Filosofie, Signalement

De religieuze rest

Theopoëzie

De hemel tot spreken brengen

Peter Sloterdijk

‘In den beginne was het woord’ – de openingsregel uit het Johannes-evangelie verwoordt volgens Peter Sloterdijk (1947) niet alleen een wezenlijk dogma uit de leer van het christendom, maar kan gelden als het fundamentele principe van nagenoeg alle godsdiensten. Verhalen bevatten de stof waaruit godsdiensten zijn gemaakt: verhalen over het ontstaan der dingen en de oorsprong van de mens, over de strijd tussen oeroude, titanische krachten, over hemelse en onderaardse goden en godinnen, over rampzalige gebeurtenissen en miraculeuze lotswendingen, over betoverde plekken en magische dieren. Religies zijn producten van dichterlijke verbeelding, of om het met het jargon van Sloterdijk te zeggen: ‘Religies zijn theopoëtische constructies.’ Door de eeuwen heen worden twee versies gecomponeerd: een eerste kosmogonische versie, die het ontstaan van al wat is uit de doeken doet, dateert vaak uit de prehistorie en werd mondeling overgeleverd; een tweede, meer ethisch gekleurde versie, die voorschrijft hoe wij mensen ons dienen te verhouden tot het al, is vaak na de ontwikkeling van het schrift tot stand gekomen. Door het schrift kregen de verhalen een vaste vorm en inhoud, die geen afwijkingen meer toestond en mondelinge improvisaties verbood. Vaak maakte de cultische behandeling van de tekst deel uit van de schriftelijk vastgelegde ethische regels.

Religies doen er weliswaar alles aan om hun oorsprong in de mythe te verdoezelen, maar toch zijn er altijd figuren opgestaan die precies het fictionele karakter van de religieuze verhalen beklemtoonden. De beroemdste is allicht Plato, die in zijn politiek traktaat De staat (ca. 380 v.Chr.) de verwantschap tussen religie en poëzie aankaart, eraan toevoegt dat dichters bekendstaan om hun leugens en ervoor pleit om het dichterlijke spreken over de goden te vervangen door een conceptueel betoog: theo-gonie moet theo-logie worden. Voor Sloterdijk maakt dit weinig verschil uit. Weliswaar wordt gebroken met het antropomorfe karakter van de godsdienst en wordt de kritiek dat paarden hun goden als paarden zouden voorstellen mochten ze een godsdienst hebben, ernstig genomen, weliswaar wordt de oppergod niet langer gelijkgesteld aan de zon, noch aan een Olympiër die aardse schonen achternazit, maar de fundamentele premisse dat de hemel tot spreken kan worden gebracht en dat wij, mensen, toegang hebben tot het goddelijke, houdt stand. De rapsode is een theoloog geworden, god een idee – de ene, de ware, de absolute – die dialectisch kan worden benaderd.

Veel nieuws bevatten deze bedenkingen niet. Ze zijn onder meer schatplichtig aan de religiekritiek van Friedrich Nietzsche, die in Theopoëzie herhaaldelijk geciteerd wordt, maar ook in meerdere andere boeken van Sloterdijk sporen heeft getrokken. Het is evenmin de bedoeling om met deze kritische bedenkingen de religie volledig onderuit te halen. In een groot deel van zijn boek wijst Sloterdijk op de wonderlijke prestaties waartoe religies aanleiding hebben gegeven. Ze hebben mensen gevoelig gemaakt voor de wonderen van de schepping en hen geïnspireerd tot het dichten van prachtige hymnen. Ook hebben ze mensen de moed gegeven om de confrontatie met het onverdraaglijke aan te gaan en mislukkingen of tekortkomingen te dulden. Maar het meest merkwaardige allicht is de manier waarop ze mensen aangespoord hebben tot ascese: hoewel religies de klemtoon leggen op het zielenleven, liggen hun meest indrukwekkende verwezenlijkingen op het lichamelijke vlak – hoe ze mensen ertoe brengen om zich af te zonderen, om zich uit de wereld terug te trekken, om in totale eenzaamheid te leven, om hun lichaam te versterven, om pijn te verdragen… Opvallend genoeg vermeldt Sloterdijk niet dat religies de mensen oproepen tot het beoefenen van de naastenliefde. Anders gezegd: hij gaat uitgebreid in op bizarre persoonlijkheden als Simeon de Pilaarheilige, die zevenendertig jaar op een zuil zou hebben doorgebracht, of Wiborada van Sankt Gallen, die zich in een cel met enkel uitzicht op het altaar in de kerk liet inmetselen, of aan oosterse monniken die aan zelfmummificatie deden. Maar het feit dat mensen zich door het geloof ten dienste stellen van zorgbehoevenden, komt niet ter sprake: Jozef De Veuster (alias pater Damiaan) of Albert Schweitzer ontbreken.

