Proza, Recensies

Geschiedenis herschrijven

A.D.

Gustaaf Peek

De geschiedenis is een kluwen verhalen die we gebruiken om betekenis te geven aan het heden, en hoe verder we van dat verleden vandaan raken, hoe vrijer we er mee om kunnen springen. Door ons continue gewroet in die verhalenbrij, waarbij we de gebeurtenissen op basis van ons steeds verschuivende perspectief telkens weer anders reconstrueren en interpreteren, verandert alles wat we in de achteruitkijkspiegel zien van kleur en vorm. Hele historische periodes kunnen in een handomdraai worden ontdaan van hun complexiteit en worden teruggebracht tot standaardvertellingen en clichés. Afhankelijk van wie je het vraagt waren de oude Grieken ofwel de oorspronkelijke hoeders van kennis en schoonheid, of gewoonweg krijgszuchtige slavendrijvers. En de middeleeuwen, waren dat stikdonkere jaren waarin de op een dwaalspoor gebrachte mens snakte naar de Verlichting, of, zoals Michel Foucault suggereerde, juist een tijd van uitzonderlijke persoonlijke vrijheid?

Vooral in de politiek zetten mensen met enige regelmaat de geschiedenis naar hun hand, vaak met schrijnende en ongure resultaten. Denk bijvoorbeeld aan Jan Peter Balkenende, die in 2006 als minister-president van Nederland probeerde een economisch optimisme aan te wakkeren door terug te grijpen op het imperialisme en kolonialisme van weleer: ‘Laten we blij zijn met elkaar! Laten wij optimistisch zijn! Laten we zeggen: Nederland kan het weer! Die VOC-mentaliteit, over grenzen heen kijken, dynamiek! Toch?’ Ook nationale identiteiten berusten deels op de verhalen die we onszelf over het verleden vertellen, en de keuze voor specifieke vertellingen verraadt wiens beleving als leidend wordt beschouwd, en wiens leed daarmee wordt verdoezeld.

Er bestaat een duidelijke verwantschap tussen de geschiedkunde en de literatuur, zoals de Amerikaanse historicus Hayden White reeds aankaartte: beide disciplines houden zich bezig met het rangschikken van gebeurtenissen, het condenseren en stileren van verhalen, het omzetten van ervaring in taal. Maar sinds Sir Walter Scott (1771–1832) zich met Waverley (1814) als romancier op het terrein van de historici begaf, staan de twee op gespannen voet met elkaar. In die frictie schuilt volgens de Britse letterkundige en filmwetenschapper Jerome de Groot ook het uitzonderlijke kritisch potentieel van de historische roman. Zo stelt hij in de uitmuntende studie Remaking History (2015) dat hedendaagse schrijvers als Hilary Mantel en Ian McEwan zich wenden tot het verleden om kritiek te leveren op de algemeen aanvaarde geschiedschrijving en de nationalistische mythes van het heden:

 

Hence, historical novels can critique the hegemonic structure of a totalizing, explaining history. They challenge a deeply ideological sense of temporal identity, challenging hegemonic structures of knowing the now. The strategies inherent in knowing, enacting, and constructing official versions of history are laid bare by the effects of historical novels which attempt to hold within them the actuality and the authority of history, but always, always know, deep down, that they are fabrications.

 

A.D., de vijfde roman van Gustaaf Peek (1975), sluit naadloos aan bij deze tendens; naast een artistieke triomf is het een hoognodig antidotum tegen de nog altijd gangbare romantisering van ‘de VOC-mentaliteit’.

 

Geweld op zee

Het jaar des Heren waar de titel naar verwijst is – blijkens de flaptekst – 1597. De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden is dan nog geen tien jaar oud, maar toch wordt er al over de grenzen gekeken en gezocht naar territoriumuitbreiding. De Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC) en de West-Indische Compagnie (WIC), de koloniaal-imperialistische megabedrijven die Nederland welvarend maakten met specerijen- en slavenhandel – met gewelddadige onderdrukking en uitbuiting, kortom – bestonden nog niet; ze zouden pas respectievelijk vijf en vierentwintig jaar later worden opgericht. Wel was de eerste bootexpeditie via Zuid-Afrika naar Indonesië, de zogenaamde ‘Eerste Schipvaart’, precies dat jaar teruggekeerd na bijna dertig maanden op zee te zijn geweest. De koloniale handelsroute is net zo’n beetje uitgestippeld maar nog niet werkelijk geplaveid; het avontuur lonkt, weelde wellicht ook, al is de operatie bepaald niet vrij van gevaar.

