Proza, Recensies

Een vervlogen verleden, een eindeloos heden

De jaren

Annie Ernaux

Midden jaren tachtig verwondert de bejubelde Franse schrijver Annie Ernaux (1940) zich over het feit dat de huidige wereld waarin ze leeft niets meer gemeenschappelijk heeft met die van haar kindertijd, een moreel rigide maatschappij zonder huiselijk comfort, televisie of anticonceptie. Tegelijk wordt ze zich bewust van de snelheid waarmee de tijd verstrijkt wanneer ze haar twee zonen naar de universiteit ziet vertrekken: het leek nog maar gisteren toen ze voor de eerste keer door de schoolpoort van de basisschool liepen…. (zie Le vrai lieu, 2014).  Het is door die gewaarwording van de tijd dat Ernaux met de idee begint te spelen om Les années (2008) te schrijven, een boek dat uiteindelijk pas een dertigtal jaar later zal verschijnen. Ze vond niet de geschikte vorm om tegelijk ‘het verstrijken van de historische tijd, de veranderingen van dingen, ideeën en zeden, en het strikt persoonlijke van die vrouw’ te verbeelden. Ernaux’ opzet is inderdaad tweeledig: ze wil niet alleen het leven schetsen ‘van een vrouw’, meer bepaald dat ‘van haar leven, vanaf haar geboorte tijdens de Tweede Wereldoorlog tot aan de huidige dag’, maar tegelijk ook ‘het collectieve geheugen terugvinden in een individueel geheugen’. Une vie (1883) van Guy de Maupassant (1850-1893), een roman die Ernaux als kind in het geniep verslond, doet hierbij dienst als haar model: het levensverhaal van Jeanne is niet enkel het relaas van een individuele, vrouwelijke lotsbestemming, maar weerspiegelt ook een meer algemene ervaring waar een deel van de bevolking zich mee kan identificeren. Nieuw is dat bij Ernaux het romaneske karakter volledig verdwijnt. De jaren, dat vorig jaar in Nederlandse vertaling bij De Arbeiderspers verscheen, is geen fictie met personages, noch een ‘zelfgetuigenis’. Het is het verhaal van het leven van ‘één bijzonder iemand […] opgenomen […] in de beweging van een generatie’, een collectieve autobiografie die de periode 1941-2006 bestrijkt.

 

Totaalwerk

Die collectieve autobiografie kende sinds 2008 een groot succes: het boek werd in en buiten Frankrijk overladen met literaire prijzen en de Engelse vertaling The Years verscheen in 2019 op de shortlist van de Man Booker International Prize. De Jaren, waar Ernaux gedurende twintig jaar lang ‘duizenden aantekeningen’ voor verzamelde, wordt terecht haar magnum opus genoemd: het is een totaalwerk waarin de schrijver niet alleen ruim zes decennia aan geschiedenis samenbalt, maar ook alle thema’s en stijlen uit haar voorgaande werken bijeenbrengt en in een compleet nieuwe samenhangt plaatst.

Ernaux’ oeuvre, dat bijna volledig naar het Nederlands vertaald is, kan thematisch en stilistisch in grofweg drie delen opgedeeld worden. In haar eerste drie romans, Les armoires vides (1974), Ce qu’ils disent ou rien (1977) en Une femme gélee (1981), geeft de schrijver onder het mom van een fictieve ‘ik’ inkijk in haar kindertijd, jeugd en huwelijk. Ernaux groeide op in een kruidenierswinkel annex café in Yvetot, haar ouders zijn voormalige arbeiders die zich hebben opgewerkt tot kleine middenstanders. Ze krijgt van hen de vrijheid om van kleins af aan veel te lezen, les te volgen in een privéschool en romanistiek te studeren in Rouen. Zo vervreemdt Ernaux steeds meer van het milieu waarin ze opgroeide: ze schaamt zich voor het platte taalgebruik van haar ouders, hun gewoontes, hun levenswijze. Die kloof wordt nog groter wanneer ze huwt met een student die voortkomt uit een academisch gevormd burgermilieu. De spanningen tussen sociale klassen is een terugkerend thema in Ernaux’ werk: ze beschouwt zichzelf als een ‘transfuge de classe’, een ‘overloper’ die verraad tegenover haar klasse gepleegd heeft.