Sloterdijk presenteert zijn boek als een commentaar op alle religies wereldwijd. Herhaaldelijk lees je zinnen als: ‘Sinds onheuglijke tijden waren er in de meest uiteenlopende culturen dichtwerken die gingen over de “goddelijke dingen” […]’, ‘De oudste verhalen over totems, voorouders, cultuurhelden […]’. En inderdaad, Sloterdijk maakt wel eens een uitstapje naar Egypte en Mesopotamië, naar Afrika of China. Maar tegelijk is het overduidelijk dat zijn boek vooral betrekking heeft op de Europese traditie, meer in het bijzonder op die traditie in Europa die door de Griekse mythen en de Griekse filosofie, door het jodendom en het christendom is gevormd.

Het is dus, zoals gezegd, niet de bedoeling om de religies te bannen. Integendeel, religies zijn ontsproten aan de menselijke verbeelding en hebben als zodanig een plaats in de beschaving. Sloterdijk besluit:

Accepteert men de definitie van religie als rest die blijft bestaan na aftrek van alles wat terechtkomt in de wetenschap, de economie, het rechtswezen, de geneeskunde, de algemene therapeutiek, de mediatheorie, de linguïstiek, de etnologie, de amusementsliteratuur, de politicologie enzovoort, dan houdt men een terrein over dat men even eenvoudig als vaag omvattend “hulp bij de uitleg van het bestaan” mag noemen, tot opheldering van het onbeschikbare en domesticatie van het ontzagwekkende aan toe.

Dit citaat verraadt meteen dat Sloterdijk in Theopoëzie een problematiek aansnijdt die verwant is met de problematiek uit zijn omvattende drieluik Sferen. De vraag die Sloterdijk in beide werken bezighoudt, luidt: hoe kunnen mensen omgaan met het ontzagwekkende? In Sferen worden beschavingen beschreven als immuunsystemen die de mensen helpen in het dragen van hun kwetsbaarheid en verdedigingsmechanismen bouwen tegen de dreiging van een immens, angstaanjagend ‘buiten’. In Theopoëzie worden religies vergeleken met ‘zinsferen’: ze houden zich bezig met de interpretatie van het menselijk bestaan, en dan vooral met de vormgeving van de sterfelijkheid en de domesticatie van het toeval. God mag dan wel dood zijn, de religies overleven. De transcendentale dakloosheid die de mensen in de moderne tijd ten deel is gevallen, heeft het verlangen naar zin en betekenis niet gedoofd. Wel integendeel. Zo is religie in het gezelschap van de kunsten en van filosofie beland, aldus Sloterdijk: de drie activiteiten specialiseren zich in wat volgens sommigen enkel omschreven kan worden als het nutteloze of overbodige. Maar zoals Nietzsche zegt: ‘Muziek mag dan al overbodig zijn, zonder muziek is het leven een vergissing’.

Zoals Sferen vertelt Theopoëzie de geschiedenis van de menselijke beschaving op een nieuwe manier. Het nieuwe ligt niet in een andere inhoud, maar in een nieuw vocabularium. Het wemelt in Theopoëzie van de kofferwoorden, zoals ‘theo-poëzie’, ‘theo-dramatiek’, ‘logo-cratisch’ of ‘agatho-logisch’, van raadselachtige woordcombinaties als ‘kwetsingsverwachting’, of gezochte formuleringen als ‘voor het kwaad doet God aan outsourcing’. Tijdens de lectuur van Sferen genoot ik van de sprankelend-inventieve woordkunst, tijdens de lectuur van Theopoëzie heb ik mij bijwijlen geërgerd aan de vermoeiende woordenkramerij. Sferen heeft mij op een andere manier naar de beschaving leren kijken; bij Theopoëzie heb ik mij vooral de bedenking gemaakt dat een simpeler formulering het argument niet zou schaden.

Boom, Amsterdam, 2021
Vertaald door: Mark Wildschut
ISBN 9 789024 433360
320p.

Geplaatst op 13/03/2022

Tags: Friedrich Nietzsche, Peter Sloterdijk, Religie, Theopoëzie

Categorie: Filosofie, Signalement

Reacties

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.