De profeet van Frankfurt

Negatieve dialectiek

Theodor W. Adorno (vert. Michel van Nieuwstadt)

Negatieve dialectiek is een zeer moeilijk boek. Dat heeft niet alleen met de erin ontwikkelde ideeën te maken, maar ook en vooral met de schrijfstijl. Alsof Theodor W. Adorno (1903-1969) daadwerkelijk wilde bewijzen wat hij uiteenzet: dat een totaal begrip onmogelijk is. Dat laatste maakt één van de centrale stellingen van het boek uit. Al in de eerste bladzijden distantieert Adorno zich van de eeuwenoude opvatting die denken en identificeren gelijkschakelt. Over iets, een ding in de werkelijkheid, nadenken houdt in dat men het wezen (of de essentie) van dat ding wil begrijpen, dat men de eenheid van begrip en ding wil bewerkstelligen en zich op die manier dat ding begrippelijk of conceptueel wil toe-eigenen. Het grijpen dat in ‘begrijpen’ schuilt, moet dus letterlijk worden genomen: iets willen begrijpen is iets in de greep willen krijgen en overmeesteren. Dat is van in het begin de droom en het programma geweest van de filosofie, sinds Parmenides van Elea in de vijfde eeuw voor Christus de identiteit van denken en zijn proclameerde. Die droom is uitgekomen: het programma is volledig uitgevoerd in het encyclopedisch systeem van Georg Wilhelm Friedrich Hegel, dat de eenheid van het werkelijke en het rationele poneert. Adorno trekt van leer tegen dat filosofische programma en ontmaskert het als gevaarlijk: het identificerende denken legt een totalitaire claim op de werkelijkheid. Het verwondert hem dan ook nauwelijks dat de westerse cultuur, die volledig door het conceptuele denken in beslag genomen is, in de barbarij van het totalitarisme uitgemond is. De dodelijke waarheid van het denken dat identiteiten instelt en geen alteriteit toestaat of erkent, is in de vernietigingskampen van nazi-Duitsland aan het licht gekomen.

Adorno staat met deze bedenkingen niet alleen. Die kritiek werd in de loop van de twintigste eeuw door meerdere filosofen verwoord: misschien voor het eerst door Martin Heidegger, later ook door Emmanuel Levinas, Hannah Arendt en Jacques Derrida. In hun spoor is een filosofie ontstaan die de bestaande metafysica (van Parmenides tot Hegel) wil deconstrueren of ontmantelen. Maar Adorno lijkt nauwelijks of geen weet te hebben van deze geestesgenoten. Sterker nog, hij richt zijn pijlen niet alleen op de westerse filosofie in haar geheel en op de laatste machtige representant ervan, met name het Duitse Idealisme van Johann Gottlieb Fichte en Hegel, maar ook op Heidegger. Hij verwijt ook Heidegger dat die een filosofie van de identiteit heeft uitgewerkt. Voor wie in overweging neemt dat Heidegger het onophoudelijk gehad heeft over de ontologische differentie en over de verborgenheid van het zijn en zo wellicht als eerste het zogenaamde differentie-denken heeft in gang gezet, is dit ronduit choquerend. De vijandige houding van Adorno heeft uiteraard te maken met Heideggers betrokkenheid bij het nationaalsocialisme: Adorno presenteert Heidegger als een (of de) nazifilosoof, en beroept zich voor deze categorisering meer op Heideggers verleden dan op zijn geschriften. Anders gezegd, hij leest Heideggers geschriften alsof die niets meer bevatten dan de officiële nazi-ideologie en alsof die haarfijn Heideggers politieke vergissing uitleggen. Hij ligt op die manier mede aan de basis van een al decennia aanslepende reductionistische lectuur van Heideggers werk, die er niet voor terugschrikt de analyses uit Sein und Zeit (1927) in het verlengde te plaatsen van het gebral uit Mein Kampf (1925). Hoe onverteerbaar het geval Heidegger ook blijft, we hadden hier toch op meer onderscheidingsvermogen gehoopt. Nogmaals: in zijn verblinding legt Adorno aan Heidegger opvattingen ten laste die Heidegger zelf bestrijdt. Niet alleen de hoger genoemde gelijkschakeling van denken en identificeren is hiervan een voorbeeld, maar ook Heideggers door Adorno gelaakte filosofie van de eigenlijkheid of authenticiteit. Adorno ziet daarin een cultus van het zelf die een ongebroken identiteit voorstaat, terwijl bij Heidegger de klemtoon precies ligt op openheid en onbevangenheid: wie een authentiek bestaan leidt, klampt zich volgens Heidegger helemaal niet vast aan zichzelf; het is net andersom: wie in inauthenticiteit leeft, is op zichzelf gefixeerd en streeft ernaar met zichzelf samen te vallen.

