Deel Facebook Twitter / X LinkedIn
Het voelt een beetje als mosterd na de maaltijd om nog iets te zeggen over Tussen de mazen, de verhalenbundel van Mariska Kleinhoonte van Os (1980). Met dit debuut heeft Kleinhoonte van Os, in het dagelijks leven redacteur bij Atlas Contact, al veel lof geoogst. Dat begon al met Mezza, het weekendmagazine van het AD, dat eind vorig jaar, nog voor het verschijnen van Tussen de mazen, Kleinhoonte van Os verkoos tot literair talent van 2025. Daarna volgde de ene positieve recensie na de andere, met de De Nieuwe Contrabas en Trouw tot dusver als hekkensluiters. Dan is de kous wel af, toch? Zeker niet. Tussen de mazen bevat zoveel sterke verhalen dat de bundel gerust nog een extra bespreking verdient. Als redacteur heeft Kleinhoonte van Os al een goed oog voor het literaire talent van anderen. Dat ze als schrijver ook talentvol is, blijkt wel uit dit veelzijdige debuut, waarin ze in verschillende stijlen en vormen stem geeft aan kwetsbare eenlingen.
De personages in de dertien verhalen uit deze bundel zijn, zoals de titel al aangeeft, tussen de mazen van het net geglipt: ze zijn degenen die aan de dood of een ramp zijn ontsnapt, of die vanaf de zijlijn toezien hoe het noodlot om zich heen graait – ze zijn de overlevenden, de achterblijvers en, in het verlengde hiervan, de overblijvers. De uitdrukking ‘tussen de mazen’ impliceert niet alleen een bepaalde wilskracht maar ook een zekere eenzaamheid. Jazeker, in tegenstelling tot anderen leven zij nog, maar zodoende krijgen ze een afzonderlijke positie toebedeeld. Daarin schuilt een treurige ironie: ze zijn weliswaar door de mazen van het net geglipt, maar juist daarom verkeren ze in de mazen en leegtes van het bestaan.
In de sporen van het leven
Dit wordt bijvoorbeeld al bijzonder mooi geïllustreerd in ‘De paskamer’, het tweede verhaal uit de bundel, waarin een vrouw na de amputatie van haar rechterborst op zoek is naar een prothese-bh. De kracht van dit verhaal zit allereerst in de opbouw: zonder alles direct prijs te geven laat Kleinhoonte van Os zien hoe bijzonder de dag is waarop dit verhaal zich afspeelt. Dat gebeurt al met de eerste zin: ‘Ineens begreep ze niet meer wat ze hier kwam doen.’ Vooral het bijwoord ‘meer’ verraadt de voorafgaande innerlijke worsteling van de vrouw.
In het warenhuis, waar de nieuwe voorjaarscollectie wordt geëtaleerd, wordt de vrouw geconfronteerd met haar nieuwe lichaam. Wanneer ze haar hand langs een oudroze zijden blouse laat strijken – alleen dat is al een mooie verbeelding van het lichaam dat haar niet meer past – komt ze tot de conclusie dat de stof te dun is en ‘te gedetailleerd’. De vrouw probeert bovendien de blikken van de winkelende mensenmassa en de medewerker te vermijden. Voor de spiegel in de paskamer wil ze zelfs niet naar zichzelf kijken, zo vervreemd voelt ze zich nog van haar nieuwe huid: ‘Dit waren de sporen van het leven vóór. Het leven ná had andere sporen getrokken.’
Wanneer de winkelmedewerker aan de vrouw vraagt om haar nieuwe borstmaten op te meten, komt ze niet alleen oog in oog te staan met haar lichamelijke verlies, maar wordt ze tegelijkertijd uitgedaagd om haar nieuwe lichaam te accepteren. Vooral wanneer de winkelmedewerker ook een lotgenoot blijkt te zijn, laat Kleinhoonte van Os zorgvuldig en beeldend zien hoe intimiteit en afstandelijkheid en herkenning en vervreemding samengaan. Het slotbeeld van dit korte verhaal is werkelijk prachtig: ‘De medewerker strekte op haar beurt de hand uit naar de bh met de prothese in de zachte trui en vouwde haar vingers er als een kommetje omheen.’ Kleinhoonte van Os benoemt niet expliciet hoe twee lotgenoten troost bij elkaar vinden, maar laat dat zien in deze intieme handeling.
