Proza, Recensies

Graag tot ziens!

De lange adem

Martijn Knol

Een hypothese: de economische conjunctuur is af te lezen aan de staat van warenhuizen. In de nasleep van de kredietcrisis van 2008 viel het chique Maison de Bonneterie, waarna het filiaal in Den Haag terstond werd omgetoverd tot een minder prijzige H&M. Ook de V&D, jarenlang een tweede thuis voor de Nederlandse middenklasse, sneuvelde in 2015. Veel van hun locaties werden overgenomen door het optimistische Canadese Hudson’s Bay, dat juist weer inzette op een wat kapitaalkrachtigere koper. Het bleek een slecht idee: op 31 december 2019 ging ook dit bedrijf failliet. Mijn jaar begon met het tamelijk apocalyptische beeld van onruststokers en jutters die het bijna lege warenhuis aan het Rokin vrolijk molesteerden onder spookachtig tl-licht – bij nader inzien een gepast startschot voor een bevreemdend 2020. De volgende incarnatie lijkt al in te spelen op de economische gevolgen van de coronacrisis: in het almaar omwentelende warenhuis in mijn thuisstad zit nu een Action.

Dat Martijn Knol (1973) in De lange adem (2020), zijn uitgesproken maatschappijkritische vijfde roman, specifiek een warenhuis als epicentrum heeft genomen, is dan ook begrijpelijk. Het gaat hier om het noodlijdende luxe-imperium (denk wat het assortiment betreft aan de Bijenkorf) Leibniz & Wittgenstein – de naam lijkt me een geestige variant op die van een andere firma die een air van culturele grandeur probeert om te zetten in kapitaal. Dit bedrijf is het knooppunt waar de levens van de twee centrale personages uit deze roman samenkomen. Roman, reclamemaker, is onder meer verantwoordelijk voor de slogan van de interieur- en meubelafdeling (‘Leibniz & Wittgenstein – hier begint thuis.’), Robbert werkt er in de ‘security’.

Een beveiliger, dus, wiens dagen worden gevuld met het in de kraag vatten van kleptomanen en het weren van destructieve hangjongeren, maar daar lijkt hij alleszins tevreden mee te zijn. Verder zwemt hij regelmatig in de openlucht, spendeert hij tijd met vriendin Annabel en zorgt hij voor zijn stiefdochter Abra. Onder dat pantser van kalmte borrelt echter agressie: hij ‘heeft iets onverdeeld onaangenaams ongrijpbaars. Zijn lijf lijkt een pakhuis van dreiging en frustratie.’ Robbert was vroeger marinier, en al in het eerste hoofdstuk van het boek valt hij het huis van Annabels ex-vriend binnen om hem op professionele wijze in elkaar te slaan en te intimideren – hij wil de man straffen voor het mishandelen van zijn huidige geliefde. Kort daarop koopt hij een pistool waarmee Annabel zich in het vervolg moet gaan verdedigen. Het tot cliché platgetreden maxime van Anton Tsjechov (1860-1904) indachtig laat Knol dit vuurwapen steeds weer terugkomen, om het ook in het slot nog een belangrijke rol te geven.

Roman is bijna zestig, reclamemaker en failliet. Daar lijkt hij verder niet bepaald zwaar aan te tillen: ‘Failleren was doodeenvoudig. Zware verplichtingen plus een paar momenten van onvoorzichtigheid, meer vroeg ’t niet. Was het vrolijke geruis van juridische en fiscale documenten eenmaal in gang gezet, dan kon je je jasje losknopen en de voorstelling rustig uitzitten.’ Nadat zijn Bureau Branie ter ziele is gegaan, beschikt Roman voor het eerst in decennia over zeeën van tijd. Maar na enkele plezierreizen en wat gelummel wil hij toch weer terug de maatschappij in: hij kan niet accepteren dat zijn ‘grootste gevechten en triomfen’ achter hem liggen. Roman begint daarom maar een nieuw reclamekantoor, Les Giraffes, en zoekt onderwijl naar nieuwe manieren om zijn ambities te kanaliseren – boven alles lonkt de politiek.

 

Slingerbewegingen

Pas op pagina 204 van De lange adem ontmoeten de figuren elkaar. Voor die tijd krijg je als lezer van alles mee over hun achtergrond, (vroegere) werkzaamheden, respectievelijke liefdeslevens en hun dagelijks bestaan. Knol werkt steeds met korte fragmenten die hij monter op elkaar stapelt. Tijd en perspectief verspringen daarbij continu – wat de vorm betreft doet de roman enigszins denken aan Ada (1969) van Vladimir Nabokov (1899-1977). Net als bij dat boek is het vooral aan de lezer om de kluwen van verhalen en geschiedenissen te ontwarren en er een logisch geheel van te maken.