Zoals het woord zelf suggereert, is de negatieve dialectiek die Adorno voor ogen staat, bovenal gericht tegen de systematische dialectiek van Hegel. Binnen die systematische dialectiek leidt elke negatie tot een nieuwe synthese en identiteit. Adorno wil die dialectiek ontregelen en is op zoek naar een negativiteit die geen synthesen voortbrengt en niet werkt, of een negativiteit die niet in positiviteit omslaat. Hij gaat voorbij aan de mogelijkheid dat die niet-systematisch werkende negativiteit woekert en zich uitzaait, dat ze niet in een positieve identiteit uitmondt, maar een onberekenbare veelheid van sporen trekt. In de jaren zeventig zal Derrida het woord disseminatie gebruiken om deze beweging te beschrijven.

Het laatste deel van Negatieve dialectiek is een lange meditatie over de Shoah. (Moet hier nog eens herhaald worden dat Adorno na de oorlog de naam van zijn moeder aannam en ter nagedachtenis aan de miljoenen vermoorde Joden een monument oprichtte door de naam van zijn vader, ‘Wiesengrund’, tot ‘W.’ te herleiden?) Deze meditatie behoort nog altijd tot het indrukwekkendste van wat over de catastrofe in de uitroeiingskampen gezegd is. Adorno komt er terug op zijn uitspraak van kort na de oorlog dat na Auschwitz geen gedicht meer kan worden geschreven. Hij erkent dat het fout geweest is om dat te beweren, omdat ‘het eeuwig geworden lijden evenveel recht heeft op uitdrukking als de gemartelde om te brullen’. Hoe men ook over deze uitspraak oordeelt, niemand kan ontkennen dat ze in de naoorlogse periode een zeer invloedrijke discussie heeft op gang gebracht: over beeldspraak en metaforiek, over de grenzen van de uitbeelding en het inlevingsvermogen. Niet alleen de poëzie van Paul Celan, maar ook de film Shoah (1985) van Claude Lanzmann is aan die discussie schatplichtig. Nog een andere uitspraak heeft op veel belangstelling kunnen rekenen: ‘sinds Auschwitz heet bang zijn voor de dood voor ergere dingen bang zijn dan de dood’. Met deze uitspraak wordt opnieuw Heidegger geviseerd, met name diens analyse van het Sein zum Tode: volgens Adorno gaat Heidegger voorbij aan de concrete omstandigheden en de fysieke gesteldheid waarin mensen sterven. ‘De stelling dat de dood altijd hetzelfde is, is even abstract als onwaar.’(Of dit een terechte kritiek is, laat ik in het midden; volgens mij zou Heidegger dit volmondig beamen.) Adorno voegt eraan toe: ‘Nieuwe gruwelijkheid heeft de dood in de kampen.’ Wat hier ook van zij, deze uitspraak heeft Maurice Blanchot geïnspireerd in zijn uitwerking van l’écriture du désastre.