Uit het hoofd getuimelde herinneringen
Een verhaal met dezelfde zeggingskracht is ‘Polaroid’, waarin een vrouw terugblikt op haar jeugd, in het bijzonder op de relatie met haar ongrijpbare broer. De eerste zinnen laten gelijk de tragiek zien: ‘Vroeger had ik een broer. Ik weet niet waar hij nu is. Of hij gelukkig is, of nog lijdt.’ Als kinderen leken de broer en de zus met hun gekrulde haar nog op elkaar. Die groeien echter al snel uit, waarna de broer vooral bestaat uit tegenstrijdigheden: eerst zwijgt hij jarenlang, om daarna ineens in volzinnen te spreken; enerzijds trekt hij poten uit muggen, anderzijds kan hij ontzettend mooi pianospelen.
Zoals de titel al aangeeft, bestaat dit verhaal vooral uit snapshots van een jeugd – of zoals de verteller zelf het verwoordt: ‘uit het hoofd getuimelde herinneringen’ – waarbij de vrouw de ogenschijnlijk intieme momenten tussen haar en haar broer herziet en tot het besef komt dat ze haar broer nooit echt heeft gekend. Een van die ontroerende herinneringen gaat over de keren dat zij haar broer mocht assisteren bij het karpervissen. Waar ze als kind die momenten vooral als intiem en voorbeelden van teamwork ervoer, voelt ze retrospectief de leemte tussen haar en haar broer: ‘Je zou zeggen dat ik hem beter leerde kennen op die stille dagen langs de rand van het water. Voor een deel is dat zo.’ Op een gegeven moment gaf de broer haar een polaroidcamera, ‘zodat ik zijn vangsten vast kon leggen. Het zijn de weinige foto’s waarop hij lacht.’ De zeldzame lachende foto van hem bieden haar jaren later, wanneer de broer in een kliniek is opgenomen, houvast om hem niet alleen maar als geesteszieke patiënt te herinneren.
In de beschrijving van die visherinnering en – in het verlengde hiervan – de polaroidfoto’s komt de thematiek van de verhalenbundel op verschillende manieren mooi naar voren. Deze herinnering benadrukt het grijze gebied tussen vangen en gevangen zitten, tussen vastleggen en door de vingers glippen. Uiteindelijk groeien de mazen in het contact tussen haar en haar broer, waardoor de broer erdoorheen ontsnapt en zij alleen achterblijft. Bijzonder knap aan dit verhaal is de manier waarop Kleinhoonte van Os de verschillende momentopnamen aan elkaar verbindt en in een aantal pagina’s het tragische lot van een broer en zus vastlegt.
Vloeiende vertelstijl
Vorm en inhoud komen in dit debuut subtiel samen. Dat geldt ook voor het korte verhaal ‘De zee’, waarvan de vertelstructuur schippert op de golven van de tijd net zo vloeibaar is als het water van de zee. Zo begint het verhaal met het moment waarop een moeder haar dochter Vera baart, die ‘veel te vroeg en te klein’ ter wereld komt. Vanaf de zijlijn moet de moeder toekijken hoe haar veel te kleine dochter in de couveuse in leven blijft. In de alinea erna springt de tijd 28 jaar vooruit en kijkt de moeder weer naar haar dochter, al is de dochter nu overleden. Terwijl ze naar haar kind kijkt, denkt ze terug aan het gevecht dat haar dochter al van kinds af aan met het leven voerde. Net als in ‘Polaroid’ brengt Kleinhoonte van Os de fragmenten van een bewogen leven tot een aangrijpende eenheid samen.
