Filosofie als geruststelling

Kairos. Een nieuwe bevlogenheid

Joke J. Hermsen

Net zoals in Stil de tijd (2010), behandelt Joke J. Hermsen (1961) in Kairos het vraagstuk van de tijd. Beide boeken beklemtonen de eenzijdigheid van de in het Westen gangbare tijdsopvatting, die de tijd voorstelt als een soort metronoom die – wat er ook gebeurt – gelijkmatig en onverstoorbaar doortikt. De tijd wordt gezien als een te berekenen grootheid die in een reeks homogene en van elkaar geïsoleerde partjes verdeeld is en die ons in staat stelt om van buitenaf gebeurtenissen te ordenen en in een berekende opeenvolging te gieten. In Stil de tijd betoogt Hermsen dat de tijd in die voorstelling iets uitwendigs blijft en gaat ze op zoek naar een beleving waarin de tijd onlosmakelijk verbonden is met de innerlijke ontwikkeling of ontplooiing van gebeurtenissen.

In Kairos probeert ze opnieuw de tijd van de chronologie en chronometrie te doorbreken: het tellen verschaft ons toegang tot slechts één aspect van de tijd, een ander wordt onthuld in de ervaring van de tijd als betekenisvolle kans of gelegenheid. Ze knoopt hiermee aan bij een oude traditie die teruggaat op Aristoteles: niet op diens Physica, waarin de tijd gedefinieerd wordt als ‘het getal van de beweging’, maar op diens Ethica Nicomachea, waarin niet de continuïteit van de chronologische tijd centraal staat, maar de discontinuïteit van de tijdelijke onderbreking, van het geschikte moment om te handelen en te spreken. ‘Kairos’ is het Griekse woord voor ‘het gepaste ogenblik’, ‘de goede gelegenheid’, ‘de geschikte omstandigheid’. Kairos wordt in de mythologie opgevoerd als een zoon van Zeus: net als Hermes heeft hij gevleugelde voeten, maar zijn hoofd is kaalgeschoren, op één lange lok na die over zijn voorhoofd valt; hij heeft zo’n merkwaardig kapsel, omdat degene die hem in een oogwenk ziet verschijnen, hem bij zijn haarlok vast moeten kunnen grijpen voordat het momentum vervlogen is. Als je te lang draalt, glijden je handen langs zijn kale schedel af en is de unieke kans verkeken. Hij representeert datgene wat je toe-valt, als je er voor openstaat en als je er tijdig bij bent.

Deze traditionele inzichten verbindt Hermsen met ideeën uit de moderne en hedendaagse wijsbegeerte: met reflecties over het enthousiasme uit de geschriften van Immanuel Kant, Friedrich Nietzsche en Jean-François Lyotard, en met bedenkingen over vrijheid en vernieuwing uit de geschriften van Ernst Bloch en Hannah Arendt. Wie de beslissing neemt om te beginnen, doorbreekt een patroon en slaat een bres in de tijd. Daartoe is een houding vereist die niet rekent, maar gelooft in het toekomstige – een houding ook die niet krampachtig vasthoudt aan het verwezenlijkte, maar die bevlogen en enthousiast het nieuwe aangrijpt.

Het is zonneklaar en behoeft geen betoog dat Hermsen een zeer boeiende problematiek ter sprake brengt. Maar de manier waarop ze die behandelt, vertoont nogal wat mankementen. Hermsen betrekt vele verschillende filosofen bij de uitwerking van haar gedachten, maar ze heeft de neiging om die allemaal hetzelfde te laten zeggen. Zo creëert ze de illusie dat die filosofen het volledig met elkaar eens zijn en gaat ze vele moeilijkheden uit de weg. Eigenlijk houdt Hermsen bovenal een pleidooi: voor verbeelding en bevlogenheid; ondertussen sneuvelen wel eens gedachten en argumenten. In haar bespreking van Arendts analyse van de menselijke activiteiten legt Hermsen de klemtoon op het scheppen van een kunstwerk, terwijl Arendts interesse uitgaat naar een politieke theorie. Beginnen is voor Arendt niet alleen een nieuwe compositie maken, maar vooral de wereld vernieuwen door te handelen. Het is eveneens opvallend dat Hermsen het zelden heeft over de gevaren van het nieuwe: noch over de gevaren van nieuwe, technologische uitvindingen (bijvoorbeeld de atoombom) die tot het domein van het maken behoren, noch over de gevaren van politieke vernieuwing (bijvoorbeeld de communistische revolutie). Het nieuwe is inderdaad een geschenk van Kairos, de god van het toeval. Dat wil zeggen: het nieuwe is altijd een kans en een dreiging. Ten slotte vermeldt Hermsen niet dat ook binnen een christelijke context een reflectie over de ‘kairos’ op gang kwam. In zijn brieven duidt apostel Paulus de terugkomst van de Messias aan als ‘de kairos’. Hier is eveneens sprake van een onontwarbare mengeling van geluk en dreiging: ‘de dag van de Heer komt als een dief in de nacht,’ luidt het in de eerste brief aan de Thessalonicenzen.

Maar, zoals gezegd, Hermsen wil niet zozeer nadenken als wel pleiten. Haar essays passen binnen een hedendaagse opvatting van filosofie: niet de verwondering of de kritiek vormen de drijfveer, maar het geven van toepasbare antwoorden en het oplossen van problemen. In de internationale filosofiewereld wordt dat type filosofie gepropageerd door bestsellerauteur Alain de Botton. De inspiratie van Socrates, die na een storm van vragen het antwoord schuldig bleef maar als een horzel het leven van de Atheners verstoorde, is ver weg. Het verlangen naar wijsheid heeft iets zeer geruststellends gekregen.

Links

De Arbeiderspers, Amsterdam, 2014
ISBN 9789029587907
310p.

Geplaatst op 10/06/2014

Naar boven

Reacties

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.