In haar werken La place (1983), Une femme (1987) en later La honte (1997) probeert Ernaux het milieu waarvan ze zich distantieerde beter te begrijpen door de elementen ervan op haast naturalistische wijze te beschrijven. La place, het boek waarmee ze doorbrak, vormt een duidelijke stijlbreuk met de innerlijke monoloog uit haar eerste drie romans. Ernaux neemt afstand van de romanvorm: ze wil zonder verfraaiingen het verslag uitbrengen van het leven van haar vader, een bestaan dat ook zij gedeeld heeft. Tegelijkertijd weigert ze de term autobiografie of autofictie, ze definieert haar werk als iets tussen ‘literatuur, sociologie en geschiedenis’. Haar autosociobiografieën kenmerken zich door een neutrale, banale schrijfstijl die zo dicht mogelijk aanleunt bij de taal van haar ouders; de keuze voor een onpersoonlijke ‘ik’ laat dan weer toe om het individuele, subjectieve verhaal te overstijgen en uitdrukking te geven aan een collectieve ervaring. Die sociologische insteek gaat vaak gepaard met feministische accenten en reflecties over sekseverhoudingen (zie bijvoorbeeld L’événement (2000) of Passion simple (1991)).

Ten slotte heeft Ernaux nog een aantal werken geschreven waarin ze de wereld om haar heen op een fotografische manier onder woorden brengt, een verzameling momentopnames van het dagelijkse leven tussen 1985 en 1999 (Journal du dehors (1993), La vie extérieure, (2000)). Haar observaties zijn divers, gaande van het neerschrijven van gesprekken in de metro tot het systematisch observeren van de supermarkt binnen het tijdsbestek van een jaar.

 

De blik naar binnen en buiten

In De jaren bundelt Ernaux de autosociobiografische thema’s uit haar voorgaande (en toekomstige) werken in één boek: ze verwijst bijvoorbeeld naar de dood van een zus die ze nooit gekend heeft (L’autre fille, 2011), de sociale vernederingen op school (Les armoires vides), de dag waarop haar vader haar moeder plots wilde vermoorden (La honte), de saaie zomervakanties en de groeiende taalbarrière tussen haar en haar ouders (Ce qu’ils disent ou rien), haar intense, verboden verlangen naar jongens (Ce qu’ils disent ou rien), haar ontmaagding en eetstoornis (Mémoire de fille, 2016), haar clandestiene abortus in Parijs (Les armoires vides en L’événement), de plotse dood van haar vader (La place), de ongelijke verdeling van huishoudelijke taken tussen haar en haar man (La femme gelée), haar erotische verlangen naar een Russische diplomaat (Passion simple, Se perdre, 2001), haar borstkanker (L’usage de la photo, 2005), enzovoorts. Terwijl deze thema’s voordien het voorwerp waren van een afzonderlijk werk, worden die nu chronologisch opeenvolgend aan elkaar geplakt in één lang werk. De autosociobiografische elementen geven lineariteit aan het geheel: in tegenstelling tot bijvoorbeeld Qui a tué mon père (2018) van Édouard Louis is De jaren geen geordend verhaal met tijdsindicaties, maar een aaneenschakeling van losse alinea’s zonder hoofdstukken. Meer bepaald vormen verschillende foto’s en video’s van Ernaux als baby, kind, tienermeisje, volwassene, gehuwde vrouw, moeder, leerkracht, gescheiden vrouw en grootmoeder de tijdlijn waaraan Ernaux haar verhaal ophangt. De foto’s of video’s worden afgewisseld met beschrijvingen van familie-etentjes of persoonlijke herinneringsbeelden ‘om te boekstaven wat de specifieke tekenen des tijds zijn’, zoals de gewoontes, de taal die mensen gebruikten, de commentaar die men gaf op gebeurtenissen en voorwerpen.

