Deel Facebook Twitter / X LinkedIn
Ik moest tijdens het lezen van Schijnoffers, de nieuwste roman van Daan Heerma van Voss, denken aan het zinnetje ‘Euwe staat voor’, naar verluidt de eerste woorden die een jonge Harry Mulisch uit Godfried Bomans’ mond hoorde komen. Bomans verwees naar de grote schaker Max Euwe, die toen met een wedstrijd bezig was en kennelijk op voorsprong was gekomen. Het fictieve hoofdpersonage van Schijnoffers Max de Nobel is vernoemd naar de enige Nederlandse wereldkampioen ooit (in 1935); in Heerma van Voss’ relaas probeert de Nobel met alle macht in de voetsporen van zijn illustere land- en naamgenoot te treden, maar hij struikelt in de finale. De Nobel komt deze klap eigenlijk nooit meer te boven; ook zijn huwelijk houdt niet lang meer stand. Wie de geschiedenis en folklore van schaak genegen is zal zijn hart ophalen bij deze roman, waar Spassky, Karpov, Kasparov en Tal de revue passeren en er veelvuldig over het spelletje en het circus eromheen gepraat wordt.
De titel, Schijnoffers, heeft een dubbele betekenis: hij verwijst naar een schaakmanoeuvre (voordeel halen uit een schijnbaar noodwillige opoffering van een stuk) en naar de manoeuvres die mensen in het leven maken, om er al dan niet voordeel uit te halen. Toevallig stak het Amerikaanse satirische onlinemagazine The Onion eerder nog de draak met de ergerlijke gewoonte om dagelijkse situaties in schaaktermen te beschrijven – een sentiment dat Ella, Max’ Surinaamse vrouw, deelt. ‘Ik had een hekel aan schaakmetaforen’ denkt ze bij zichzelf als Max het concept van een ‘stille zet’ gebruikt als metafoor.
Jaren na die mislukte finale komt het enige kind uit Max’ en Ella’s huwelijk, David, te weten dat zijn vader tijdens die hoogdagen mogelijk samenwerkte met de CIA. Het was toen Koude Oorlog; schaak was niet zomaar een spelletje, maar een staatszaak, een geopolitieke armworsteling van de eerste orde. Vandaar dat de opkomst en neergang van Bobby Fischer voor de VS eerst een reden tot juichen en ten slotte een tragedie vormden. Karpov en Kasparov heersten; de Russische despoten lachten in hun vuistje. In elk geval moest elke mogelijkheid benut worden, en daartoe zou de CIA op een gegeven moment ook Max de Nobel als spion ingezet hebben. Het gaat concreet om afluisterapparatuur: de CIA zou in zee zijn gegaan met het mysterieuze Nederlands Radar Instituut (NRI) om bepaalde technologie te ontwikkelen en vervolgens toe te passen, met de Nobel als spion.
De krantenreportage die David aan deze mysterieuze kwestie wil wijden drijft de roman voort: hij graaft tegelijk een stukje Nederlandse-Amerikaanse-Russische geschiedenis op en het verleden van zijn vader. Heerma van Voss suggereert dat David het artikel misschien vooral gebruikt als voorwendsel om te achterhalen waarom het precies misliep tussen zijn ouders. Zowel Max als Ella zijn gesloten, eigenzinnige mensen. Het artikel geeft David een aanleiding om hen bepaalde vragen te stellen, vragen die anders onuitgesproken in de lucht blijven hangen. In feite moet David kiezen: graven in het verleden zal waarschijnlijk een groot artikel opleveren, maar zal ongetwijfeld ook oude littekens openrijten, zijn relatie met zijn ouders bemoeilijken. Welk offer is hij bereid te brengen?
De episodes in het heden, waarbij we David volgen tijdens zijn zoektocht, worden afgewisseld met episodes in de jaren tachtig en negentig, waarbij de relatie van Max en Ella centraal staat: hoe zij door hem gefascineerd raakte en hem achterna reisde naar Mexico, waar hij zou participeren aan een schaaktoernooi; hoe ze aanvankelijk dacht dat ze niet bij hem zou blijven omdat ze te verschillend waren, en hij te vreemd; hoe hun huwelijk in de eerste fase een idylle was, toen Max naar de sterren reikte en steun kreeg van mecenassen (in de Amsterdamse society vormen ze een sterrenkoppel); hoe hun huwelijk ten slotte in een neerwaartse spiraal belandde, nadat Max de finale van het wereldkampioenschap verliest.
Zo combineert Heerma van Voss twee verhaallijnen en twee genres: enerzijds is het een spionageroman, anderzijds een familiedrama, de implosie van een huwelijk en de vele vragen van de zoon achteraf.
