Proza, Recensies

De schrijver en het lichte meisje

“Kijk! Daar, de engel…”

Michel Leiris

Als Michel Leiris (1901-1990) misschien niet behoort tot de allergrootste twintigste-eeuwse Franse schrijvers (wat dat ook moge betekenen), dan in elk geval tot de intrigerendste. Als jongeman trok hij enkele jaren op met de surrealisten, en hij maakte zich nooit helemaal los van hun ideeën. In de jaren dertig werd hij bijna bij toeval etnograaf, en als zodanig zou hij een aantal professionele reizen maken die hun neerslag vonden in vakpublicaties; zijn eerste grote literaire werk was het veelbesproken reisdagboek L’Afrique fantôme (1934, over de fameuze Mission Dakar-Djibouti), waarin subjectieve beleving en objectieve observatie sterk verweven zijn. Hij wijdde ook vele teksten aan moderne kunst, vaak van schilders en beeldhouwers met wie hij bevriend was: Picasso, Masson, Miró, Giacometti, Lam, Bacon… Andere goede vrienden waren Georges Bataille en Aimé Césaire.

In de literatuur beoefende Leiris verschillende genres, maar zijn voornaamste boeken zijn autobiografisch van aard: eerst het rond zijn seksualiteit draaiende zelfportret L’Âge d’homme (voltooid 1935, verschenen 1939), en na de oorlog de reeks La Règle du jeu, waarvan de vier delen over een lange periode gespreid werden: Biffures (1948), Fourbis (1955), Fibrilles (1966) en Frêle bruit (1976). Dit is allesbehalve een rechtlijnig chronologisch verhaal, veeleer een aaneenschakeling van dikwijls lange reflecties bij elementen en momenten. Postuum verscheen het Journal 1922-1989 (Gallimard, 1992), dat voor een stuk het ruwe materiaal laat zien van waaruit het oeuvre ontstaan is. Maar Leiris’ ik-gerichtheid liet de wereld nooit los, en er mag niet vergeten worden dat hij zich herhaaldelijk politiek engageerde, vooral tegen kolonialisme en racisme. Wie in woord en beeld een goede algemene indruk van zijn leven en werk wil krijgen, moet beslist kennis nemen van de tentoonstellingscatalogus Leiris & Co. (Centre Pompidou Metz – Gallimard, 2015). En nu ik toch raad aan het geven ben: wie La Règle du jeu in het Frans wil lezen kan het best de Pléiade-uitgave (2003) ter hand nemen, voor de overvloed aan begeleidend materiaal.

In het Nederlands is het met Leiris (zoals met wel meer belangrijke modernen) pover gesteld: de reeks ‘Privé-domein’ publiceerde ooit vertalingen van L’Âge d’homme (Arena, 1981) en een selectie uit het dagboek (In de tegenwoordige tijd, 1998), van iets anders heb ik geen weet. Deels heeft die schamelheid allicht te maken met de hoge eisen die Leiris aan vertalers stelt; niet verbazend dat de Amerikaanse schrijfster Lydia Davis al zo lang bezig is met The Rules of the Game: Scratches (1991), Scraps (1997) en Fibrils (2017) zijn er al, Frêle bruit moet nog komen.

We applaudisseren dus graag als een kleine uitgeverij van literaire kleinodiën en een uitstekende vertaler ons “Kijk! Daar, de engel…” (‘Vois! Déjà l’ange…’) bezorgen. Maar het gaat hier wel om iets vrij ongebruikelijks: geen boek maar een deel van een boek, namelijk een van de drie hoofdstukken van Fourbis (bullen, spullen, rommel), en je vraagt je af of dat zomaar kan, of het zinvol is. Immers, al heeft dit (slot)hoofdstuk een zekere zelfstandigheid, het is nauw verbonden met wat eraan voorafgaat, en met de andere delen van La Règle du jeu. We zullen zien.