In De jaren vind je niet enkel de introspectie van een levenslang dagboek, maar ook de blik naar buiten, de beleving van plaatsen en objecten. Volgens Ernaux zit het besef van de tijd die verstrijkt niet in ons, het komt van buitenaf: een kind dat groot wordt, een bakker die plaatsmaakt voor een rijschool, een Franprix die overgenomen wordt door Leader Price. Net als in Journal du dehors en La vie extérieure registreert en becommentarieert Ernaux de wereld om haar heen via verschillende informatiebronnen waaraan de tijd afgemeten kan worden: liedjes, boeken, krantenkoppen, producten, nieuwsfeiten, reclame, opinies, het politiek beleid, het straatbeeld. Dat mondt voor de lezer uit in een constante stroom van informatie die vaak politiek of maatschappelijk geladen is: het op de markt komen van gedroogde soep uit een pakje, yoghurts met smaak, het plotse overlijden van president Pompidou, de kandidatuur van de komiek Coluche bij de presidentsverkiezingen, de strijd voor abortus, de septemberaanslagen van Rue de Rennes, de doodsstrijd van Johannes Paulus II, de geboorte van de eerste reageerbuisbaby…

Ernaux verenigt in De jaren dus het intieme met de blik op het externe, twee stijlen die ze tot nu toe grosso modo gescheiden hield. Tegelijk doorbreekt ze die continuïteit met haar vorige werken door nu iets compleet nieuws te doen. In De jaren schrijft Ernaux niet langer over zichzelf in de eerste persoon, maar in de derde, een keuze waarmee ze verder zal experimenteren in Mémoire de fille. Ze neemt hierdoor nog meer afstand van haar persoon dan in haar vorige werken: net zoals haar ouders vroeger aan de zondagse familietafel vertelden over de ‘de tijd van vroeger’, wordt Ernaux nu een externe verteller die op haar beurt zal ‘vertellen over de dagen van weleer’. Daarnaast generaliseert ze ervaringen via een veralgemenende on– (men, je of wij), of nous– (wij) vorm, een stem die toelaat om een ‘gemeenschappelijke achtergrond’ uit te drukken. Interessant is dat de Franse on (of sporadisch nous) mee evolueert met het opgroeien van de elle (zij). In het begin van De jaren geeft die veralgemeende vorm vooral uitdrukking aan ervaringen van een kind en een tiener, in wiens gedachten ‘niets aanwezig’ is ‘van de politieke gebeurtenissen en het gemengde nieuws’. De on reflecteert de collectieve beleving van kinderen en jongeren die opgroeien in een eenvoudig, naoorlogs milieu. Later, wanneer de elle zich openstelt voor indrukken van buitenaf, drukt de on een bredere dimensie uit: de beleving wordt nu in verband gebracht met wat er in de wereld gebeurt, de Geschiedenis. Rokus Hofstede, die een prachtige vertaling heeft gemaakt van een boek dat bol staat van tijdsgebonden uitdrukkingen, laat die verruiming van de leefwereld voelen door de on minder als ‘je’ te vertalen maar eerder ‘wij’ te gebruiken. Ernaux’ on is soms puur autobiografisch, soms de uitdrukking van een groter geheel (het gezin, de vrouwen, de hele generatie), maar verschijnt in de tekst vaak als een politiek gekleurd collectief, dat de gemeenschappelijke beleving van een groep met een gedeeld progressief gedachtegoed uitdrukt, Ernaux’ gedachtegoed. Hoewel Ernaux de polyfonie vergroot via verschillende invalshoeken en perspectieven (‘de mensen’, ‘de jongens’, ‘de jongeren’, etc.), blijft De jaren het collectief verhaal van een welbepaald collectief.

Dat collectief enthousiasme laat zich ook voelen in de tekst. De jaren is lyrischer dan Ernaux’ vorige werken, er weerklinkt nu een zwierige of melancholische ondertoon die vooral in de passages over mei ‘68 voelbaar wordt. Het gebruik van de imparfait-tijd geeft de tekst wat schwung, het elan van de vrouwelijke emancipatie, maar tegelijk wordt zo ook het verloop van de tijd voelbaar.