De soepele focalisatie draagt daar voor een groot deel aan bij. Aanvankelijk ligt die vooral bij de moeder, maar wanneer Peter, Vera’s vriend, de rouwkamer binnentreedt en naar zijn overleden vriendin kijkt, speelt Kleinhoonte van Os met de vertellagen: de moeder ziet hoe Peter naar Vera kijkt ‘en zij weet waar hij aan denkt’, waarna het waarnemende standpunt naar Peter verschuift en de laatste minuten voor Vera’s dood worden beschreven. In nog geen vijftienhonderd woorden slaagt Kleinhoonte van Os er niet alleen in om een heel leven te portretteren, maar lukt het haar eveneens om alle personages geloofwaardig gestalte te geven.
Een ander kort verhaal dat tevens opvalt vanwege de flexibele focalisatie en vertelstructuur is het eveneens zeer korte ‘Mr. Sheng’. In de podcastaflevering van De Nieuwe Contrabas wijdt Hans van Willigenburg ruim tien minuten aan dit verhaal. Terecht, want dit verhaal zit ontzettend intrigerend in elkaar. De openingszin trekt al gelijk de aandacht: ‘De kleine man die ons door het vliegveld naar de bus toe leidt is een vreemde vogel.’ Niet alleen is het interessant dat hier een wij-verteller aan het woord is; het is ook typisch dat die wij-verteller, die op doorreis is in Singapore, de Singaporese man als een vreemde vogel beschouwt. Ze noemen hem ‘Mr. Sheng’, want ‘hij heeft zich wel voorgesteld maar we hebben zijn echte naam niet onthouden en het alsnog vragen zou zeer onbeleefd zijn.’
In lijn van Edward Saïds Orientalism (1978) laat dit verhaal een kritische blik zien op de hegemoniale houding van westerse toeristen ten opzichte van de Oriënt. Ze beweren interesse te hebben in andere culturen, maar hebben eigenlijk geen oog voor de bevolking van hun vakantieland, ze denken vooral aan zichzelf. Zo creëert dit groepje rugzaktoeristen een stereotyperend en cynisch beeld van deze Mr. Sheng: hij leidt een troosteloos bestaan als reisleider, wordt uitgelachen door Europese toeristen, keert na zijn werk terug naar een troosteloze flat ‘waarvan de aanblik alleen al suïcidale gedachten oproept’ en heeft een troosteloos huwelijk met een vrouw (‘Mrs. Sheng’), die hij, dat moet haast wel met zo’n treurige baan, afblaft en verwensingen toesnauwt.
Of dit allemaal echt zo is, blijft in het midden. Dit zielige leven van Mr. Sheng is een fantasie van de westerse toeristen, die na hun reis sporadisch nog aan hem denken maar hem vooral gebruiken voor zelfprofilering en vermaak, ‘als we vakantiefoto’s kijken of een sterk verhaal nodig hebben op een feestje’. Er is sprake van een oriëntalistisch en postkoloniaal discours waarbij de westerling ‘de Ander’ als een wegwerpproduct beschouwt: ‘We gaan naar ons werk, leggen wat geld opzij en beginnen van een andere reis te dromen.’
Kracht op de korte baan
Het bijzondere aan dit verhaal is dat Kleinhoonte van Os dit allemaal samenbrengt in amper drie bladzijden. Het is buitengewoon bewonderenswaardig hoe zij erin slaagt om in relatief weinig woorden een heel leven uit de doeken te doen. Opmerkelijk genoeg gaat dat haar beter af in de kortere verhalen dan in de langere. Het verhaal ‘Oom Karel’ komt bijvoorbeeld minder tot leven ondanks – of misschien wel juist vanwege– de verschillende geschiedenissen. In dit verhaal gaat het om de relatie tussen de jonge vrouw Maureen en haar oudoom Karel. Met zijn vrouw Irene is Karel altijd kinderloos gebleven. De worsteling met kinderen en kinderloosheid wordt nog eens benadrukt door Karels schuldgevoel over het feit dat hij jaren geleden als fysiotherapeut per ongeluk een baby liet vallen. Wanneer Maureen zwanger wordt en dit aan oom Karel vertelt, keert hij vanwege zijn schuldgevoel in zichzelf.
