Poëzie, Recensies

En dit keer goed. Het inclusieve schrift van Kreek Daey Ouwens

Het eerste dat Kreek Daey Ouwens naar buiten bracht, ‘Een cirkel van saamhorigheid’ (1986), speelt net als het leeuwendeel van haar oeuvre nadien rond het ouderlijk huis in bedrijfsdorp Lindenheuvel (Geleen). Centraal staat haar grootvader, man van weinig woorden aan wie ze zich laafde als zwijgzaam schrijver in spe. Toch betrof de titelcirkel niet haar band met hem, maar die van haar broertje, met wie iets bijzonders was. Uren zweeg hij naast opa, waar de jonge Kreek jaloers naar keek: ze wilde dat tweemanschap in. Als broerlief later naar een speciale school wordt gestuurd (per trein!) en uiteindelijk uit huis wordt geplaatst om nog maar zelden terug te keren, winnen schaamte en schuld het van jaloezie: heeft haar afgunst hem uit huis geduwd? ‘Nooit meer heb ik zo’n mengeling van gevoelens gehad.’

Hoewel dit tijdschriftdebuut geen jeugdzonde was – Daey Ouwens debuteerde als 44-jarige – belandde het niet in haar eerste boek Stokkevingers (1991) maar verscheen het in margine, als deeltje 63 van de Slibreeks (1994). Daar wordt het voorafgegaan door een gedicht met een (nu) confronterende titel:

 

MONGOOLTJE

 

Te grote muts.

Men lispelt,

hand in hand,

woordjes van liefde.

 

Innig en ver

speelt urenlang

een mechaniek,

 

een spreeuw vliegt op.

Hij is zo eenzaam

dat hij dat komt zeggen.

 

Ik zie dat toch

een soort vertrouwen

hem beweegt,

 

de tuin lijkt voller nu

met rozen,

 

de boze liefde

valt in bladeren

uiteen.

 

Opnieuw drie instanties hier: een ‘ik’ kijkt beter naar ‘hem’ dan ‘men’. Zich distantiërend van de ‘boze liefde’ van een goegemeente die lispelend de rijen sluit (‘hand in hand’), kijkt de ik voorbij de buitenkant (‘ik zie toch’). Geen zoete broodjes (het titelwoord lijkt me afkomstig van hen) maar samen tijd doorbrengen creëert wederkerigheid. Opnieuw ontstaat saamhorigheid zwijgend, via gedeelde eenzaamheid. Wie verschil of beperking laat bestaan, schept ruimte voor gezamenlijke ervaring. Precies dat verandert de werkelijkheid, die pas tot bloei komt als de teflonlaag van sociale clichés is opgelost.

 

Giel/Guillaume

Portretteerde de dichter van ‘Mongooltje’ haar broer? In de bundels uit deze tijd nam Daey Ouwens het gedicht (titelloos!) op tussen allerhande teksten over haar mijndorpsgezin. De haan mept op de stenen (1995) tekent op: ‘mijn moeder droeg een witte schort / waaronder twaalf kinderen’, terwijl Tegen de kippen en de haan (1995) is opgedragen aan ‘Annie Martje Elsje / Giel Har John / Maril Pim / Karin Wieke Juudje’. Dit elftal plus de schrijver maakt twaalf. De vierde naam, het vijfde kind, de eerste jongen: Giel – dat moet de roepnaam zijn van Guillaume, titelheld van Daey Ouwens’ jongste, tiende boek. Ook met hem is er iets bijzonders. Wat precies, wordt nergens expliciet. Begrijpelijk, want elk etiket zou de verlangde saamhorigheid verbreken. Zeker medische labels stigmatiseren: wie diagnosticeert, observeert en stapt dus buiten de cirkel.

Toen ik om Guillaume te plaatsen Daey Ouwens’ eerder werk (her)las en stuitte op Een cirkel van saamhorigheid, dacht ik te ‘ontdekken’ dat ze een broer heeft gehad met trisomie 21, de medische term voor een syndroom dat we tot voor kort ‘mongolisme’ noemden. Naast speculatief was mijn eureka paradoxaal. Enerzijds slingerde het m-woord me uit mijn lectuur, omdat ik Guillaume nu las met een medische blik. Anderzijds kreeg mijn betrokkenheid een impuls, gezien mijn eigen ouderschap van een kind met Down’s. Deze paradox probeer ik sindsdien te kraken door oog te krijgen voor wat Daey Ouwens in Guillaume precies doet. Twee elementen springen er voor mij uit: haar kritiek op de blik van de Vader, en de spectaculaire vormgeving van haar poëtische schriftuur.