 

Stroomversnelling

Via de vele herinneringsbeelden, culturele gewoontes en materiële objecten laat Ernaux zien hoe de mentaliteiten, zeden en ideeën in sneltempo veranderen tussen 1941 en 2006.  Tafelgenoten hebben het steeds minder over de collectieve gebeurtenissen uit het verleden, maar praten nu over een banaal heden, waarbij een ’koortsachti[g] over-en-weergepraat’ het luisteren naar andermans verhalen verdringt. Vrouwen hoeven na mei ‘68 niet langer een clandestien seksleven te beleven, lange rokken te dragen of illegaal te aborteren om aan de veroordelende blik van maatschappij en kerk te ontsnappen, maar kunnen zonder schroom ‘Ik heb zin om te neuken’ denken, pornofilms kijken en relatief probleemloos scheiden. En sinds de opkomst van het consumptiekapitalisme hoeft niet alles meer bewaard of hersteld te worden: de schaarsheid wijkt voor ‘almaar groter, mooier en kleurrijker’ goederen die niet lang genoeg meegaan ‘om te verouderen, ze werden binnen de kortste keren vervangen of aangepast’. Ernaux beschrijft die veranderingen zonder normatieve inslag, haar bedoeling is niet om verleden en heden met elkaar te laten contrasteren. Ze doet wel aan maatschappijkritiek, haar tekst is ook nu opnieuw zeer sociaal en politiek geladen. Zo wijst Ernaux bijvoorbeeld op de menselijke tendens om misdaden of ziektes te verzwijgen, op de blijvende genderongelijkheid na de seksuele bevrijding, op de huidige dictatuur van commercie, op een steeds grotere politieke en sociale onverschilligheid. Ze voert in het bijzonder strijd tegen racisme, tegen een taal die ‘niet-aflatend de tweedeling tussen wij en zij’ construeert. Kortom, De jaren is niet enkel het verslag van een wereld in verandering, maar wil ook zelf de wereld veranderen.

Ernaux toont daarnaast ook hoe een maatschappij die voortdurend in beweging is de perceptie van tijd zelf verandert. De wereld waarin ze als kind opgroeide was een trage, stille omgeving ‘met louter statische shots’. Religie gaf structuur aan de tijd en de fiets was ‘de maat voor de snelheid van het leven’. De moderne wereld, daarentegen, wordt gereguleerd door de ‘springerige, vlugge muisklik op het scherm’. Het ‘onafgebroken registreren van de wereld’ op televisie of het internet zorgt ervoor dat het verleden aan terrein verliest. De mens leeft in een eindeloos heden:

Er waren te veel beelden om bij elk beeld stil te staan en de omstandigheden waarin het was gemaakt te doen herleven. In die beelden leefden we een haast gewichtloos, gemetamorfoseerd bestaan. De vermenigvuldiging van onze sporen maakte een einde aan de gewaarwording van de tijd die voorbijgaat.

De reflecties over tijd zijn nauw verbonden met de notie van het geheugen. In Het voorval schrijft Ernaux dat ze afgezien van de notities in haar dagboek en agenda over geen enkele zekerheid beschikt met betrekking tot haar vroegere gevoelens en gedachten, ‘gezien het onstoffelijke en weinig beklijvende karakter van wat er zoal in je hoofd omgaat’ (vertaald door Irene Beckers). Ze kan tijdens het schrijfproces niet louter rekenen op Proustiaanse reminiscenties, enkel het stoffelijke geheugen biedt standvastigheid: materiële zaken als liedjes, kleren en reclame zijn bewijzen voor de werkelijkheid. Ernaux wijst in De jaren ook op de tekortkomingen van haar eigen geheugen; zo lezen we dat ze zich af en toe durft te vergissen: ‘een winter die ze associeert met de afgebrande discotheek in Saint-Laurent-du-Pont in het departement Isère, hoewel die brand pas een winter later plaatsvond’. Ze probeert haar persoonlijke herinneringen daarom in de mate van het mogelijke objectief te staven met tastbare bewijzen: foto’s met bijschriften, videotapes, verwijzingen naar haar dagboek of agenda, de duizenden genomen aantekeningen. Aan het einde van De jaren legt Ernaux de nadruk op een interessante paradox. Waar zij slechts over een handvol documenten beschikt om een verloren tijd te reconstrueren, stapelen de materiële archiefdocumenten zich vandaag, dankzij de digitalisering, op. Maar door het onophoudelijk bewaren en archiveren van het heden in ‘direct zichtbare foto’s en films’ is het verleden nu een vloeibaar gegeven geworden met ‘een laag gehalte aan werkelijke herinneringen’. De ‘totale conservering van het leven’ put de werkelijkheid uit: ‘Het geheugen was onuitputtelijk geworden, maar de diepte van de tijd was weg.’ Die verschuiving laat zich ook voelen in de tekst zelf. Ernaux’ fragiele, maar authentieke herinneringsbeelden hebben op het einde van het boek plaatsgemaakt voor vluchtige indrukken zonder narratief: ‘En in onszelf vormde de wereld een onmetelijk reservoir aan vage herinneringen.’