De vertelling wordt periodiek onderbroken door hoofdstukken waarin het boek zichzelf onder de loep neemt. Soms in de vorm van twee kibbelende lezers die commentaar leveren op de verwikkelingen, andere keren zijn het meer klassieke metafictionele uitspraken die lezers uit de verhaalwereld slingeren en bewust moeten maken van de kunstmatigheid van wat zij in handen hebben: ‘Lees je dit boek langzamer dan andere teksten?’ Op andere punten lijkt de schrijver (of verteller) zelf het woord te nemen, maar niet om als gids op te treden. In plaats daarvan deelt hij notities over het schrijfproces, die af en toe direct poëticaal zijn (‘Alleen hoofdzaken zijn bijzaken.’), maar vaker inzicht bieden in de totstandkoming en opbouw van het boek. Neem bijvoorbeeld deze kleurrijke passage:

Sommige schrijvers maken een vliegende start. Andere, zoals ik, hebben als ze bij het circuit aankomen nog niet eens geleerd hoe de koppeling werkt; doordat ze gas geven en remmen tegelijk, zeilen ze spinnend de baan op. Hun wagen stabiliseert, ze winnen aan snelheid en beginnen – terwijl andere coureurs in de grindbak belanden, crashen of achter het stuur worden getroffen door een hartinfarct of beroerte – aan een reeks spectaculaire inhaalmanoeuvres. Wat doet ’t ertoe? Er is geen finish, de wedstrijd blijkt een estafette. Iedere racer die op rechte stukken een blik op het publiek werpt, constateert dat alle toeschouwers zijn of haar gezicht hebben.

Dit staat op bladzijde 348. Voor die tijd is Knol inderdaad voornamelijk nog slingerbewegingen aan het maken. De plot, die er wel degelijk is, komt zeer traag op gang, mede door de vele zijsporen, terzijdes en willekeurige scènes. Dit past natuurlijk volkomen bij het type postmoderne roman dat Knol met De lange adem heeft willen schrijven; met Alles kan kapot (2011) leverde hij eerder al een vergelijkbaar wervelend en omvangrijk boek af. Dat het een bewuste keuze is, blijkt ook uit Knols vorige boek, de prachtige novelle Elders (2014), waarin met weinig bombarie succesvol een nostalgische, serene sfeer wordt opgewekt. Met De lange adem, dat ruim zes keer langer is dan Elders en dus recht doet aan de titel, heeft de schrijver duidelijk iets anders willen bewerkstelligen; hij zoekt nu bewust de breedte, de chaos en de meerstemmigheid op. Toch worden beide boeken grotendeels gedragen door Knols bijzondere taalgevoel. Terwijl de plotlijnen zich uiterst rustig ontspinnen, wordt de aandacht van de lezer namelijk vooral getrokken door de schrijfstijl. Je stuit dan bijvoorbeeld op een opvallend ritmische zin (‘Voor ze de deur uit gaat, boent ze met ’n flard keukenpapier verse modderspatjes van haar schoenneuzen en slokt met de stofzuiger vlug wat vlokjes hoofdroos van haar schouders en uit haar haarlokken.’), of zelfs op een secure natuurbeschrijving die zo in Elders had kunnen staan: ‘Vanuit drie hoge populieren in de bocht van de gracht werd wollig vruchtpluis de wereld in geblazen. De witte vlokken maakten zich los van de takken, zweefden over weilanden, staken de fortgracht over, haakten aan bladeren van struiken of daalden neer op het zwemwater.’ Ondanks de grote gebaren, vormen de details vaak de hoogtepunten.

 

Politieke satire

Op de achterflap van De lange adem staat de kwalificatie ‘Grote Nederlandse Roman’, wat een fraai essay van Daniël Rovers (1975) uit Bunzing (2005) in herinnering brengt. Daarin doet Rovers een poging om het Nederlandse equivalent van de Great American Novel te definiëren: ‘Zo’n definitie zou ten minste een boek vergen. Een boek dat ik graag eens zou lezen, een boek waarin een poging gewaagd zou worden om een beeld te schetsen van de Nederlandse of Nederlandstalige gemeenschap aan het begin van het derde millennium.’ Ten slotte stelt hij met Walter Benjamin (1892-1940) dat een dergelijk werk moet voortkomen uit de ondermijning van ‘hardgebakken taal’, clichés en (politieke) stoplappen. Het is mogelijk dat Martijn Knol dit als een uitdaging heeft beschouwd. In De lange adem wordt de taal uit het bedrijfsleven, de reclamewereld, popcultuur, de politiek en andere literatuur naar hartenlust gemanipuleerd, geïroniseerd en geridiculiseerd.