 

Doorbraak – door wat?

Om Guillaume te leren lezen, stap ik terug in de (hermeneutische) cirkel van haar oeuvre. Daarmee is momenteel iets aan de hand. Vorig jaar namelijk, dertig jaar na haar debuutboek, is Kreek Daey Ouwens doorgebroken. Gebroken door wat? Door een grens, een vorm, een conventie. Al enige jaren was deze auteur iets op het spoor, af te zien aan haar accelererende publicatietempo, maar toen ze vorig jaar met twee nieuwe poëziebundels kwam, gebeurde er iets.

Het gaat hier niet om doorsnee ‘rijp’ werk, of om wat critic Edward Saïd late style noemde: de virtuoos herhaalt nog éénmaal zijn kunst, maar vrijer want onthecht. Nee, het gaat hier om een dichter die betrokkener dan ooit doorstoot naar een geladen soort vrijheid; een open vorm, buitgemaakt op een leven lang poeren en ploeteren in dezelfde donkere materie. Als een mijnwerker in de taalschacht? Recensiemetaforiek misstaat het antischreeuwerige, onborstkloppende werk van Daey Ouwens. Het is schuchter, intiem, solitair op het wankele af. Boektitels als Kinderbed (2003), De achterkant (2009), Ik wil in mijn huis een raam ik wil het raam dichtdoen (2016) en Oefening in het alleenlopen (2017) tekenen de naar binnen gerichte blik van een dichter die primair lijkt te schrijven voor zichzelf. Dit werk grondig lezen voelt als indringen – gewelddaad haast – in de breekbare kijkdoos van een jeugd. Behalve mijn respect lag daar lang mijn ongemak met dit werk.

Haar beide bundels uit 2020 namen dit gevoel weg. Heeft Daey Ouwens het fundament van haar echoënde schrijverschap bereikt? Of ligt het aan mij, ouder geworden lezer? Waarschijnlijk allebei, en raakt Guillaume me door zijn titelheld en de aandacht van de dichter voor uitsluitingmechanismen die ze verafschuwt maar onderkent en zichzelf aanrekent, zij het niet zonder verlangen naar de radicale inclusie die haar werk altijd al zocht ten aanzien van wat kwetsbaar is. Sympathiseerde zij steevast met kind en dier, in haar nieuwe werk bindt Daey Ouwens de strijd aan met de krachten die onderdrukken. In Guillaume haalt ze daartoe haar tot nog toe verdekt opgestelde vader naar voren, terwijl ze de patriarchale macht in het net eerder verschenen Echo echo al als tegenstander omcirkelt.

 

Eigen vorm

Poëzie geeft taal lading via nieuwe vorm. Als het goed is weten dichters deze zelf te smeden – Daey Ouwens is het nu gelukt. Wie haar debuutbundel Stokkevingers. Verhalen & gedichten vergelijkt met Echo echo, ervaart hoe hier letterlijk vorm is gevonden. Dat de laatste geen genre krijgt opgespeld, toont hoezeer poëzie en proza zijn vervloeid in een nieuwe stijl. Wie chronologisch leest, kan haar deze zien zoeken (en vinden). Daey Ouwens’ Verzameld werk is een dynamisch leesboek in wording.

Formeel gezien kent dit oeuvre drie fasen. Vanaf haar debuut wisselde ze proza en poëzie af. Rond 2000 vond fusie plaats: Kinderbed en De achterkant waren prozagedichten (de zetter bepaalde de kantlijn). Na haar VSB-nominatie viel een stilte – voor de storm, want na vijf boeken in twintig jaar, verschenen er vanaf Blauwe hemel (2014) vijf nieuwe, waarin Daey Ouwens de genres steeds beter weet te verenigen. Haar proza is poëzie geworden (of vice versa) – dit is vrij schrijven: literatuur.