Adorno vervoegt de schare van filosofen, schrijvers en kunstenaars die de geschiedenis van het Westen niet aanzien als een verhaal van triomfen, maar het rampzalige van die cultuur in de ogen gekeken hebben. In de honderd jaar na de Grote Oorlog, die we deze maand zo ijverig gedenken, is een ontnuchterend aantal meesterwerken gepubliceerd dat naar het duistere hart van de westerse cultuur wijst. Ik zou het kunnen hebben over The Waste Land (1922) van T.S. Eliot, of Voyage au bout de la nuit (1932) van Louis-Ferdinand Céline, of Modern Times (1936) van Charlie Chaplin, maar laat ik het houden bij Sein und Zeit, The Human Condition (1958), Totalité et Infini (1961), One-Dimensional Man (1964), Histoire de la folie (1972), Spectres de Marx (1993), Negative Dialektik (1966). Heidegger, Arendt, Levinas, Herbert Marcuse, Michel Foucault, Derrida, Adorno en anderen hebben gewezen op de verwoestende gevaren van het technisch bestel, van het consumentisme, van de nuttigheidsmanie, van de kapitalistische cultuurindustrie, van de oorlogseconomie, van het identiteitsdenken, en op de nood aan een politiek van vrijheid en vriendschap en een denken van de differentie. Maar altijd opnieuw heeft de westerse cultuur zich afgewend van die zieners en profeten die in haar midden opstonden.

Klement/Pelckmans, Zoetermeer, 2014
ISBN 9789028977679
499p.

Geplaatst op 30/08/2014

Naar boven

Reacties

  1. RHCdG

    De laatste zin levert een vraag op die niet wordt gesteld: waarom heeft het Westen zich van hen afgewend?

    Beantwoorden

  2. dirk de schutter

    Misschien wenden we ons af omdat we niet met onszelf willen geconfronteerd worden, en zeker niet met de duisternis in onszelf. Of omdat in de spiegel die ons voorgehouden wordt, de afgrond van onze cultuur oplicht. Een andere vraag is of dit een algemeen menselijk fenomeen is dan wel een typisch westers.

    Beantwoorden

  3. nico van der sijde

    Het antwoord van Dirk de Schutter lijkt mij helemaal juist. Maar wat daarnaast ook nog een belangrijke rol zou kunnen spelen is dat de gedachten van dit soort denkers simpelweg hondsmoeilijk te bevatten zijn. Ten eerste omdat deze gedachten tegen onze intuïtie ingaan, en tegen onze natuurlijke neiging om dingen te willen begrijpen of verklaren. Ten tweede omdat ze met opzet erg ingewikkeld zijn geformuleerd, daardoor veel geduld en aandacht vragen, veel vermogen ook om het oordeel op te schorten de de twijfel uit te houden, en daardoor zullen die gedachten minder snel ‘scoren’ in het publieke debat.

    Beantwoorden

  4. dirk de schutter

    Ten eerste, de filosofen waarover sprake in mijn stuk, zouden de neiging om te begrijpen en te overmeesteren geen “natuurlijke” neiging noemen, maar een neiging die in de westerse cultuur tot ontwikkeling gekomen is. Ten tweede, hun opvattingen zijn vaak contra-intuïtief en tegendraads en dus moeilijk, maar dat wil niet zeggen dat ze “met opzet” ingewikkeld geformuleerd zijn.