 

Grazig

Het verhaal is historisch gesitueerd in de drôle de guerre (schemeroorlog) van 1939-1940. De negenendertigjarige (en sinds 1926 getrouwde) Leiris werd in september 1939 gemobiliseerd en meteen naar Algerije gestuurd, naar Beni-Ounif (560 kilometer ten zuiden van Oran, aan de Marokkaanse grens, op de rand van de Sahara). Het grootste deel van de tijd verblijven de mannen in de nabijgelegen ‘Basis-2’, om ‘weinig roemvolle oefeningen uit te voeren’. Begin maart pas keren ze voor enkele weken terug naar Beni-Ounif, en in die ‘periode van onzekerheid, verslapte discipline en openlijke luiheid die voorafging aan onze inscheping naar Frankrijk’ maakt Leiris kennis met de drieëntwintigjarige prostituee Khadija (in het Frans Khadidja), die hij eerder al eens gezien heeft in een ander stadje. Hij voelt zich tot haar aangetrokken, er ontstaat een goede verstandhouding, algauw brengt hij al zijn avonden en nachten bij haar door (maar het blijft betaalde ‘intimiteit’, en zij blijft haar beroep ook met anderen uitoefenen). De avond voor zijn vertrek gaat hij niet naar Khadija, maar ‘s ochtends laat ze hem bij zich roepen voor een enigszins plechtig, formeel afscheid. In het laatste derde van de tekst krijgen we nog nabeschouwingen en een blik op Leiris’ leven in de jaren daarna. Dramatische ontwikkelingen of verwikkelingen zijn er niet.

Wat is dit eigenlijk? Volgens Leiris, op de tweede pagina: ‘het relaas van een tamelijk ordinair avontuur, waarin heel wat hollywoodiaans exotisme is geslopen, maar dat zich – bij de gratie van enkele zinsbegoochelingen – voor mij verheft tot de waardigheid van een geleefde mythe’. En zo is het ongeveer. De schaarse feiten en gegevens worden op allerlei manieren geromantiseerd, uitvergroot, uitgerekt, gemythologiseerd.

Wanneer Leiris en zijn maats van hun oefeningen terugrijden naar Beni-Ounif (kort voor Khadija dus) wordt hij ‘aangegrepen’ door het zien van ‘de groene vlek van een grazige weide […], haast bovennatuurlijk gras waarmee voor ons de indruk werd gewekt dat dit […] gat in de woestijn in feite een groeizame landstreek was, waar we van nu af zouden zwelgen in genot’. De ontmoeting zelf is geen toeval maar een fatum, ‘het gebeurde allemaal alsof sinds onheuglijke tijden het besluit was gevallen dat ik die nacht met Khadija het bed zou delen’. De periode van hun samenzijn lijkt een Ovidiaans Gouden Tijdperk (aetas aurea). Het sieraad dat zij hem gegeven heeft (en waarvan ook de latere lotgevallen worden verteld) is ‘een pentakel overhandigd door een volgelinge van Isis […] aan de man die zij in orgiastische mysteriën heeft ingewijd’.

 

Doodsengel

Het meisje wordt ook geassocieerd met Bijbelse sterke vrouwen (in de eerste plaats Rebekka), met de Bérénice van Suetonius en Racine, en met Racines Iphigénie. (Een kleine verwonding volstaat om Khadija tot een stervende ‘prinses uit het treurspel’ te maken.) Ze is zowel een geitenhoedster als een strenge eilandkoningin en een barmhartige zeenimf. En ook ‘een tovenares – een demon van de middag, of zelfs Lilith’, en haar banale laatste woorden lijken van een ‘sibille’ of ‘een afgezant van het hiernamaals’ te komen. Haar bijna onmerkbare orgasme neemt in de tekst letterlijk wereldschokkende proporties aan.

Bijna vanzelfsprekend moet deze prostituee ook een femme fatale zijn, een bedreigende vrouw – en van daaruit komen we bij een identificatie die de nadruk krijgt nadat Leiris Noord-Afrika verlaten heeft: Khadija was de doodsengel die hem zijn nakende einde kwam aanzeggen. Waarom gaat hij haar zo zien? Misschien, heel oriëntalistisch, wegens ‘de fatale aard van haar Noord-Afrikaanse schoonheid en […] alles wat er aan haar zo merkwaardig gedamasceerde gezicht (kling van een dolk of een kromzwaard) schitterend, louche en gevaarlijk was’. En ook drukte de waarschijnlijk aan syfilis lijdende Khadija hem met zijn neus op het feit dat je nu eenmaal ‘met een ander schepsel zelden de innigste zaligheid bereikt zonder dat zich in het duistere gekreun dat je hem of haar ontlokt het gefluister van de doodsengel mengt’ – van ‘de boosaardige boodschapper die ons, onder een verleidelijk voorkomen, herinnert aan het precaire van ons eigen bestaan’. Is dat niet wat afgezaagd? Misschien is dit een goed moment om erop te wijzen dat de uitzonderlijke schrijver Michel Leiris niet echt een originele denker was.