Genereus uitgegeven, viert Echo echo deze triomf. Zonder genre-etiket gaat de vormgeving verder dan ooit. De traditie van het nieuwe die ze de afgelopen jaren opzocht – coproducties rond dadaïst Hans/Jean Arp (2016) en uitvinder Charles Cros (2018) – voedde Daey Ouwens’ experiment. Het titelwoord ‘echo’ moge wijzen op schatplicht, visueel staan de teksten zelfverzekerd op de bladzij. Tien reeksen van wisselende lengte baden in het wit. Twaalf pagina’s bevatten slechts één regel, de helft ervan telt één enkel woord. De extreemste bladspiegel (verso | recto) oogt zo:

 

 

68                                                        |           Rechts

 

 

Optisch verwant aan F. van Dixhoorn, die in Verre uittrap (2017) de rechterpagina leeg hield en De zon in de pan (2012) liet draaien om het refrein ‘om’ (en om en om), verbeeldt Daey Ouwens hier de semantiek van haar recto. Paginanummer links, plaatsaanduiding rechts – deze (anti)poëzie is lege drager. Toch is dit geen louter formalistische exercitie. Radicaliseerde Van Dixhoorn de collagetechniek door gevonden taalflarden via het ready-madeprincipe uit te stallen in de sacrale white cube van de poëziepagina, Daey Ouwens weet de witte ruimte te laten trillen. Eerder dan muurverf is haar wit een sneeuw, mist of wolk die leegte draagt, lucht – lichtheid waarin de woorden, losgemaakt uit een gebroken leven, uitrusten op de pagina. De monosyllabe ‘Rechts’ lees ik niet enkel als iconische plaatsaanduider, maar ook als voetafdruk van een passant.

De taalisolatie in Echo echo creëert naast verstilling iets tegenovergestelds: vaart. Zie je de woorden als stapstenen, dan lees je Echo echo (met 180 pagina’s veruit Daey Ouwens’ dikste boek) binnen een uur – hardop althans, want in stilte red je het in een kwartier. Tempoverhogend zijn de linkerpagina’s leeggehouden: enkel pagina 6 kent een woord (‘echo’!): verder blijft het bij tellen. Dit verleent de taal op de rechterpagina’s precisie. Je ogen houden rechts – je blik scherpt zich.

 

Persoonlijke politiek

Echo echo echoot andermans werk (naast Van Dixhoorn Beckett en Van Lier), eigen werk (woordgroepen uit eerdere bundels) en regels binnen de bundel zelf. Het woord ‘Huwelijk’ vult in zijn eentje pagina 115, 139 en 167, de laatste met ‘(2)’ respectievelijk ‘(3)’ erachter. Behalve echo, suggereren deze cijfers life writing. Volgens psychotherapeut Esther Perel beleven wij gemiddeld drie à vier lange relaties, sómmigen van ons met eenzelfde persoon. Daey Ouwens laat zien hoe haar lyrisch subject zichzelf levenslang echoot. Doordat ze haar kern in de kindertijd legt, is elke herhaalde handeling nagalm. Het leven klinkt almaar holler, de samenhang lost almaar verder op in het geruis van de wereld.

Het persoonlijke is poëzie, dichtte Hannes Meinkema ooit (1979). Zolang de wereld trekt, dient het leven telkens herbegonnen, opnieuw verteld en anders herinnerd te worden. ‘Er is maar één herinnering’, dichtte Daey Ouwens in 2016, ‘en die verandert telkens.’ De openingsregel van Echo echo luidt: ‘Opnieuw beginnen.’ Deze imperatief klinkt avant-gardistisch, maar niet op de geijkt disruptieve, masculiene manier. Cyclischer, seriëler, vraagt dit werk erom feministisch benaderd te worden – zo blijkt uit het gedicht dat direct volgt op ‘Rechts’. In 19 regels laat de verreweg langste tekst uit het boek een ‘dikke man’ echoën: ‘Rechts. Rechts. Rechts’. Deze leider (‘Hij steekt zijn hand op boven zijn land’) vertegenwoordigt de onderdrukking van vrouw en natuur. Als zijn eega Melania blijkt te heten, wordt Daey Ouwens’ persoonlijke poëzie plots politiek. Deze first lady leeft onder een knoet: ‘De kleren zijn van de dikke man. / Ook de spiegel is van hem. / De geborduurde lakens. / De bloemen in de vaas. // De koffie is van de dikke man. / Haar adem. / De rook in haar adem. / Het grote huis. / De straten. De stad. De wolken.’ Solidair spoort de dichter Melania aan haar rechtse nachtmerrie te beëindigen:

 

Melania zet een stap.

