kortverhalen, recensie

Geestig en beangstigend

19 klauwen en een zwarte vogel

Agustina Bazterrica (vert. Irene Van De Mheen)

 

Het moet niet eenvoudig zijn als Argentijn kortverhalen te schrijven, zeker niet als ze tot het fantastische (of althans niet-realistische) genre behoren, in de schaduw van die twee grote tenoren Jorge Luis Borges en Julio Cortázar. Maar net als bij Samantha Schweblin, die steeds meer vermaardheid geniet in ons taalgebied, heb ik bij Agustina Bazterrica (1974, Buenos Aires) niet het gevoel dat ze hoegenaamd last heeft van deze loodzware erfenis. Ongecompliceerd en soepel schrijven ze erg korte en geserreerde verhalen, die de lezer niet zelden de stuipen op het lijf jagen. Het helpt misschien ook dat Bazterrica niet krampachtig probeert weg te lopen van de grote meneren uit het verleden, of boos wordt zodra hun namen vallen in een interview – ‘natuurlijk is er maar één Borges’, zegt ze in een interview met de Chileense krant La Tercera naar aanleiding van de Spaanstalige uitgave van 19 klauwen en een zwarte vogel, ‘er zal nooit een nieuwe Borges zijn, maar ik zal me altijd aan de literatuur wijden met dezelfde toewijding, ernst en uitmuntendheid als Borges.’

Cortázar noemt ze dan weer haar leermeester, wiens briljante verhaal ‘Brief aan een meisje in Parijs’ (uit de bundel Bestiario, 1951) als inspiratie diende voor haar verhaal ‘Roberto’. In Cortázars (typisch surrealistische) verhaal braakt de mannelijke ik-verteller konijntjes uit, kleine witte konijntjes, wat logischerwijs niet handig is; in Bazterrica’s hommage zit er een zwart konijntje tussen de benen van een meisje, ook een ik-verteller. Dat wordt onmiddellijk in de eerste zin meegedeeld: ‘Ik heb een konijn tussen mijn benen.’ Het konijn zou daar recent gegroeid zijn, aldus de verteller, die over de naam van het konijn zegt: ‘Ik noem hem Roberto omdat hij de vorm van een Roberto heeft.’ Dit is geestig, een voorbeeld van Bazterrica’s lichtvoetigheid. Al snel krijgt het verhaal een wending die typisch is voor Bazterrica: meester García, de leraar van de ik-verteller, toont interesse in het konijn tussen haar benen, wil dat wel eens van dichterbij zien, onder het geven van kusjes. Hij blijkt met andere woorden een pedofiel te zijn, tot hij zich de pleuris schrikt als het meisje onthult dat er daadwerkelijk een konijn in haar broek zit. Even snel als het verhaal begonnen is, eindigt het.

Zo bezien is ‘Roberto’ exemplarisch voor de bundel: een tot de verbeelding sprekend begin, een bizarre wending, een kritiek en parodie op het patriarchaat en ander problematisch gedrag van mannen, een banale setting in combinatie met surrealisme, een heldere stijl, humor, horror (of althans iets angstaanjagends of duisters, zoals een pedoseksueel). Ziedaar de vaste ingrediënten van Bazterrica voor de negentien verhalen van deze bundel, al zijn er natuurlijk enkele verhalen die niet helemaal in deze mal passen.

 

Libel versus kerk

Zo is er bijvoorbeeld ‘Architectuur’, een hoogtepunt, dat niet veel meer behelst dan de beschrijving van een gotische rooms-katholieke kerk plus de toevallige passage van een libel in die kerk. Ik schrijf ‘niet veel meer’, maar het is onwaarschijnlijk hoeveel Bazterrica hier op de korte baan presteert. Ze weet de kerk op magnifieke wijze tot leven te wekken:

Een horde gebeden kruipt uit de biechtstoelen en de banken. De kerk is een enorm vat met woorden als kreten, vol brokstukken van de ziel, van de tijd, van lege kristallen. Ze hangen in de lucht, als matte lichtjes, wachtend op de onbevlekte absolutie. Miljoenen woorden samengeperst in de ruimte, met de trage bewegingen van een groot insect, zoeken de verlossende blik van Christus in majesteit.

