijl de jongens massaal mislukken en vooral als ‘geperverteerde lichamen’ (drugs, criminaliteit, …) verder leven, slagen meisjes in even grote aantallen. Hier ligt echter, als ik Badiou goed begrijp, ook het gevaar. Meisjes slagen zo goed dat ze met hun vele kwaliteiten perfect ingepast kunnen worden in het kapitalistische systeem dat van hen een ‘consumerend en concurrentieel individualisme’ verlangt. Dat is ook wat hij aan het ‘dominant bourgeois feminisme’ (waartoe hij iemand als Elisabeth Badinter rekent) verwijt: ‘Dat is een feminisme dat helemaal niet de creatie van een andere wereld voorstaat, maar dat de wereld zoals ze is wil overleveren aan de macht van de vrouwen.’ Alles blijft zoals het is, maar met vrouwen als ministers, bankeigenaars, rechters, legeroversten, CEO’s, …

Hoe ziet die creatie van een andere wereld eruit en wat is de specifieke rol van de vrouw daarin? ‘L’avenir de l’homme est la femme. Elle est la couleur de son âme […]’ schreef Louis Aragon. Badiou citeert Aragon niet, maar hij lijkt iets soortgelijks te willen zeggen, al geeft hij toe dat zijn visie nog zeer onduidelijk is. Wat hij wel duidelijk maakt, is dat we enerzijds het einde van de ‘vrouwenvierhoek’ van de traditionele representatie (Dienstmeid, Moeder, Verleidster en Heilige) moeten aanvaarden en anderzijds het model van vrouwen als ‘reserveleger van het zegevierende kapitalisme’ moeten afwijzen. Hoe de ‘nieuwe vrouw’ eruit zal zien, blijft vaag. En misschien kan dat op dit ogenblik ook niet anders. Met Baudelaire definieert Badiou de vrouw als ‘une passante’, een voorbijgangster. ‘Vrouw’ slaat eerder op een proces dan op een positie: ‘Minder poëtisch kunnen we zeggen dat een vrouw degene is die het Een verijdelt, hetgeen geen plaats maar een handeling is.’ Het ‘Een’ is voor Badiou het kapitalistische systeem dat geen Ideeën toelaat en alleen een ‘dierlijk’ leven van presteren en consumeren vereist. ‘Vrouw’ staat dan voor een doorgang, een proces dat een uitweg kan bieden uit dat Een. Om dat wat helderder te maken doet Badiou een beroep op datgene wat alleen vrouwen kunnen: baren. Badiou ziet dat baren, breder dan het biologische gebeuren, als een ‘filosofische geste’, een geste die gepaard gaat met ‘symbolische creatie’. Hij stelt zich een orde van de symbolische creatie, een orde van de wet voor die niet langer volledig afhangt van de Naam van de Vader zoals dat traditioneel het geval was. Met de dood van God is een einde gekomen aan iedere transcendentie. Die leegte, die nu ingevuld wordt door het kapitalisme en/of door reactionaire symboliseringen, moet de plek worden van een nieuwe geboorte. Daarvoor is een nieuw soort meisje nodig: ‘Een meisje dat voornemens is de nieuwe vrouw te worden, de vrouw die de vrouwen niet zijn en moeten worden, de vrouw die als het gaat om de creatie van nieuwe symbolen met beide benen op de grond staat en het moederschap daarin zal betrekken.’ Het komt aldus Badiou uiteindelijk neer op een seksualisering van het denken: ‘Wat is een vrouw die volledig medeverantwoordelijk is voor wat wordt gedacht en gedaan, en die geen duistere godin of amoureuze passie is?’ De vraag blijft voorlopig open.