                       

                       Links!

 

Ze zet weer een stap.

Haar hakken tikken.

                       

                          Links! Links! Links!

 

De interpunctie (minder uit– dan oproeptekens) zet aan tot het vullen van de leeg gehouden pagina’s links. De poëtische ruimte raakt gepolitiseerd in een oproep tot een letterlijk linkse poëzie, die vorm moet krijgen als bevrijding van patriarchale bezitsdrang, de plunderzucht van de rechtse man. Na drie huwelijken (echo, echo) zal er daarom geen vierde komen:

 

Echo

Echo

Kamikaze!

 

Exclusieve onschuld

‘Echo Echo / Kamikaze’ – zo klonk het al aan het eind van Oefening in het alleenlopen, maar toen dus nog zonder oproerteken! Met elk nieuw boek zet Daey Ouwens een stap naar links. Een heuse sprong maakt haar tweede publicatie uit 2020, Guillaume. Gedichten. Het eerste gedicht daaruit (‘Een klein katje wordt geboren. / Het katje beeft. / Het katje denkt aan niets. / Bemint razend.’) geeft gevolg aan een oproep uit Echo echo: ‘Zeg toch iets! / Bemin razend!’. Overtuigd dat de natuur de mens te leren heeft, zoekt deze poëzie naar een intense samenlevingsvorm waaruit destructie is geweerd – naar ecosystemen van saamhorigheid.

Emancipatie en zelfstandigheid binden Daey Ouwens’ recente werk. Wrikt Echo echo de vrouw uit haar traditionele huwelijkse ondergeschikte positie, Guillaume voert de strijd terug naar de kern van haar literair universum: het nest. Haar gezin blijkt immers een lid te hebben gekend dat verdrukt werd op een nog fundamenteler manier dan het jonge meisje vanuit wie we Lindenheuvel altijd waarnamen.

De onderdrukker is dezelfde, maar nu helder benoemd: Vader. Met zijn hoofdletter is hij meer patriarch dan verwekker; de man met macht die het voor het zeggen en recht van spreken heeft. En recht van zwijgen, want juist zijn stilte eist interpretatie, omdat deze elk moment kan omslaan in geweld. Machtsongelijk is het zwijgen van het meisje een strategisch, opgelegd zwijgen – haar uitweg. Schrift, letterlijk (cahier) én figuurlijk (literatuur), is haar enig wapen en moet daarom geheim blijven. Dramatisch dus als het per ongeluk Vader onder ogen komt:

 

Open en bloot ligt het op de keukentafel.

Mijn schrift.

De zin springt je tegemoet.

De zin, die ik ooit moet hebben gehoord,

Die ik met mijn elf jaren onmogelijk had

Kunnen begrijpen.

 

Mijn vader heeft mij verwekt in een vlaag van waanzin.

 

Langs mijn rug kruipen kleine beestjes.

Langzaam maar zeker.

Ik kan niet anders dan blijven staan.

 

Het is nog maar een kind, zegt moeder.

 

In den beginne was er Vader. Dit kind voelt echter aan dat Zijn orde steunt op gebrek aan redelijkheid – eerder op onvoorspelbaarheid, onderdrukking, intimidatie, afwezigheid. Tegenover hem stelt Daey Ouwens haar titelheld op, die de pagina erop wordt geboren: ‘Vader gelukkig als nooit tevoren’ – blij omdat er na drie meisjes een jongen kwam. Na een dubbele witregel vervolgt de dichter: ‘Nu weet ik dat Waanzin een schuldig woord was.’ Niet Vader, Guillaume moet ‘waanzinnig’ (lees: ‘zwakzinnig’) heten, omdat hij zijn hoofd tegen de muur bonkt, waarna Vader hem vastbindt. Anders dan het lyrisch ik had Guillaume de euvele moed tegen Vader in te gaan – een ongelijke strijd waaraan de zus gevoelige pagina’s wijdt. Familiale thema’s als macht en geweld laat ze het biografische ontstijgen door deze cruciale disclaimer: ‘Mijn broers en zusters zullen een heel ander / verhaal vertellen’.