In elk geval wil Leiris zijn relatie met Khadija beschouwen als een keerpunt in zijn liefdesleven, een definitief voorbij hoogtepunt, en een flink deel van de slotbladzijden gaat over zijn gevoel van ouder worden (een thema dat al in het begin van Fourbis aan de orde kwam). Ook de herinnering aan de dood van een niet genoemde vriendin (Colette Peignot, de minnares van Bataille) speelt hier een rol. Maar zijn overwegingen worden lichter doordat hij kan terugdenken aan een paar eenvoudige maar betekenisvolle gebaren van die vriendin en van Khadija, ‘gestes waarin menselijke eendracht [un accord humain] als het ware in zuivere staat tot uiting kwam’. Aida, in Verdi’s opera, gaat samen met haar minnaar de verstikkingsdood tegemoet, maar ze zingen in de duisternis hun laatste woorden ‘lieflijk, haast opgetogen’, verlicht door de liefde: ‘Vedi?… di morte l’angelo / Radiante a noi si appressa…’ Kijk, de engel des doods nadert ons stralend – en in de titel is de dood geheel verdwenen. (In feite zingt alleen Aida zelf die regels.)

 

Opschorting

Het zou nogal vreselijk kunnen uitvallen, dit hele opblazen van de realiteit, als Leiris zich niet voortdurend on-naïef bewust was van wat hij deed. Om zo te zeggen elke uiting wordt ondergraven door eindeloze relativeringen, twijfels, contrasten, nuances, voorbehouden, reflecties, en elke reden wordt aangevuld met alternatieve redenen. De zelfbespiegeling is voor een groot deel zelfkritiek, met betrekking tot wat de schrijver schrijft én met betrekking tot zijn gedragingen – gedragingen tegenover Khadija, maar ook tegenover zijn diverse soorten kameraden, en heel kort tegenover zijn echtgenote (die hij al een hele tijd bedriegt met een andere minnares).

Erg interessant zijn in dit verband de eerste woorden van “Kijk! Daar, de engel…”: ‘En kri, mijne heren! (‘En kri!’ herhaalt het gezelschap in koor). En kra! (Het koor herhaalt: ‘En kra!’)’ Leiris heeft dat gehoord tijdens een recent bijgewoonde ‘dodenwake’ in Martinique, het gaat om een spreker die de op de Franse Antillen ‘traditionele openingsformule’ voor een verhaal gebruikt. (In het Frans ‘cric’ en ‘crac’, de Nederlandse vertaling gaat terug op de creoolse taal.) Aan het eind zal Leiris zijn eigen tekst een ‘herdenkingswake’ noemen.

Citeert hij deze woorden alleen maar omdat een reis naar de Antillen nog vers in zijn geheugen zit? Er is meer. De formule – die tijdens het vertellen nu en dan herhaald wordt om de toehoorders bij de les te houden – duidt de grens aan met een andere wereld. Opgelet, dit is een verhaal!, en vandaar ook: dit is fictie. (Het zijn maar craques, ‘leugens door overdrijving’, zegt de Petit Robert.) Ook de schrijver geeft dus aan dat we op onze hoede moeten zijn, en de punten waarop hij de formule herhaalt zijn soms veelbetekenend. Waar Leiris zijn ‘keuze’ voor Khadija rechtvaardigt zegt hij: ‘Zwicht ik domweg voor een dwaze romantische verleiding als ik zeg dat een en ander zich uiteindelijk aan me voordoet alsof het ware motief om mijn langdurige kuisheid opzij te zetten, en dat te doen onder omstandigheden waarin ik er een schrijnend merkteken aan had kunnen overhouden, een beetje liefde van mij voor Khadija is geweest?’ En direct na dat grote woord: ‘En kri, mijne heren!… En kra!’

De laatste tientallen pagina’s nemen ons mee naar een andere en nog fundamentelere ontmythologisering. In de beschreven periode was Leiris’ ‘vertrouwde bestaan […] opgeschort’, en zijn terugkeer naar het vaderland maakt daar een eind aan: terugkeer naar het dagelijkse bestaan, confrontatie met een liefdesleven dat ook zonder Khadija al gecompliceerd genoeg was; en bovenal heel spoedig confrontatie met de oorlog, zonder drôle, en ook vrij direct met de jodenvervolging. (Leiris’ vrouw Zette was de stiefdochter van de joodse kunstverzamelaar en -handelaar Daniel-Henry Kahnweiler.) De op de voorgrond getreden oorlog wordt ervaren als een ‘uur van de waarheid’ en leidt tot een pijnlijke herziening van het Algerijnse verblijf, dat niet alleen de omgang omvatte met Khadija maar ook met bepaalde dubieuze militairen. Leiris meent dat hij zich in Beni-Ounif ‘geëncanailleerd’ heeft, hij begrijpt dat hij in de schemeroorlog de ware oorlog al had moeten zien doorschemeren. Die oorlog zat heel reëel onder het blikkerende verhaal.