Hoewel Kleinhoonte van Os ook in dit verhaal flexibel schakelt tussen verschillende vertellers en heden en verleden, voelt het geheel nogal geforceerd en expliciet aan. Het wordt wel erg duidelijk dat Karel ‘de confrontatie met pril leven’ wil vermijden. Wanneer Maureen van een dochter bevalt en oom Karel na lang aarzelen de baby alsnog vasthoudt en de dramatische geschiedenis zich herhaalt, wordt het allemaal net iets te rond. Het geforceerde einde doet afbreuk aan de geloofwaardigheid van de personages en de ontwikkeling van het conflict.
Veel sterker zijn de korte verhalen die aan het einde juist nog open blijven, zoals ‘Man achter vensters’. In dit verhaal van drie pagina’s onderzoekt meneer Hogenthal als lijkschouwer het appartement van een man die al een tijd geleden in eenzaamheid is gestorven. Die bedompte, stinkende ruimte wordt treffend beschreven als een ‘krappe, wollen trui met col’. Een andere mooie beschrijving vindt plaats op het moment dat Hogenthal de vrijwel lege zakagenda van de overleden persoon vindt: ‘De mate van eenzaamheid is meestal moeilijk vast te leggen, maar deze man was boekhouder van zijn eigen lege bestaan.’
Gaandeweg wordt subtiel duidelijk dat Hogenthal en de overleden man in zekere zin elkaar spiegelen. Zo komt de agenda van de overleden persoon uit het jaar dat Hogenthals kleindochter werd geboren. Bovendien lijkt er sprake te zijn van een stille strijd tussen Hogenthal en de man: ‘Telkens als hij naar de man op de grond kijkt, lijkt het of zijn rechterhand iets naar beneden is gezakt. Alsof hij zich opgegeven weet.’ Aan het einde wordt de link tussen de twee mannen nog eens aangehaald. Wanneer Hogenthal thuiskomt, gaat hij ‘in de aangepaste sofa’ van zijn overleden vrouw zitten en wordt de suggestie gewekt dat hij eenzelfde eenzaamheid als de overleden man kent. Gelukkig voor Hogenthal heeft hij nog een kleindochter.
Zoals de vrouw in ‘De paskamer’ steun vindt bij de verkoopster, de vrouw uit ‘Polaroid’ houvast vindt in de lachende polaroids van haar broer, de broer uit datzelfde verhaal op zijn beurt weer vastigheid vindt bij het karperen en de rugzaktoeristen in zekere zin houvast vinden bij hun verhalen over Mr Sheng, zo hoopt Hogenthal vooral hoop bij zijn kleindochter te vinden. ‘Bij een kop thee neemt hij het besluit om zijn kleindochter mee uit vliegeren te nemen en oneindig vaak haar portret te schieten.’ Wanneer in de laatste zin – misschien uit opluchting, misschien uit angst – staat dat Hogenthal binnenkort met pensioen gaat, laat Kleinhoonte van Os mooi in het midden of Hogenthal alsnog hetzelfde eenzame lot staat te wachten. Het is niet alleen knap hoe dit korte verhaal het tragische leven van een onbekende man schetst, maar vooral hoe dat eenzame leven parallel loopt met Hogenthals interne conflict.
Juist op de korte baan toont Kleinhoonte van Os zich dus een veelzijdige en lenige schrijver die een stem geeft aan kwetsbare eenlingen. Wie met weinig woorden zo beeldend en soepel verschillende personages tot leven wekt, behoort inderdaad tot de literaire talenten van dit jaar.
Een recensie van Pieter Olde Rikkert over Tussen de mazen van Mariska Kleinhoonte van Os.
Reacties
Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.