 

Een heel ander verhaal

Van Daey Ouwens’ heel andere verhaal is Guillaume de held: haar toonbeeld van verschil. In de eerste plaats voor Vader, die blijft willen dat hij kan leren (‘Guillaume naar de universiteit’), oreren (‘Kun je nou nog steeds niet praten!’) en renderen (‘hoge funktie   doktor     advokaat’). Maar Guillaume is geen verdienstelijk lichaam: sensorisch (‘Zijn tong is dik’) evenmin als verstandelijk (‘nooit een boek gelezen’) of sociaal (‘zichzelf aanbieden / als heftig’). In de blik van de zus is hij evenwel meer dan dat (‘Gelukzalig dansend met een dikke meid’). Anders dan Vader heeft zij oog voor beperking én mogelijkheid, voor verschil én gelijkheid: ‘We houden van onze broer    Ten diepste’. Dit klinkt zoet, maar het venijn zit in de meervoudsvorm. Kritische evaluatie van het gezusterlijke ‘wij’ tussen Vader en Guillaume in, maakt deze poëzie tot iets anders dan vergoelijkende postume hommage.

Guillaume bestaat uit vijf bedrijven, waarvan de eerste vier samen slechts een kwart van het geheel beslaan. Na het eerste bedrijf gaat de ‘ik’ op in een ‘wij’: andermaal verdwijnt de dichter in haar kindertijd, maar nu als deel van de meerderheid. Als één van Giels grote zussen beproeft ze haar macht, genadeloos als kinderen zijn, door hem wormen te voeren. Leeftijdsverschil en verstandelijk overwicht bepalen in- en exclusie uit de kindercirkel, die evenwel fundamenteel gelijk is in de onmacht ten aanzien van de ouders. Dat Guillaume het durft op te nemen tegen Vader, maakt hem de held van de kinderschaar.

Dramatische climax is het moment waarop Guillaume na een conflict het ouderlijk huis moet verlaten. Leek Daey Ouwens in haar debuutverhaal de schuld van dit familiale  trauma nog op zich te nemen (‘Nooit meer heb ik zo’n mengeling van gevoelens gehad’), inmiddels richt ze haar pijlen op de (machts)structuur waarin ze werd grootgebracht. Aan te veel anders-zijn bood haar arbeidersgezin uit de jaren vijftig-zestig uiteindelijk geen plaats. Is dat niet hoe het nu eenmaal ging, toen?

‘De vraag, of men een mongoloïd kind op den duur thuis zal houden of doen verzorgen in een inrichting,’ aldus dr. R. Vedder (‘Zenuwarts te Haarlem’) in Mongolisme (1962), ‘kan niet door het geven van een algemene regel worden beantwoord’:

 

Zoals ieder kind, heeft de m****** liefde en hartelijkheid nodig en moet hij beleven, dat hij door het milieu, waarin hij werd geboren, wordt aanvaard. Voor de wijze, waarop de omgeving hem tegemoet komt, is de m****** zeker wel gevoelig.

   Wanneer de situatie zo is, dat de ouders het kind niet accepteren, maar er een aversie tegen hebben, zoals dat nu en dan voorkomt, lijkt het beter het kind onder te brengen in een omgeving, die het welgezind is en waarvan men mag verwachten, dat deze het kind liefde zal geven.

   Maar wanneer de ouders en andere gezinsleden het kind volkomen aanvaarden, is geen enkele reden te propageren, dat het zo vroeg mogelijk in een inrichting dient te worden opgenomen. Integendeel, zo dit enigszins mogelijk is, moet dit vermeden worden.

 

Vedder legt de macht bij de ouders – in praktijk dus bij Vader. Pas toen moeders vanaf de jaren zeventig, vaak tegen artsenadvies in, het recht opeisten kinderen met een beperking zelf op te voeden, brokkelde de segregatie af die vanaf begin twintigste eeuw steeds vaster vorm had gekregen. Wat niet wil zeggen dat de schoen niet al die tijd al wrong. Moedig legt Daey Ouwens van dit wringen verantwoording af, door haar eigen normaliteit onder ogen te komen. Hoe onderdrukt zij zich ook heeft gevoeld door Vader, als kind zonder beperking stond haar positie binnen het gezin niet existentieel onder druk. Sterker, dr. Vedder adviseerde ouders zich juist in te leven in toenmalige brusjes als zij: ‘Het kan voor een kind een zware psychische belasting betekenen een dergelijk broertje of zusje te hebben.’