Tegenover al de pracht en praal van de kerk, de tijd en de geschiedenis die de lucht vult, staat plotseling een libel. Hij kijkt de Verlosser in de ogen, maar die ‘heeft alleen aandacht voor het boek met de zeven zegels dat hij in zijn handen houdt, gespitst op de blik van de kerkvaders, zich bewust van het belang van de troon waarop hij wordt aanbeden, bewonderd door de eindeloze stroom martelaren die in zijn naam het leven lieten, moe van alle woorden.’ De libel zorgt voor een breuk in de eeuwigheid van de kerk: ‘Met zijn trilling veroorzaakt de nachtlibel een krachtig niets dat zich in de muren, in de architectuur nestelt.’ Het wordt langzaam maar zeker duidelijk dat de verteller de libel als waarheid postuleert tegenover de hypocrisie van de Kerk, die wordt gesymboliseerd door de majesteit van de kerk. ‘Al die woorden die verlossing zoeken zitten vast in de bevroren ruimte, in het statisch vierkant, gekroond met Christus in majesteit, Christus Pantocrator. Niemand kan daaruit ontsnappen, zelfs God niet.’ Zelfs God niet – de Kerk wordt ontmaskerd als leugen, als façade. In het hierboven geciteerde interview met La Tercera stelt Bazterrica dat ze weinig opheeft met georganiseerde religie, al bewondert ze de schoonheid van gotische kerken; ze gelooft in een levensbron die alles doordesemt, en die ze Liefde noemt. Maar de grote religies verhinderen een authentiek contact met die levenskracht, aldus Bazterrica. De God van het Christendom staat mijlenver af van de God van Liefde waarover Jezus van Nazareth het had. Het is indrukwekkend wat Bazterrica op vijf pagina’s klaarspeelt met de merkwaardige juxtapositie van een kerk en een libel.

Even origineel is het verhaal ‘De traagheid van genot’, waarin een vrouw een soort van orgasme bereikt door naar een schilderij te kijken van een vrouw op een boot in roerloos water. De scène spreekt haar enorm aan. Het proza is lyrisch, mysterieus, sensueel:

De zwarte boot mag dan niet bewegen, mag dan vast lijken te zitten in het riet, maar zij op het lichthouten bankje begrijpt dat die roerloosheid niet de dood is, noch de stilte, de kou of de vrouw. De roerloosheid maakt deel uit van de ademhaling van het landschap, zit in haar op dezelfde manier als ze in het schilderij, de bevroren vogels, de roerloze rietstengels en het zwarte water zit.

Alleen zittend op een bankje in een museum gaat de vrouw helemaal op in de trance van het schilderij, ‘ze huivert met een traagheid die alleen genot vermag, zonder ooit op te houden, zoals op een rivier, in een boot’. Als Bazterrica iets in haar handen neemt en blaast, volgt er meestal muziek.

 

Een blik achter de sluier

Maar anders dan in deze twee voorbeelden bevatten de meeste verhalen een akelig plot, of houdt zich althans iets duisters op in de achtergrond. ‘Ik moet bekennen dat ik naar het duistere tendeer’, zegt ze in het al eerder aangehaalde interview met La Tercera, al houdt ze niet van het horror-etiket dat haar vaak wordt opgeplakt. Maar ze benadrukt tegelijkertijd het realistische aspect van haar verhalen en romans: altijd zijn ze geworteld in de dagelijkse realiteit die ons omringt. Ze vertrekt graag van de realiteit en rekt die vervolgens op, maakt een sprong, om te laten zien hoe de horror op elk moment in het verschiet ligt. Ze noemt haar verhalen ‘cuentos de quiebre’, van het werkwoord ‘quebrar’, breken, stukgaan. Over onze samenleving hangt een ‘sluier van beschaving’, aldus Bazterrica, die elk moment kan verbroken worden. Het doet denken aan Freuds theorie van het laagje vernis dat de moderne mens over zijn gevaarlijke impulsen heeft gelegd om samen te kunnen leven met andere mensen. Achter de façade loeren donkere krachten. Zo kan de titel overigens ook verklaard worden: de klauw verscheurt de sluier van de beschaving.