Is David een vaderskindje of een moederskindje? Het is een vraag die hij zich stelt tijdens zijn queeste, zonder dat het duidelijk wordt wat het antwoord is. Eerst stelt hij de kwestie aan de orde tegenover Ella, die nog steeds in Amsterdam woont en met wie hij nog een innig contact onderhoudt. Op het einde van de roman zoekt hij ten slotte zijn vader op, die zich in een klein dorpje geïsoleerd heeft van de wereld en al lang geen teken van leven meer heeft gegeven. Alle eerdere episodes bouwen op naar deze lang uitgestelde ontmoeting; zowel de Vatersuche als het al dan niet waargebeurde spionageverhaal en het gebarsten huwelijk vinden hun eindpunt in Max de Nobel. Hij beschikt over de antwoorden, voor zover die bestaan.
Het siert de roman dat de antwoorden niet pasklaar gegeven worden. Davids zoektocht loopt min of meer uit op een sisser. Zijn grootse reportage zal er wellicht niet komen. Zijn vader, die langzaam maar zeker seniel aan het worden is, wordt nog steeds verteerd door de wrok ten gevolge van de verloren WK-finale; veel meer lijkt er niet meer door zijn hoofd te spoken. Vragen ontwijkt hij.
Ook de implosie van het huwelijk kan niet zomaar uitgelegd worden. Een huwelijk sterft beetje bij beetje, zegt Ella ergens, niet plotseling in één keer. Heerma van Voss beschrijft die episodes vanuit het perspectief van Ella: Max blijft altijd op een afstand, niet alleen voor de lezer, maar ook voor Ella. De twijfels van het prille begin (is zij slechts een nummer voor hem?) verdwijnen als Max een ster wordt, ze een door Max bekostigd droomhuis betrekken in de Vondelstraat in Amsterdam en samen een kind krijgen, maar na een tijdje komen ze dubbel zo sterk terug en denkt ze zelfs depressief te zijn. Liefdesverdriet, constateert haar psycholoog, wat ze boos afwimpelt, maar ze beseft achteraf dat hij gelijk had. Max is een fundamentele eenling: hij houdt meer van schaak dan van haar. Dat is althans de verklaring waarmee Ella uiteindelijk op de proppen komt, maar natuurlijk is zij niet bepaald een betrouwbare verteller. Ook na de scheiding vergaat het haar niet goed in de liefde: mannen komen en gaan, maar ze beseft dat ze in niemand geïnteresseerd is die niet is zoals Max.
Ella en David zijn de personages die we dus leren kennen, van binnen en van buiten, op overtuigende wijze, maar Max de Nobel is het intrigerende personage. Een roman-à-clef is het niet, maar Heerma van Voss heeft overduidelijk Jan Timman op het oog, na Max Euwe de grootste Nederlandse schaker ooit. Net als Max de Nobel werd Jan Timman in de jaren tachtig de ‘best of the West’ genoemd (de grootste uitdager van de grootmeesters uit de Sovjet-Unie), net als Max had hij een wilde bos krullen en trouwde hij een Surinaamse vrouw, van wie hij later scheidde. Ook Timman kwam dicht bij het wereldkampioenschap, maar haalde het nooit.
Uit alles blijkt dat Max over charisma beschikt, die ongrijpbare eigenschap die door het noodlot aan sommigen (een kleine minderheid) wordt geschonken en aan anderen (de rest) onthouden. ‘Hij was anders dan de rest. Opeens was er een rest’, denkt Ella kort nadat ze hem ontmoette. Ze wil een artikel wijden aan Max’ schaakkunsten (iets waarvan ze nochtans niets afweet), maar dat artikel mondt ten slotte uit in een relatie (en wordt nooit afgeschreven en gepubliceerd). Zo is er van het begin af een asymmetrie: Max is het genie, het mysterie, zij volgt hem, bewondert hem. Niet dat hij louter op haar exotische uiterlijk valt, maar zij is er toch niet gerust in. Hun relatie kan overigens ook feministisch gelezen worden, aangezien Max kan gelden als het schoolvoorbeeld van de patriarchale man die zich niet bekommert om het huishouden (hij doet bijvoorbeeld nooit de was) en eigenlijk geen concessies doet aan zijn vrouw: hij wil binnen het huwelijk lekker zijn eigen gangetje blijven gaan. ‘Het was communicatie zoals Max die het liefste zag: op het tijdstip dat hem uitkwam en zonder echt contact te maken’, zegt Ella op een gegeven moment bij zichzelf.