Validisme (de waarde van levens afmeten aan de normgroep) is hier medisch advies. Precies die diep ingesleten ongelijkheid legt Guillaume bloot. Door verschil niet te beperken tot klasse, leeftijd of gender, slaagt Daey Ouwens erin haar povere privileges op de pijnbank te leggen. Haar politieke wending uit Echo echo weet ze zo body te geven – te belichamen. Feminisme ontpopt zich tot strijd tegen alle vormen van onderdrukking, niet door menselijke verschillen te negeren, maar ze te gebruiken als afzetpunt voor verandering. Deze totaalcombinatie is wat Guillaume – experimenteel gedicht over de socialisatie van een twintigste-eeuws imheems arbeiderskind met een beperking – tot een doorbraak maakt in het Nederland van nu.

 

Afschrikwekkend of voorbeeldig?

Hij is zo eenzaam / dat hij dat komt zeggen’, stond er in ‘Mongooltje’. Inclusiever echoode Oefening in het alleenlopen twintig jaar later: ‘We zijn zo eenzaam dat we dat zeggen’. Daey Ouwens’ hoofdthema heeft een verrassend sociale functie: eenzaamheid articuleren opdat al wie is buitengesloten elkaar ontmoeten kan. Poëzie krijgt zo de opdracht cirkels van saamhorigheid te vormen, paradoxaal genoeg door de taal te laten stokken. Guillaumes (taal)ontwikkelingsstoornis maakte dat zijn aanwezigheid letterlijk niet vanzelf sprak; het kostte geen moeite zijn stem buiten de geschiedenis te houden. Van thuis naar tehuis – hij werd niet monddood geboren maar gemaakt. Dit verklaart waarom Daey Ouwens haar familiekroniek met juist die oerscène begon: Guillaumes exclusie als fundamenteel onrecht.

Monddood: zo oogt Guillaume op de omslagillustratie van Ineke van Doorn, een van de kunstenaars met wie Daey Ouwens vaker werkt. In de tweede helft van het boek tekent zij hem als natuurmens (met een eend, een poes, een katachtige, vogeltjes, een boom) of sprookjeswezen (omarmd door een fee, met kroontje, op een droomschip), maar telkens zonder mond – op een glimp van een lach op de slottekening na. Meer dan in de tekst verbeeldt Van Doorn hem als ander: soms afschrikwekkend, soms lieflijk, maar nooit inter pares, als vanzelfsprekend gelijke.

Ook in Daey Ouwens’ poëzie is Guillaume anders, zij het gedifferentieerd anders. Afschrikwekkend is hij vooral voor Vader, die met alle geweld het andere wil uitbannen en daarmee een moreel oordeel velt over Guillaume. Voor de ‘wij’ van de doorsnee kinderen hoort hij erbij, maar tót zijn uithuisplaatsing. Volwassen wordt hij buiten beeld. De kindercirkel van daarvóór is wat Daey Ouwens probeert te heroveren, door zich de interne conflicten te herinneren. Ruimte maken voor Guillaumes stem raakt dus aan wat Daey Ouwens onderzoekt sinds haar debuut: hoe klonk ik als kind?

 

Blanco schrift

Daey Ouwens’ herverbinding met de oerscène van haar schrijverschap maakt Guillaume aangrijpend en overtuigend. Het experiment van haar schriftuur krijgt naast een existentiële ook emancipatoire en dus politieke functie, ten dienste van meer dan de autobiografische documentatie alleen. Daartoe rekt ze de literaire ruimte nog eens op. Het vijfde bedrijf van Guillaume, dat driekwart van het boek beslaat, voert formeel weer een stap verder dan Echo echo. Negen van de 48 pagina’s ervan tellen slechts één regel. Liefst tien pagina’s hebben helemaal geen tekst: zes tonen Van Doorns tekeningen, vier pagina’s zijn compleet leeg gelaten – zelfs paginering ontbreekt. Op deze plekken toont het boek zich als blanco schrift. Dat Guillaumes zwijgen verbeeldt? Of om lezers te inviteren hun visie te geven op deze geschiedenis?