A.D. begint op een zeilschip dat vanuit Middelburg is vertrokken naar Indonesië, en daarop zal ook het merendeel van de roman zich blijken af te spelen. Peek plaatst de lezer dus meteen in een tussengebied: de handeling speelt zich geografisch grotendeels af tussen Nederland en Indonesië in, maar op historisch gebied markeert deze expeditie ook de overgang van het prekoloniale naar het koloniale tijdperk.

Dergelijke breekpunten konden eerder al op de belangstelling van deze schrijver rekenen: Peek publiceerde twee historische romans over de Tweede Wereldoorlog, Armin (2006) en Ik was Amerika (2010), waarin beide zijden van het conflict elkaar ontmoeten via de lotgevallen van individuen. Daarna brak hij door met de omgekeerd vertelde liefdesgeschiedenis Godin, held (2014), waarvan vooral de bijzondere opzet en de uiterst zintuigelijk weergegeven erotiek veel aandacht trokken.

Dat lichamelijkheid en perceptie in A.D., net als in Peeks vorige roman, het primaat hebben, wordt al duidelijk op de eerste bladzijde: het boek opent met een gedetailleerde beschrijving van het moment waarop een rotte kies van een van de bemanningsleden wordt uitgesneden met een mes. Nee, de schrijver heeft niet voor het genre gekozen om met de kennis van het heden de geschiedenis uit te leggen of rationeel te analyseren hoe het allemaal misging – hij probeert de beleving van mensen invoelbaar te maken door te reconstrueren hoe zij de wereld van toen letterlijk aan den lijve ondervonden.

De kleine wereld van het schip wordt in ieder geval gekarakteriseerd door chaos, gevaar en wreedheid. De mensen aan boord weten niet waar zij precies naar op weg zijn of hoelang hun reis gaat duren, ze weten niet waarom een deel van hen ziek wordt en of ze genezen kunnen worden. De maatsen en matrozen krioelen door elkaar, over het dek en in het want, en moeten de boot maar drijvende zien te houden. De passagiers wachten af, hopend dat ze de overtocht kunnen maken zonder ten prooi te vallen aan infecties of aan diefstal, biddend dat de voedselvoorraad niet onverhoeds op zal raken.

Er mag dan wel een provoost zijn, ‘een beest, een zwijn met een staf’, maar de wet van het vasteland wordt op zee een stuk minder goed nageleefd. Men draagt messen en is niet bang ze te gebruiken – veel van de opvarenden hebben niets te verliezen dan hun leven. Op het dek hangt daarom voortdurend een dreigende sfeer; ieder opstootje wordt door de bemanning beschouwd als een mogelijke doorbreking van de monotonie, ieder vals woord kan uitmonden in een dodelijke vechtpartij.

Een van de opvallendste aspecten van A.D. is dan ook de alomtegenwoordigheid van excessieve menselijke wreedheid. Al in het eerste hoofdstuk van het boek wordt een langsvarende jongen ruw aan boord gehaald, misleid en ter vermaak van de bemanning aan de haaien gevoerd. Verder is er nog een bloederige slag met een groep oorspronkelijke bewoners, een binnengehaalde vis die levend aan stukken wordt gesneden, tot slaaf gemaakten die uit onverschilligheid maar in zee worden geduwd en een zwangere vrouw die met kind en al gedood wordt, allemaal even afschuwelijk onomfloerst beschreven.

Daarnaast lijken de publieke bestraffingen van maatsen die stelen of schelden voortdurend uit de hand te lopen; het merendeel van de ongelukkigen dat gekielhaald of ondergedompeld wordt, brengt het er niet levend vanaf. Een gruwelijk voorbeeld van Peeks beschrijvingsdrift op dit gebied is de berechting van Siem, die, zo valt terloops op te maken, enkele lastiggevallen vrouwelijke passagiers wilde beschermen en daarbij iemand om het leven bracht. Zijn lichaam wordt aan een touw naar de ra gehesen, zijn voormalige medestanders zien verlekkerd toe hoe hij in zee wordt gestort. Maar dan wordt de veroordeelde weer boven water gehesen:

 

Z’n kruin is zichtbaar, maar iets aan de buitenhuid heeft hem vastgegrepen, hij komt niet los. Er springen maats bij, Kleine schreeuwt dat ze moeten oprotten, maar het werkt, ze slepen hem vrij. Bloed sproeit op het water, de zeepokken hebben hem te pakken gekregen. Hier en daar vallen maats voorover om te kotsen, ze morsen en spatten op sukkels dichtbij, het veroorzaakt ruzie.