Badiou is duidelijk scherper en concreter in de beschrijving van wat is en van wat moet worden afgewezen dan in het oproepen van een alternatieve toekomst. Maar dat kan je hem maar moeilijk kwalijk nemen: het ware leven laat zich immers veel minder goed vatten dan het gecorrumpeerde. Geen toeval wellicht dat het essay daarom eindigt met een dichtregel van Paul Valéry, die misschien niet de inhoud, maar wel het appel van Badious essay mooi samenvat: ‘Mooie hemel, ware hemel, zie hoe ik verander!’

Polis, Antwerpen
Vertaald door: Piet Joostens
ISBN 978 94 6310 380 0
133p.

Geplaatst op 04/11/2019

Tags: Alain Badiou, communisme, Het ware leven, Jeugd, Kapitalisme, Man, Vrouw

Categorie: Filosofie, Recensies

Reacties

  1. Samuel Vriezen

    Een kritische noot bij een mooie recensie:

    “Het gaat Badiou niet om het Andere, maar om Hetzelfde, om de universele principes van vrijheid, gelijkheid en rechtvaardigheid.”

    Het lijkt mij incorrect om dit Hetzelfde te noemen. Hetzelfde, dat is Identiteit, waar Badiou altijd tegen ten strijde trek. Het universalisme van Badiou is daarentegen altijd, radicaal, negatief: universeel is juist wat álle identeiten ontwricht. Dat is juist niet Hetzelfde, het betekent voor iedereen iets anders.

    Dit wordt vaak verkeerd begrepen, maar je ziet op formeel niveau dat alle technische constructies die Badiou gebruikt zeer secuur zijn ontworpen om juist dit misverstand tegen te gaan (met name in L’être et l’événement en in Immance des vérités). Badious denken is dan ook uitstekend in overeenstemming te brengen met een hedendaags type positioneel bewustzijn (Logiques des mondes gaat over niets anders dan over lokalisering van waarheid binnen een wereld, op uiteenlopende punten) en ook met intersectioneel geïnspireerde radicaal emancipatoire politiek. Dit laatste heb ik bv in aanzet uitgewerkt in een essay voor De Nederlandse Boekengids: https://www.nederlandseboekengids.com/20190403-samuel-vriezen/

    Het is wel waar dat Badious eigen taal deze verbinding nauwelijks suggereert. Zijn denken is echter veel verder dan zijn vaak wat ouwelijke retoriek. We moeten daar voorzichtig mee omgaan, want het is zijn denken, en niet zijn toon, dat we moeten begrijpen. Een reductie van een Waarheid als het beginsel van gelijkheid (of gelijkwaardigheid) binnen Badious denken tot een categorie van Hetzelfde moeten we rigoureus afwijzen. Universaliteit bij Badiou is juist enkel en alleen de radicale uitzondering op Hetzelfde.

    Beantwoorden

  2. Piet Joostens

    In het kleine boek ‘Je vous sais si nombreux…’ (2017), verschenen kort na ‘La vraie vie’ (2016), en eveneens tot een publiek van jonge studenten gericht, gebruikt Badiou de term ‘Hetzelfde’ wel degelijk in de zin van het universele. ‘Hetzelfde’ (‘le Même’) verwijst in Badious woordenschat niet naar het particulier-identitaire, maar naar ‘de onwrikbare sokkel die de identiteit van de mensheid als zodanig uitmaakt’. Met die ‘identiteit van de mensheid’ bedoelt hij eenvoudigweg de eenheid van de menselijke soort die materieel kan worden aangetoond, een gegeven dat alle pogingen om de mensheid te verdelen (in klassen, geslachten, categorieën van huidskleuren, nationaliteiten…) uiteindelijk moet dwarsbomen en al gedwarsboomd heeft. De vraag die Badiou in het eerste deel van ‘Je vous sais si nombreux’ onderzoekt, is (ik citeer): ‘Hoe kunnen we het bestaan van het Andere affirmeren wanneer we het element van Hetzelfde willen vrijwaren, wanneer we met andere woorden de wet van de fundamentele eenheid van de mensheid willen aannemen?’

    Beantwoorden

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.