Vandaar dat Bazterrica’s verhalen vaak een nogal banale situatie presenteren, om vervolgens een onverwachte wending te nemen. Zoals het eerste verhaal ‘Unamuno’s dozen’, over een vrouw die een taxi neemt en na een poosje geïntrigeerd raakt door de zorgvuldig geknipte nagels van de chauffeur. Ze begint te fantaseren, stelt zich voor dat hij een particulier soort van ontvoerder en moordenaar is, dat hij zijn vrouwelijke slachtoffers baadt en verzorgt voor hij ze vermoordt, zodat het niet zo erg aanvoelt. Een sadomasochistische fantasie. Of neem het verhaal ‘De eenlingen’, waarin een vrouw een nachtelijke metro neemt maar vast komt te zitten en moederziel alleen door een ondergrondse tunnel terug tot in de bewoonde wereld moet zien te geraken.

Er hangt een dreiging in de lucht, zeker omdat een vage landloper haar aan het begin van de rit had toevertrouwd dat ‘ze op jou aan het wachten’ zijn. Het verhaal eindigt als een ware nachtmerrie. Tweemaal is het vertrekpunt dagdagelijks (een taxi- en metrorit), tweemaal neemt het een vreemde wending. Hoewel, vreemd? Bazterrica voert in het interview met La Tercera aan dat femicide nog steeds een doodnormale gebeurtenis is in Latijns-Amerika. Een vrouw die alleen een taxi of metro neemt, vooral ’s nachts, is tragisch genoeg een perfect logische premisse voor een horrorverhaal.

Een kritiek die je overigens zou kunnen uiten tegen deze twee verhalen is dat ze net iets te kort zijn, dat Bazterrica zich er te gemakkelijk van afmaakt. Ze voelen licht aan: de laatste zin is als een trucje, een jumpscare om de lezer af te leiden van het feit dat het verhaal meer bot dan vlees was. En bij sommige andere verhalen is de algehele toon soms wat jolig, op het hinderlijke af, wat het verhaal iets vrijblijvends geeft.

Schijn en werkelijkheid

Maar gelukkig schiet ze meestal wel raak. Ze is op haar best in ‘De doden’, waarvan de eerste zin luidt: ‘Alle doden gaan naar de maan.’ Een dochtertje (opnieuw een ik-verteller die een onopgesmukte taal hanteert) wil haar gestorven moeder vervoegen, die haar roept vanop de maan:

Mama is op de maan. Ik mis haar. Ze roept me en zegt steeds, ik wil dat je hier komt, want ik ben bang voor de doden. Ze zegt dat ze allemaal naar iets kijken. Sommigen kijken en kijken, maar het is alsof ze niets zien, alsof hun ogen vol zitten met niets, maar anderen kijken boos, zo boos dat mama ervan moet huilen en me roept.

Een sterk beeld. De dochter wil zichzelf in stukjes snijden met een mes, om uiteindelijk bij haar mama terecht te komen. Ook tekenend voor personages van Bazterrica: vaak zitten ze in hun eigen realiteit, lijken ze moeite te hebben om werkelijkheid en fantasma’s van elkaar te onderscheiden. Zoals ‘Anita en het geluk’, waarin een nogal simpele man, Pablo, ervan overtuigd is dat zijn vriendin een buitenaards wezen is, omdat hij haar gedragingen zo vreemd vindt (uit zijn beschrijvingen valt op te maken dat Anita ietwat autistisch is). Aan het einde van het verhaal is het onmogelijk te weten of hij het bij het juiste eind heeft of raaskalt. Bazterrica zelf zorgt voor een feministische interpretatie: mannen kunnen in die mate niet om met vrouwen die niet op conventionele wijze vrouwelijk zijn (en voldoen aan het ideaalbeeld van het patriarchaat: knap, onderdanig, sensueel, elegant) dat ze nog eerder zouden geloven dat hun vriendin een alien is.