Opnieuw en-en. De maker van Guillaume staat haar enige wapen, haar schrift, af aan haar broertje dat zich ontaalvaardig moest handhaven in hun gezin. Meer dan de anderen stond hij openlijk bloot aan de destructieve krachten, niet enkel van zijn vader, maar van Vader in ideologische zin. Het schelst doet de masculiene macht zich gelden in de geschiedenis van Guillaumes seksualiteit. Deze dringt binnen via het bijpersonage ‘Meneer Wim’, die Guillaume meelokt naar het bos, daar op zijn minst zijn geslacht ontbloot, weliswaar wordt opgepakt, maar zijn slachtoffer dubbel gedupeerd achterlaat. Dra erna gaat het niet langer en wordt Guillaume uit zelfbescherming (zoals dat besmuikt heet) op de trein naar een tehuis gezet. Wrang toont deze episode hoe een patriarchale samenleving haar macht botviert op wie het meest van de norm verschilt. Des te mooier dat Daey Ouwens de tijd neemt om Guillaumes eigen seksualiteit te schetsen. Het stereotype van de hyperseksuele ander ontzenuwt ze met het roerende gegeven dat uitgerekend vader Guillaume begeleidt naar verschillende sekswerkers. Dit nuchter maar teder verbeelde kruispunt van gender, seksualiteit en disability lijkt me, zeker binnen de Nederlandstalige poëzie, een doorbraak op zich – een welkome update van Vasalis’ canonieke doktersblik.

 

Epiloog

Echo echo opende met de regels: ‘Opnieuw beginnen. / Opnieuw beginnen in een wereld die niet meer is / dan een emmer vuil bloed. / Wij spelen eromheen.’ Deze poëzie is het tegendeel van agressief, door in de finesses van de menselijke omgang ons geweld bloot te leggen. Erkenning daarvan is voorwaarde om het voortaan anders te doen. De epiloog van Guillaume eindigt daartoe met de includerende eco-regels: ‘Dezelfde zee / Dezelfde wind’.

Toch gaat er aan dit slot een regel vooraf waarin ik aanvankelijk taalgeweld ervoer van dichterlijke zijde – een regel die me althans als vader pijn deed:

 

Guillaume opnieuw geboren en dit keer goed,

 

Guillaume dus toch als iemand die ‘niet goed’ was? Zwicht Daey Ouwens hier alsnog voor het validisme waarmee mensen met een beperking al zo lang worden afgeschreven? Is deze regel geen voorbeeld van de ‘boze liefde’ waartegen ze zich juist verzette in het gedicht bij haar debuutverhaal?

In eerste instantie las ik het zo – gekwetst. Maar na veel tijd doorgebracht te hebben met dit boek, het oeuvre en zijn context (die de onze is), inclusief een magisch-realistisch bezoek aan Lindenheuvel, vond ik voor deze stigmatiserende lezing een alternatief. Aangespoord door de komma waarmee deze regel het wit entert, begrijp ik de leeg gelaten verdere pagina niet langer als plek waar de stem van Guillaume ontbreekt, maar als open plek voor nieuwe taal – voor mijn eigen schrift:

 

Guillaume opnieuw geboren en dit keer goed,

 

geen Vader meer die het beste verdient

maar met open ogen open armen

opnieuw begint en dit keer goed

zorgen dat wat nieuw oogt ten diepste

niet verschilt – saamhorig cirkelen

via kruispunten onder dezelfde lucht

 

zwemmen in dezelfde zee

 

 

Kreek Daey Ouwens, Echo echo. Uitgeverij Vleugels, [z.p.] 2020, 176 p.

Kreek Daey Ouwens, Guillaume. Gedichten. Wereldbibliotheek, Amsterdam 2020, 80 p.

Geplaatst op 11/12/2021

Tags: Echo Echo, Emancipatie, Guillaume, Ineke van Doorn, Kreek Daey Ouwens, Vaderfiguur, Validisme

Categorie: Poëzie, Recensies

Reacties

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.