Behendig hopt Heerma van Voss van David naar Ella, van heden naar verleden, van Amsterdam naar Paramaribo en Mexico. Hij schrijft soepel, beheerst. In dialogen durft hij dicht bij de spreektaal aan te leunen en lacht hij een beetje met de onderkoelde ironie van journalisten (wanneer David zijn idee voorlegt aan de redactie); zijn beschrijvingen zijn niet imponerend, misschien een tikkeltje doorsnee, maar ook niet slecht. Typeringen van personages bevatten soms geslaagde vondsten, zoals ‘Terwijl zijn linkerwenkbrauw op zijn plaats bleef wurmde zijn rechter zich in een perfecte accent circonflexe.’ Ook de eerste zin, altijd belangrijk, is een geslaagde en prikkelende opening: ‘Op het moment dat, ergens in zijn vaderland, een envelop met zijn naam erop wordt geopend, bevindt hij zich aan de andere kant van de wereld, in het geboorteland van zijn moeder.’ Een begin om jaloers op te zijn, merkt Kees ’t Hart (terecht) op.
Gaandeweg het verhaal rijst de vraag wat er voor David precies in het geding is. Wil hij per se van zijn ouders horen waarom ze uit elkaar zijn gegaan? En waarom belangt de mysterieuze affaire in verband met de CIA en het NRI hem zo aan? Hij blijft een ietwat merkwaardig personage – iets wat hij overigens van zichzelf ook toegeeft.
Het grote probleem van de roman is mijns inziens dat het spionageverhaal te weinig tot de verbeelding spreekt. Kennelijk gaat Heerma van Voss ervan uit dat de mond van de gemiddelde lezer openvalt bij de onthulling van de samenwerking tussen Amerika en Nederland tijdens de Koude Oorlog. Het is niet dat het mij geheel koud liet, maar warm werd ik er ook niet van. Een verkeerde inschatting als u het mij vraagt. De implosie van het huwelijk is boeiend; het spionageverhaal had ik evengoed willen overslaan. Het is een euvel waar volgens mij veel hedendaagse romans onder lijden (ik denk aan pakweg Peter Buwalda’s Bonita Avenue, Tommy Wieringa’s De heilige Rita en De Republiek van Joost de Vries): een bepaalde verhaallijn meer gewicht of glans toekennen dan die in werkelijkheid bezit.
Ik geloof dat de naam van Jonathan Franzen (met wie Heerma van Voss in De Groene Amsterdammer vergeleken wordt) in dezen cruciaal is. Soms heb ik de indruk dat hele generaties Nederlandse schrijvers louter met de werken van Franzen opgevoed zijn, en misschien een beetje DeLillo, wat Philip Roth. Een modern Amerikaans dieet. Het lijkt wel alsof de Niet-Meer-Zo Verenigde Staten het enige buitenland is dat nog bestaat in de verbeelding van Nederlanders. ‘On-Hollands goed’ worden de boeken van Heerma van Voss en andere hedendaagse schrijvers soms genoemd. Dat is niet alleen beledigend en neerbuigend tegenover de Nederlandse literatuur, maar ook nog eens vreemd, omdat ik bij on-Hollands zou denken aan pakweg het bruisende magische realisme van García Márquez of het waanzinnige ironische intellectualisme en de inventio van Thomas Pynchon, – maar dat is niet het geval: men denkt aan Franzen, aan braaf hedendaags realisme.
Hoog tijd, in elk geval, dat we stoppen met Franzen als een lichtend voorbeeld uit het Grote Buitenland te zien, als een na te volgen messias. Als ik me niet vergis, schrijft die man nogal middelmatige en erg conventionele romans die nauwelijks een indruk hebben nagelaten. Een soort muisgrijs realisme. En dat is, als u me de panoramische blik vergeeft, helaas ook het gevoel dat ik krijg bij romans als Schijnoffers, Bonita Avenue, De Republiek en De heilige Rita: ondanks bepaalde prijzenswaardige kwaliteiten (in dit geval is het uiteenvallend huwelijk van Max en Ella best boeiend), is het toch niet alsof er net een steen verlegd is in de rivier van de literatuur. Wat natuurlijk ook geen sinecure is. Maar mag het niet wat ambitieuzer? Ik mis soms branie, een tikkeltje krankzinnigheid. De schrijver in galop, de schrijver in de wolken. Boeken als kanonschoten, alsof de schrijver een nieuw universum uit zijn duim gezogen heeft en vol blijdschap presenteert. Fantasie. Er bestaan geen grenzen in de literatuur (God zij dank), maar veel Nederlandstalige schrijvers blijven vandaag de dag als brave schaapjes in de eigen kleine wei grazen, zonder de sprong over de prikkeldraad te wagen.
Maar nu ben ik misschien te ver afgedwaald van de status causae. Slechts weinig romans doen een gooi naar de eeuwigheid, nog minder slagen daarin. Het is een streng criterium. In elk geval is Schijnoffers een beklijvende roman met in het bijzonder één intrigerend personage, geschreven in een niet onaardige stijl. Dat is soms genoeg.
Reacties
Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.