    Beantwoorden

  5. nico van der sijde

    Beste Dirk de Schutter: inderdaad zouden deze filosofen de term “natuurlijk” niet hebben gebruikt, maar ik doe dat voor de snelheid even wel. Niet dat ik zeker weet dat die neiging tot de menselijke natuur behoort, maar ik heb ook geen idee over de mate waarin dit een typisch Westers cultuurfenomeen is. Doch ik begrijp uw punt! Dat doe ik bij uw “ten tweede” minder: iemand als Derrida bijvoorbeeld kiest toch niet bij toeval voor een complexe stijl, en ook niet voor de leut, maar met het bewuste doel om de complexiteit van de zaken die hij bespreekt ook ten volle te bewaren in zijn stijl. En in die zin is het “opzet”. Niet om de dingen moeilijker voor te stellen dan ze zijn, uiteraard, maar wel om ze net zo moeilijk voor te stellen als ze zijn. Dit soort filosofen spreekt over moeilijke zaken in een moeilijke taal, wat ik zelf heel zinvol en waardevol vind, maar dat is m.i. wel – naast het door u genoemde punt dat deze filosofen ook zeer onaangename fenomenen aansnijden- een reden waarom ze in het publieke debat niet heel goed worden gehoord. Jammer genoeg.

    Beantwoorden

  6. RHCdG

    De vraag is dan in hoeverre dat een strategie is: zoals Mulisch zich in de opening van ‘De procedure’ bewust van een deel van zijn lezers afkeert om met een ander deel ‘onder ons’ te komen, een hermetische strategie om zo te zeggen – terwijl hij met het boek tóch een bestseller aflevert en in de prijzen valt. Ook Derrida’s stijl, hoe ingewikkeld ook is strategie en geen poging om de werkelijkheid adequaat weer te geven. Zijn stijl stemt alleen maar met de werkelijkheid overeen in zoverre beide ingewikkeld zijn, maar de complexiteit is van een heel andere orde en intensiteit. Zijn teksten zijn niet ‘net zo moeilijk’ maar ‘ook moeilijk’.
    Het lijkt erop dat dergelijke strategieën niet de oorzaak zijn van het misverstand tussen lezer en schrijver, maar het gevolg ervan: hoe minder het publiek hun klankbord is, hoe meer zij zich terugtrekken en zo die breuk zichtbaar maken.

    Beantwoorden

  7. Joris Note

    Wat me in dit artikel het meest opvalt is de erg professorale en soms hooghartige toon: ‘Adorno lijkt nauwelijks of geen weet te hebben van’, ‘we hadden hier toch op meer onderscheidingsvermogen gehoopt’, ‘Moet hier nog eens herhaald worden’… Maar veel belangrijker is dit: ik vind het ronduit bizar dat in de bespreking van een boek dat onder meer om zijn ‘schrijfstijl’ terecht ‘zeer moeilijk’ genoemd wordt, de kwaliteit van de vertaling absoluut niet ter sprake komt. Heeft Michel van Nieuwstadt al dan niet recht gedaan aan Adorno’s bijzondere taal? Dat is hier een kapitale vraag, en gek genoeg komt ze ook in de discussie over het moeilijke schrijven niet ter sprake.

    Beantwoorden

  8. dirk de schutter

    Ik heb over de kwaliteit van de vertaling geen uitspraak gedaan, precies omdat Adorno zo een moeilijke stijl hanteert.
    Wat de “professorale” en “hooghartige” toon betreft: neen! Ik teken protest aan. Adorno’s lectuur van Heidegger is onjuist. Punt. Dat Adorno op die manier mede aan de basis ligt van een al decennia aanslepende reductionistische lectuur van Heidegger, vind ik zeer erg. Heidegger wegzetten als een nazi is de filosofie in haar geheel onrecht aandoen.

    Beantwoorden

  9. Joris Note

    Het ging me helemaal niet om Heidegger, ik had het wel degelijk over een ’toon’ (en de clichématige verwoordingen die daarbij horen): twee van de drie formuleringen die ik citeerde hebben niets te maken met Adorno’s oordeel over Heidegger. Natuurlijk kun je het helemaal oneens zijn met Adorno, maar hoe hoog moet je zelf staan om hem te bejegenen in de trant van ‘we (!) hadden meer verwacht’? Het lijkt wel een luie leerling.
    Uw reden om niet over de vertaling te spreken is onzinnig en onaanvaardbaar: dit moest een stuk zijn over de pas verschenen Nederlandse vertaling van Negative Dialektik, niet over een Duits boek uit 1966; nu rijst zelfs de vraag of u die vertaling wel gelezen hebt, en in elk geval geeft u niet de informatie die van een recensent verwacht mag worden. Een geïnteresseerde lezer die niet voldoende Duits kent om het origineel te lezen, zal beslist willen weten of deze versie adequaat is, temeer omdat het boek zo’n 50 euro kost. En overigens, ALS de vertaling geslaagd is, verdient ze groot applaus – we worden niet zo vaak verwend met dergelijke boeken.
    Voor mij eindigt hier de discussie.

