Een experiment van Goethe

Wilhelm Meisters leerjaren

Johann Wolfgang Goethe (vert. Ria van Hengel)

‘Wie is de mens?’ – deze vraag spookt al eeuwen door de westerse cultuur. Ze is verwoord en onderzocht door filosofen van allerlei slag, door theologen en wetenschappers, en ze vormt eveneens de inspiratiebron van het beste wat literatuur in proza, poëzie en drama te bieden heeft. Denken we maar aan William Shakespeare, Rainer Maria Rilke en Marcel Proust.

Eind achttiende eeuw, als Wilhelm Meisters leerjaren voor het eerst verschijnt, is Europa in een stroomversnelling terechtgekomen: de aanvang van wat de moderniteit zal worden genoemd. De Franse revolutie, die de absolute monarchie van het ancien régime wilde afschaffen en zich voornam een samenleving te bouwen op de grondslagen van vrijheid, gelijkheid en solidariteit, is gestikt in het bloed van terreur; Immanuel Kant ontdekt dat de verlichte rede, die komaf maakt met het dogmatisme van metafysische systemen, de belangrijkste vragen van de mens onbeantwoord laat; in Engeland en in de Duitstalige gebieden treedt een jonge generatie op de voorgrond die gefascineerd raakt door wat aan de eisen van de rede ontsnapt: het natuurlijke en het lichamelijke, het driftmatige en het passionele; de overtuiging groeit dat de mens niet zozeer gekenmerkt wordt door een aangeboren natuur, maar vooral door wat hem in de geschiedenis overkomt. De in 1749 geboren Johann Wolfgang Goethe maakt al deze ontwikkelingen vanop de eerste rij mee; zijn roman Wilhelm Meisters leerjaren vormt er een soort neerslag van.

‘Bildungsroman’: deze term werd begin negentiende eeuw gesmeed door de Duitse filoloog Karl Morgenstern en al snel gebruikt als omschrijving van Goethes roman. De vele betekenissen van het Duitse woord ‘Bildung’ – vorming, onderwijs, opvoeding, beschaving – geven alle te kennen dat de mens tijdens zijn leven niet alleen een ontwikkeling doormaakt, maar ook een bepaalde graad van volmaaktheid kan bereiken. De interpretatie van Goethes roman als bildungsroman werd eind negentiende eeuw door de invloedrijke cultuurfilosoof Wilhelm Dilthey bekrachtigd, al blijft de vraag bestaan wat Wilhelm Meister, die zijn familienaam afzweert, nu eigenlijk leert.

De bildungsroman is zelf het product van een ontwikkelingsproces: hij is voortgekomen uit de vroegmoderne schelmenroman. Goethes roman draagt hiervan nog de sporen; het verhaal vormt een wilde opeenvolging van gebeurtenissen met verrassende ontknopingen, met gevechten en misleidingen, met persoonsverwisselingen, oplichterij, liefdesperikelen, en als meest onverwachte wending: waanzin en incest. Maar de avonturen lijken secundair ten opzichte van de gevoerde gesprekken en verwoorde gedachtegangen.

Goethe experimenteert: hij legt allerlei opvattingen in de weegschaal om ze met elkaar te vergelijken. Wat is een waardevol leven: een leven in dienst van de nijverheid of een leven gewijd aan de kunst? Wat typeert een vrouw: zinnelijkheid, moederliefde, trouw, inlevingsvermogen? Welke rol kan religie spelen: mystieke onthechting of wereldse liefdadigheid? Hoe wordt een samenleving gesticht: in vrijheid en gelijkheid of met behoud van klassenverschillen? Hoe dient opvoeding te werk te gaan: moeten we streng toezien en iemand voor falen behoeden of kan iemand uit elke ervaring leren? Wat is de functie van kunst: amusement of volksverheffing?

Alle mogelijkheden worden in overweging genomen, geen mogelijkheid wordt onmiddellijk uitgesloten. Dat blijkt op de meest verbluffende manier in de behandeling van incest. Honderden bladzijden lang leren we het meisje Mignon kennen. Zij is, zoals haar naam suggereert, een schattig kind, een beetje buitenissig, maar erg hulpvaardig en muzikaal begaafd. Aan haar hebben we het beroemde lied ‘Kennst du das Land, wo die Zitronen blühn’ te danken. Hoewel ze zich in taal niet vlot kan uitdrukken, sterft ze met de ontroerende woorden op de lippen: ‘Laat het hart maar breken, het klopt al veel te lang.’ Op het eind van de roman wordt het raadsel dat haar omgeeft, opgelost en haar maatschappelijke onaangepastheid uitgelegd: Mignon komt voort uit een incestueuze relatie. Maar geen moment klinkt in het verhaal ontzetting of afkeer door. Integendeel, incestueuze liefde wordt met prachtige beelden verdedigd. Met een verwijzing naar de evangelies wordt ons gemaand: ‘Aanschouw de leliën, ontspringen man en vrouw niet aan één stengel?’ Wie wil leren wat verwerpelijk is, dient de natuur en het hart te raadplegen: ‘Vraag het niet aan de echo van die kruisgangen van jullie, niet aan je vermolmde perkament, niet aan je bekrompen hersenschimmen en verordeningen.’ De discussie wordt afgesloten met een veroordeling van incest, maar het argument klinkt in verhouding tamelijk zwak: mensen leven ‘in een systeem waarvan wetten en verhoudingen de onbedwingbaarheid van een natuurwet hebben aangenomen’.