 

Keerzijde

En nog moeten we verder, naar een andere oorlog. Vertaler Rokus Hofstede verwijst in zijn nawoord naar een passage in Fibrilles, het derde deel van La Règle du jeu, waarin Leiris zijn relatie met en zijn relaas over Khadija nog eens herziet, nu in het licht van de Algerijnse bevrijdingsoorlog, die in 1954 was begonnen. Hij heeft de harde Algerijnse realiteit verdoezeld in een pittoresk verhaal, ‘met opperste miskenning van de problemen waaronder die samenleving toen al gebukt ging’, en het ontbreekt hem niet aan schuldgevoel tegenover Khadija. Leiris had inderdaad, zeker vanaf 1945, meer dan gemiddelde kennis omtrent de koloniale onderdrukking, en de opstand was al bezig ruim voordat “Kijk! Daar, de engel…” in een drukkerij belandde. Maar dit is een mooi voorbeeld van hoe de schrijver in de loop van het project verandert, als het ware voor het oog van de lezer.

Jammer, dacht ik even, dat Hofstede niet die hele passage uit Fibrilles vertaald heeft. Maar dan zou het hek van de dam zijn, want “Kijk! Daar, de engel…” heeft nog heel wat andere raakpunten met de rest van La Règle du jeu. Ik haal één wezenlijk element naar voren.

In ‘Il était une fois…’, een hoofdstuk uit Biffures, brengt een miniem feit uit Beni-Ounif de schrijver tot gedachten over ‘Er was eens…’ en ‘Toen de dieren nog spraken…’, formules die praktisch equivalent zijn met ‘En kri! En kra!’ Dat is boeiend genoeg, maar we treffen ook, verstopt in een bijzin, iets aan van veel groter gewicht. De argeloze lezer van de Nederlandse uitgave vraagt zich misschien af wat Leiris en zijn kompanen precies déden daar in de woestijn, welke ‘oefeningen’ ze uitvoerden in de maanden op Basis-2, voorafgaand aan Khadija. Hier, in Biffures, staat het al, kort maar duidelijk: ‘toen wij onze basis van Beni-Ounif verlaten hadden om ongeveer negentig kilometer verder te gaan, in de geheel woestijnachtige streek waar (met kanonnen, vliegtuigen en andere machines) de experimenten met gifgassen plaatsvonden waarmee wij belast waren…’. In het lange tweede hoofdstuk van Fourbis, ‘Les Tablettes sportives’, vernemen we nog wat meer. De kanonnen vuurden hun giftige projectielen af op schapen, ‘die mokhaznis [Algerijnse hulpgendarmes] in rubber overall met masker – stramme golems of duikers – achteraf in een camion naar het laboratorium brachten, waar hun ingewanden onderzocht zouden worden met het oog op een lijvig rapport over de (al dan niet bevredigende) resultaten van deze slachtingen, die een eerste schets vormden van het lot dat men naderhand aan mensen toebedacht’. (De schrijver zelf schoot niet, op één keer na.)

De echte oorlog was al bezig, en Leiris had er weet van. En iemand die La Règle du jeu of minstens Fourbis vanaf het begin leest, heeft voordat zij of hij aan Khadija toekomt al weet van de sinistere keerzijde van het erotische avontuur, het werd al bij voorbaat aangetast in zijn vluchtige luister. Overigens wijdt Leiris ‘Mors’, het eerste hoofdstuk van Fourbis, bijna helemaal aan voorvallen en momenten die hij met de dood verbindt. Door dat alles wordt de manier waarop je het hoofdstuk “Kijk! Daar, de engel…” leest wel degelijk beïnvloed, en geen klein beetje. Dit betekent niet dat de aparte uitgave geen recht van bestaan zou hebben, maar kennis van die context brengt toch echt wel een verrijking mee. De tekst wordt er ernstiger door, en zijn kunstmatigheid begrijpelijker.