 

‘Redden wil ze’

Wanneer bij Ernaux in 2002 borstkanker vastgesteld wordt, groeit het besef dat de dood steeds dichterbij komt. De inmiddels 80-jarige schrijver wordt ook steeds banger voor amnesie, een gevoel dat alleen maar versterkt wordt door het feit dat haar moeder aan Alzheimer overleed: ‘Ze is bang dat haar geheugen naarmate de ouderdomszwakte toeneemt, weleens wolkig en stom zou kunnen worden als het was in haar vroegste kinderjaren – waarvan ze zich niets meer herinnert.’ De jaren is geschreven vanuit dat ‘kwellend gevoel van urgentie’: de urgentie om ‘haar toekomstige afwezigheid’ vast te leggen, om het vergankelijke onvergankelijk te maken. Het boek is daarmee meer dan een collectieve autobiografie van onze tijd, het is een herdenkingsplaats van een tijd, van onze tijd: ‘Redden wil ze […] Iets redden van de tijd waar we nooit meer zullen zijn.’

Onlangs sprak ik met een vijftienjarige die nog nooit van 11 september had gehoord. Ik kon toen vaststellen dat de openingswoorden van De jaren een fundamentele vorm van waarheid bevatten: ‘Alle beelden zullen verdwijnen’. Wie De jaren leest, ervaart niet alleen de snelheid waarmee de tijd voortdendert (toen Ernaux jong was leefden Stalin, Colette en Churchill nog), maar ook de verwoestende kracht waarmee alles genadeloos uitgewist wordt: ‘zijn verdwenen de miljoenen beelden achter de voorhoofden van grootouders die een halve eeuw zijn overleden, van ouders die intussen ook dood zijn’. De losstaande, van context ontdane beelden aan het begin en einde van De jaren vatten op een fotografische manier de realiteit: ze roepen het beeld op van de laatste filmrol van een stervende, die heel zijn leven in flitsen ziet voorbijrazen wanneer het licht uitgaat. Dat maakt de lectuur van De jaren zo pijnlijk. De lezer leest dit boek als een voorafschaduwing van zijn eigen dood: ‘In de gesprekken rond een feesttafel zul je alleen nog een voornaam zijn, een steeds gezichtlozer voornaam, totdat je verdwijnt in de anonieme massa van een verre generatie.’

En tegelijk maakt dat vluchtige en vergankelijke De jaren ook zo mooi. Een van Ernaux’ lievelingsauteurs is Simone de Beauvoir. Hoewel Ernaux, voor zover ik weet, nergens expliciet in haar oeuvre verwijst naar Beauvoirs werk Tous les hommes sont mortels, kunnen we ons samen met de onsterfelijke Fosca, een Italiaanse graaf die beseft dat het een vloek is om eeuwig te leven, afvragen wat een mensenleven nog waard is indien we niet langer sterfelijk zouden zijn: ‘Ik ben niemand. Ik heb geen historie en geen gezicht. […] Red me van de duisternis en de onverschilligheid’, aldus Fosca. Ernaux’ slotzin ‘Iets redden van de tijd waar we nooit meer zullen zijn’ geeft de lezer het gevoel dat er wél iets op het spel staat: elke letter, elk woord, elke zin uit het boek is van belang omdat deze ook abrupt zullen tenietgaan. De jaren is daarmee een meesterwerk dat niet alleen een oudere generatie aanspreekt: Annie Ernaux raakt ons in onze essentie.

 

Recensie: De jaren van Annie Ernaux door Steffie Van Neste

De Arbeiderspers, Amsterdam, 2020
Vertaald door: Rokus Hofstede
ISBN 9789029540650
229p.

Geplaatst op 24/03/2021

Tags: Annie Ernaux, Autobiografie, De jaren, Geheugen, Rokus Hofstede

Categorie: Proza, Recensies

Reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.