Veel van de door Goethe geopperde vragen blijven brandend actueel. Zo duikt in de discussie over kunst bijvoorbeeld de vraag op hoe men mensen smaak en een smaakoordeel kan bijbrengen. Al dan niet zinspelend op Kants derde kritiek, laat Goethe een van de personages zeggen dat de ervaring van kunst onterecht in verband wordt gebracht met het zintuig van de smaak, alsof een kunstwerk er enkel is om te behagen: ‘de mensen denken dat wij over een kunstwerk oordelen zoals over een gerecht en dat de organen waarmee wij van een kunstwerk genieten vanzelf ontstaan, zoals de tong en het gehemelte.’ Wie dit gelooft, kan niet anders dan vaststellen dat alles tot het zogenaamde effect herleid wordt en dus betrekkelijk wordt, en dat uiteindelijk de smakeloosheid regeert.

Binnen die discussie houdt Wilhelm een vurig pleidooi voor Shakespeare en diens stuk Hamlet. Als lezer heb je hier de indruk de mening te horen van Goethe zelf, die toch samen met Friedrich von Schiller het Duitse toneel wilde moderniseren en aan de hofcultuur onttrekken. Wilhelm eist dat Hamlet in zijn geheel en zonder coupures wordt opgevoerd – en dat is blijkbaar een bevreemdende en ongewone eis. Hij legt ook uit waarom Shakespeare zo veel personages nodig heeft, waarom Rosenkranz en Guildenstern niet door één figuur worden gespeeld:

Dat stilletjes opkomen, dat zich voegen en kruipen, dat ja zeggen, dat strelen en vleien, die behendigheid, dat pluimstrijken, dat alles-zijn en dat leeg-zijn, die boevenstreken binnen de grenzen van de wet, dat onvermogen, hoe kan dat allemaal in één mens worden uitgedrukt?

Alleen het genie van Shakespeare, zo vervolgt Wilhelm, is erin geslaagd om al die facetten in twee figuren te stoppen; anderen zouden er twaalf nodig gehad hebben.

We horen allicht ook een echo van Kants moraalfilosofie in de bedenking dat het goede geen enkele vorm van bedrog verdraagt. Een leugentje om bestwil bestaat voor Kant niet. En we kunnen zeker iets leren van de bedenking dat het nuttige zichzelf bevordert, ‘want niemand kan het missen’, maar dat het schone moet worden bevorderd, want het ontgaat de meesten, hoewel velen ernaar verlangen. En wat te denken van de volgende wijsheid: ‘Je moet alleen vieren wat met succes is voltooid. Van alle feesten is het bruiloftsfeest wel het meest ongepaste. Geen feest zou méér in stilte, deemoed en hoop gevierd moeten worden dan dat.’? Ook wat over opvoeding gezegd wordt, kan ons niet onberoerd laten: je moet bij mensen hun zelfwerkzaamheid wekken, zo voorkom je krankzinnigheid. ‘Helaas zit er in onze opvoeding en onze burgerlijke instituties heel veel waarmee wij onszelf en onze kinderen voorbereiden op krankzinnigheid.’

Weerklinken er echo’s van Kants filosofie bij Goethe, dan leiden er ook sporen naar Georg Wilhelm Friedrich Hegel, wiens Phänomenologie des Geistes dateert uit 1806. Het zesde hoofdstuk van Goethes roman is getiteld: ‘Bekentenissen van een schone ziel’. Het bevat het dagboek van een diepgelovige vrouw die op het eind ontdekt dat ze door een eenzijdige bekommernis voor haar schone ziel de zaken van de wereld nooit au sérieux heeft genomen en zich dus op het vlak van liefdadigheid erg zuinig heeft opgesteld. Hegel zal in zijn Fenomenologie memorabele bladzijden wijden aan de schone ziel en aan de wet van het hart. Ook het zonderlinge torengezelschap, dat in de laatste hoofdstukken van Goethes roman opduikt, lijkt een voorafschaduwing van wat Hegel in zijn filosofisch systeem ter sprake zal brengen als het ‘absolute weten’. Net als Hegel lijkt Goethe hier gegrepen door de mogelijkheid om het toevallige en het contingente te beheersen. De ware ‘meesters’ maken deel uit van het torengezelschap.

In Wilhelm Meisters leerjaren zien we de moderne tijd (en de moderniteit) geboren worden. We zien een auteur die via zijn karakters worstelt met de versplintering van het leven en de maatschappij. Zoals Friedrich Hölderlins roman Hyperion, eveneens gepubliceerd in het laatste decennium van de achttiende eeuw, het pakkend formuleert:

Je ziet handwerkslieden maar geen mensen, denkers maar geen mensen. Is dat niet als een slagveld waar afgehakte handen en armen en alle ledematen door elkaar liggen, terwijl het vergoten levensbloed wegvloeit in het zand?

Goethe zal (samen met Schiller) evolueren naar de opvatting dat bildung niet kan worden begrepen als de vervolmaking van het individu, maar als iets maatschappelijks: ‘Alleen alle mensen samen vormen de mensheid, alleen alle krachten samen vormen de wereld. Elke aanleg is belangrijk en moet worden ontwikkeld.’

Een bespreking van Goethes roman zou onvolledig zijn zonder een uitdrukkelijk woord van lof voor de vertaalster. Ria van Hengel is niet aan haar proefstuk toe. Ze heeft al de aan waanzin grenzende zinnen van Elfriede Jelinek en het door melancholie overspoelde proza van W.G. Sebald in prachtig Nederlands omgezet. Wie een bewijs zoekt voor de stelling dat een literair kunstwerk door de vertaling een nieuw leven krijgt en dat een taal door een vertaling verrijkt wordt, hoeft slechts een door Van Hengel vertaald werk te lezen. Alleen het Duits kan het met één lettertje verschil zeggen: ‘Übung macht den / der Meister’.

Links

Athenaeum – Polak & Van Gennep, Amsterdam, 2014
ISBN 9789025370268
702p.

Geplaatst op 30/04/2014

Reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.