‘Elena-Marie Sandoz’ gaat dan weer over een personage dat een bizarre obsessie ontwikkelt met een welbepaalde cameo van een actrice in een oude film. De nog levende en rondlopende actrice bezoedelt volgens dit personage de perfectie van die cameo; daarom zet ze die aan tot zelfmoord. Een verhaal dat opnieuw als hommage kan worden gezien aan Cortázar en diens ‘We houden zo van Glenda’, over een groep fans die een obsessie ontwikkelen met een actrice en de originele prints van films aanpassen.

Ook interessant is hoe Bazterrica het gesuikerde Hollywoodnarratief over de prins op het witte paard en de volmaakte liefde hekelt, net als het fenomeen van de vrouw die denkt dat het leven geen zin meer zal hebben als haar minnaar haar verlaat. Zo is er bijvoorbeeld ‘Zuurstokroze’, over een vrouw die depressief is omdat haar vriendje haar verlaten heeft en zichzelf een stappenplan dicteert om wraak te nemen, een geestige weergave van hoe liefdesverdriet in waanzin kan uitmonden.

Of ‘Afwasmachine’, Bazterrica’s favoriete verhaal, waarin de vrouwelijke protagonist zich afzet tegen haar moeder en haar vriendin (die haar aanmanen om een vriendje te vinden) en erin slaagt alleen overeind te blijven. Jane, zoals de protagonist heet, woont in Manhattan en heeft het gevoel dat het licht daar haar brein ‘perforeert’ – iets wat de dokter niet begrijpt, zodat hij haar maar valium voorschrijft. Alle wegen leiden naar die valium, maar uiteindelijk zet Jane het glas met water en valium in de afwasmachine, die ze in een impulsieve bui gekocht had.

 

Mannen huilen niet

Eindigen doen we met lof voor het verhaal ‘Geen tranen’, over een man die er zijn specialiteit van gemaakt heeft mensen tot lachen aan te zetten op begrafenissen, omdat hij een hekel heeft aan tranen. Die roeping gaat ver terug in de vaderlijke tak van zijn familie: ‘Uiteraard werd ik door mijn vader getraind om tranen te vermijden. Die van mij en de anderen. Beiden lieten we ons erop voorstaan dat we nog nooit gehuild hadden. Nimmer.’ Opnieuw zitten we in het vermakelijke hoofd van een zonderlinge figuur, die zijn krankzinnigheid zeer ernstig neemt. Het verhaal gaat over de strijd van deze man met een vrouw die eruitziet als ‘zo’n vogel met amper nog veren of puf om te vliegen, zo’n vogel die een vreemde mengeling van medelijden en afkeer oproept. Een gekortwiekte adelaar.’ Het is de roeping van deze vrouw om mensen op begrafenissen samen met haar te doen huilen (‘Ik ben hier om te huilen en ik huil niet graag alleen’); ze is volgens de ik-verteller dus op ‘oorlogspad’. De premisse klinkt louter humoristisch, maar het proza stijgt bij momenten op naar poëtische hoogtes, zoals wanneer de ik-verteller een overwinning behaalt op zijn nemesis:

[…] toen ik aanstalten maakte om als een goede jager mijn prooi op te halen, voelde het alsof ik met majestueuze vleugels over die lijdensweg van arme stakkers vloog. En zij was een door het slijk gehaalde muis, bibberend van de kou, op de rand van de waanzin. Mijn vlucht was vol en absoluut omdat hij alles omspande, ook haar, en dat gaf me een genoegen zonder vorm omdat het alle vormen omvatte, en zonder woorden omdat alle woorden erin zaten.

Precies daarin zit de waarde van Bazterrica: het maken van een synthese van banaliteit en surrealisme, humor en horror, proza en poëzie. En als ze feministisch uit de hoek komt, is het altijd subtiel; haar maatschappijkritiek is geen lesje maar gaat op in het verhaal. Je kunt het ook niet zien. Bovenstaand verhaal zou je bijvoorbeeld kunnen lezen als een parodie op de moeilijkheid van mannen met huilen en het tonen van emoties – maar Bazterrica’s verbeelding verheft dat thema tot iets groots. Schrijf Bazterrica maar op als vaste waarde, als u dat nog niet gedaan had.

Meridiaan Uitgevers, Amsterdam, 2026
ISBN 9789493486041
159p.

Geplaatst op 23/10/2026

Categorie: kortverhalen, recensie

Naar boven

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.