Dat een hoofdstuk of episode van een ‘roman’ nooit helemaal afgerond op zichzelf kan staan is evident, maar bij Leiris valt het niet los te zien van zijn schriftuur zelf, waarin nooit rechttoe rechtaan gestapt wordt. Er moet altijd weer worden teruggekomen op bepaalde dingen, met andere details en andere uitleg en andere associaties en parentheses. Uitstel en uitweiding en omweg zijn essentieel op alle niveaus, vanaf de tetralogie als geheel tot in de aparte zinnen toe, die niet zelden lang en ingewikkeld zijn, en die je dan op zijn minst twee keer moet lezen. Tegen het slot aan spreekt Leiris over ‘dit verhaal, dat gewoon een schets is – snel doorgenomen voor wie het wil lezen’; ik heb mijn twijfels. En ik geef toe dat deze aanpak volgens mij meer dan eens in omslachtigheid ontaardt. (Maar duizendmaal liever dit eindeloze gepieker en gevraag dan de onvervaarde zelfbevestiging die ons overal tegemoet walmt uit interviews met mediafiguren en andere amuseurs.)

 

Rauw

Leiris ziet Khadija van meet af als anders dan de andere prostituees; ze geeft de indruk van een sterke persoonlijkheid, ze is attent, ze neemt initiatieven, niet alleen op seksueel gebied. Aan de zinnetjes die ze spreekt kent de schrijver veel betekenis toe, maar het zijn heel weinig zinnetjes, gesproken met een hese of rauwe stem, ‘die zo weinig gewend was Franse klanken te maken’ dat haar woorden makkelijk misverstaan kunnen worden. Kan hij haar als een gelijke benaderen? Bij al zijn respect en zelfs bewondering behoudt Khadija in de tekst een passieve rol. Ze is voorwerp van fantasieën en projecties, zij moet die ondergaan, en Leiris’ inzicht dat zij ook een eigen realiteit bezit verandert daar weinig aan. Komt dat vooral door haar beroep, of door een ondanks alles koloniale blik, of gaat het ook over vrouwen in het algemeen?

Misschien moet je het nog anders bekijken. Wanneer Leiris zich afvraagt waarom hij de laatste nacht niet bij Khadija wilde doorbrengen, blijkt dat hij ‘boven de springlevende Khadija de voorkeur [gaf] aan Khadija de relikwie, de vrouw van wie ik […] vooral het beeld niet wilde aantasten en aan wie ik nu al de herinnering cultiveerde, alsof het ging om iemand die dood was’; en naar aanleiding daarvan gewaagt hij terloops van zijn ‘eeuwige onvermogen de cirkel van het ik te doorbreken’. Bij zo’n uiteindelijke onmacht tot communicatie kan een echte relatie tussen personen eigenlijk niet bestaan – en, vrees ik, ook geen vertrouwen in de positieve ontwikkeling van een samenleving: Leiris’ ongetwijfeld serieuze ‘linkse’ politieke overtuiging staat in zekere zin dan ook los van zijn globale levens- en wereldvisie. Daarover zou nog veel te zeggen zijn (en niet alleen daarover, natuurlijk).

Verklarende aantekeningen zijn er niet in dit boekje, en de meeste lezers zullen af en toe iets moeten opzoeken. Hoeveel mensen bij ons weten nog waarom ‘de rede van Mers el-Kébir […] met zijn voor anker liggende oorlogsschepen’ kort na Leiris’ vertrek zou ‘veranderen in een historische plaats’? (1300 doden!) Op bladzijde 34 is sprake van een affiche met de reclameslogan ‘Ik rook alleen de Nijl’ (‘Je ne fume que le Nil’); het is hier niet duidelijk dat Le Nil een merk van sigarettenpapier was. De vertaling van Rokus Hofstede lijkt me overigens prima, afgezien van wat details of twijfelgevallen die het noemen niet waard zijn. Dat laatste geldt ook voor een handvol zetfouten – al vind ik dat de boekjes van Vleugels duur genoeg zijn om het zonder zetfouten te kunnen stellen.

Vleugels, Bleiswijk
Vertaald door: Rokus Hofstede
ISBN 9789078627838
95p.

Geplaatst op 16/11/2019

Tags: Algerijnse bevrijdingsoorlog, La Règle du jeu, Michel Leiris, Noord-Afrika, Seksualiteit

Categorie: Proza, Recensies

Reacties

  1. Joris Note

    Een kleine aanvulling: via https://www.dbnl.org/auteurs/auteur.php?id=leir001 krijg je toegang tot enkele kleinere Leiris-vertalingen en teksten over Leiris. Onder meer: Leiris over Francis Bacon, de gedichtenreeks ‘Fissures’ (1969, vertaald door Rein Bloem), en een lang essay van Peggy van der Leeuw over ‘De autobiografische onderneming van ML’. Allemaal uit Raster, waar is de tijd.

    Beantwoorden

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.