Wanneer Robbert en Roman elkaar uiteindelijk ontmoeten, is dat vanwege de liefde: Robbert krijgt een relatie met Laura, de advocaat van Roman. Op dat moment is die laatste bezig zijn gereanimeerde carrière naar een hoger plan te tillen. Na jarenlang producten aan consumenten te hebben gesleten met zijn reclames, wil hij de politiek in gaan om nog meer mensen te doordringen van zijn kapitalistische optimisme: ‘Saai werk, een lek dak, darmkanker: Nederlanders kunnen ’t allemaal verdragen, zolang iemand hen er maar van weerhoudt dwaalwegen in te slaan, zodat ze oog houden voor de materiële geneugten en commerciële zegeningen van de geluksmachine die onze moderne beschaving is… Nederlanders willen begrepen worden.’ Zo wordt de ‘Partij voor de Toekomst’ geboren. Robbert gaat daar ook een rol in spelen, al is zijn entree minder opzienbarend dan je misschien zou verwachten: op een dag wordt hij door Laura gebeld, die hem zegt dat Roman op zoek is naar een bodyguard, waarop hij het nieuwe baantje maar aanneemt.

Het is duidelijk welke fenomenen Knol hier persifleert: doorslaand neoliberalisme en marktdenken, economisering van de politiek en de opkomst van een nieuw quasi-salonfähig populisme. Dat Utrecht hier de gefictionaliseerde speaking name ‘Domrecht’ krijgt, die bij vervoegingen het Twitterpejoratief ‘domrechts’ prijsgeeft, is slechts  een van zijn vele opzichtige kwinkslagen. Deze politieke satire is zo koddig dat de kritiek op al de bovengenoemde zaken je niet kan ontgaan: ondanks Romans brutale mediaoptredens, gekke pakjes en flitsende slogans, komt zijn partij in de praktijk niet verder dan één zetel, waarna het hele bouwwerk meteen weer instort – een patroon dat ook bij echte reactionaire partijen regelmatig voorkomt en daarom waarheidsgetrouw mag heten. Knol laat het politieke theater van zijn personages simpelweg absurd worden, waarna hun publiek zich onverschillig afwendt – hij heeft geen dramatische ingrepen, moralistische speeches of epifanieën nodig om Roman te doen vallen en zijn eigen punt te maken.

Dan gaat er nog een brandbom af bij Leibniz & Wittgenstein, onder meer nadat er door enkele personages hevig gediscussieerd is over de vraag of je wel voor het onverschillige grootkapitaal zou moeten werken, en krijgt de lezer af en toe contextloze fragmenten voorgeschoteld waarin willekeurige gewelddaden en ongelukken worden beschreven. Dat laatste doet denken aan Op de rok van het universum (2015), de fenomenale experimentele roman van Tonnus Oosterhoff (1953) waarin wreedheid en willekeur hoofdthema’s zijn. Hier lijkt het vooral te wijzen op de alomtegenwoordigheid (of: democratisering) van leed en geweld, en buiten een afrekening met L&W als het symbool voor het decadente kapitalisme, is niet meteen duidelijk hoe dit alles precies verband houdt met een groter perspectief.

 

Visie

Dat is dan ook precies waar het in De lange adem aan schort. Knol lijkt weerstand te willen bieden aan het verlangen naar sensatie in literatuur, wat op zich best een bewonderenswaardig initiatief mag heten: ingrijpende gebeurtenissen als de val van een partij of een aanslag op een warenhuis worden slechts kort toegelicht, maar vaker alleen maar genoemd – echt beschreven worden ze niet. Dit levert een merkwaardig contrast op, aangezien de rest van het boek bol staat van uitgebreide beschrijvingen, maar het zorgt er ook voor dat mogelijk betekenisvolle momenten in mijn ogen soms te onnadrukkelijk passeren. Aan het einde van De lange adem heb je vooral een hoop losstaande fragmenten tot je genomen, waarin je op genoeg sublieme of komische vondsten stuit, maar in tegenstelling tot het werk van andere postmoderne grootmeesters als David Foster Wallace (1962-2008) en William Gaddis (1922-1998) komt er geen heldere overkoepelende visie uit naar voren. Om die reden ben ik eerder geneigd om dit boek te beschouwen als een extreem onderhoudend taalkunstwerk dan als een geslaagde filosofische totaalroman.

In de afdeling ‘schrijversvakschool (I)’ is het volgende te lezen: ‘O, een roman tekst te schrijven zo wild en waanzinnig als ’t leven zelf!’ Als dit daadwerkelijk het verlangen van Martijn Knol was, dan is dat hem tot op zekere hoogte gelukt. De lange adem bevat stukjes uit iedere fase van het menselijk leven, is een komedie, tragedie en groteske tegelijkertijd. Net als een uitgelaten klant in een kooppaleis mag de lezer in alle vrijheid de fantastische overvloed aan scènes en zinnen bewonderen. Maar te veel vrijheid kan ook verlammend zijn, merkte ik zelf maar weer. Als lezer kwam ik vermaakt en voldaan weer naar buiten, maar ook met het gevoel dat het boek me eigenlijk meer had willen zeggen.

 

Recensie: De lange adem van Martijn Knol door Lodewijk Verduin

Wereldbibliotheek, Amsterdam, 2020
ISBN 978 90 284 2742 6
477p.

Geplaatst op 02/02/2021

Tags: De lange adem, Martijn Knol, Neoliberalisme, Politiek, Reclamewereld

Categorie: Proza, Recensies

Reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.