    Beantwoorden

  10. dirk de schutter

    Kennelijk voldoe ik niet, als ik een oordeel vel; en voldoe ik evenmin, als ik geen oordeel vel. Dank u, professor Note, voor deze bescheiden bijdrage.

    Beantwoorden

  11. nico van der sijde

    Wat de vertaling betreft: Ger Groot gaf in Trouw aan dat de vertaling een heldendaad was, en dan neem ik aan dat de complexiteit van Adorno ’s stijl en de subtiliteit van de filosofische inhoud goed is vernederlandst. Volgens Ger Groot althans. Dirk de Schutter doet geen uitspraak over de vertaling, en ik begrijp niet goed waarom (hij zou b.v. een mening kunnen hebben over de vraag of Adorno’s moeilijke stijl ook goed wordt overgebracht). Maar goed, dat is ZIJN keuze.

    De felle reactie van De Schutter op Adorno’s Heidegger-receptie snap ik overigens beter: ik ken Adorno niet goed, maar had wel begrepen dat hij Heidegger tot nazi reduceert, en dat was voor mij dan een reden om Adorno ongelezen te laten. Maar uit deze recensie begrijp ik dat dit boek veel meer te bieden heeft dan alleen Heidegger-reductie, dus probeer ik het binnenkort misschien alsnog!

    Beantwoorden

  12. Erik Maris

    Dirk De Schutter schrijft: “(Moet hier nog eens herhaald worden dat Adorno na de oorlog de naam van zijn moeder aannam en ter nagedachtenis aan de miljoenen vermoorde Joden een monument oprichtte door de naam van zijn vader, ‘Wiesengrund’, tot ‘W.’ te herleiden?) ” Dat zou kunnen, al is mij niet duidelijk dat je een monument opricht door je joodse familienaam Wiesengrund te doen verschrompelen tot een initiaal en de naam van je katholieke moeder aan te nemen. Ik herinner me vaag dat Adorno na zijn emigratie naar de VS in 1938 in het Zeitschrift für Sozialforschung al publiceerde als T.W. Adorno, dat hij zich in 1943 liet naturaliseren als Theodore Adorno (een Duits klinkende familienaam was in de VS toen niet zo’n goed idee) en dat hij inderdaad later zijn vadersinitiaal weer toevoegde. Door te kiezen voor het zuiders klinkende Adorno zou hij ook afstand hebben genomen van het “Duitse” in zijn vadersnaam.

    Beantwoorden

  13. Joris Note

    Beantwoorden

  14. nico van der sijde

    Inderdaad een genuanceerde maar deprimerende beschouwing over (de dubieuze kanten van) Heideggers politiek. Het blijft voor mij een raadsel hoe iemand die zulke prachtige dingen kon bedenken en zulke prachtboeken kon schrijven tegelijk ook zulke rabiate denkbeelden kon hebben, en vrij verontrustend is dat die rabiate denkbeelden dan wellicht ook nog eens op al dan niet verborgen wijze doorklinken in het zo fraaie hoofdwerk. Het doet mijn bewondering voor Sein und Zeit, Holzwege, Unterwegs zur Sprache en Der Satz vom Grund bepaald niet teniet, maar het geeft toch een wat wrange smaak. Desalniettemin blijf ik denken dat er enorm veel te leren en genieten valt van Heidegger, zij het uiteraard op kritische wijze!

    Beantwoorden

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.