            Kleine en die andere gekken tillen Siem te hoog en bloed regent op de maats, het dek begint rood en zuur aan hun voeten te kleven.

 

Bij nadere inspectie blijkt dat Siem een als man verklede vrouw was. Nadat het lichaam spottend betast is, wordt het in het water geworpen.

De geconcentreerde, meedogenloze wijze waarop Peek geweld verbeeldt en de enorme hoeveelheid bloed die in A.D. wordt vergoten, laten zich binnen de Nederlandse letteren lastig vergelijken, maar doen onwillekeurig denken aan Blood Meridian (1985), de ontzagwekkende, ultragewelddadige western van Cormac McCarthy (1933). In beide romans is er geen sprake van verheerlijking van geweld, maar wordt de wreedheid die het gevolg is van een specifieke sociopolitieke situatie uiterst onderkoeld geboekstaafd. Ze beschrijven de gruwelen die plaatsvinden wanneer de condities voor (mede)menselijkheid worden weggenomen, en lezen daarmee uiteindelijk vooral als waarschuwingen. Net als McCarthy benadrukt Peek voortdurend de chaos die transgressieve gewelddaden omringt: ze lijken meestal uit de lucht te komen vallen, op te vlammen en uit te doven zonder werkelijke reden, en zelfs de betrokkenen lijken in hun bloeddorstige roes maar half door te hebben wat er precies gebeurt.

 

Perspectief en stijl

Die ontregeling wordt bewerkstelligd door een uitzonderlijk vertelperspectief. A.D. is namelijk een roman zonder hoofdpersoon. De verteller van dit boek bevindt zich niet in het verhaal, maar zweeft als een helikoptercamera of een drone boven het schip en kijkt steeds over de schouder van een ander personage mee. Door de voortdurend verspringende focalisatie word je als lezer blootgesteld aan een groot aantal perspectieven – Peek wisselt soms wel twee keer op één pagina van personage.

Er wordt in A.D. geen gewoonte van gemaakt om romanfiguren uitgebreid te introduceren, dus het vergt enige concentratie om alle personages uit elkaar te houden en de zwenkingen van de verteller te volgen zonder gedesoriënteerd te raken. Al lezend probeerde ik aanvankelijk bij te houden in wiens huid de schrijver allemaal voor even of voor langere tijd kruipt, wat zorgde voor een waslijst aan namen die niet bijster veel overzicht opleverde: Jacob, Coen, Nel, Pieter, Jan, Gijs, Willem, Kryn, Aert, Siem, Geesje, Lys, David, Lew, Lucas, Fredrick, Agaath, Beer, Martha en dan heb ik er ongetwijfeld nog een aantal gemist. Voor ieder van hen wordt de derde persoon gehanteerd, maar de innerlijke ervaring dringt voortdurend door in de meer afstandelijke, uiterlijke beschrijving: vlagen van de herinneringen, gedachtestromen en reflecties van tientallen personages mengen zich op overtuigende wijze met de vertellerstekst en geven zo blijk van het enorme psychologische en empathische bereik van deze schrijver.

Peek doorbreekt zijn vertelprocedé slechts voor één uitzonderingsgeval. Bijna op een kwart van de roman schakelt hij over op de tweede persoon wanneer hij een sleutelfiguur introduceert. Aan boord bevindt zich ook een zwarte man, ooit tot slaaf gemaakt maar op een gegeven moment samen met een kameraad vrijgekocht door de kapitein van het schip. Ze kregen de namen Balthazar en Nicolaas, werden heropgevoed, gedisciplineerd en getraind totdat zij twee uitmuntende en onafscheidelijke krijgers waren. ‘Je was met twee’, staat er, want die broederband ging verloren toen Balthazar werd gedood. Nu is er alleen nog Nicolaas, de schrik van de bemanning, die in hem een ‘duivel’ zien, en niemand lijkt zijn eenzaamheid te kunnen doorbreken.

Omdat de schrijver hier de tweede persoon gebruikt, en die telkens wanneer Nicolaas verschijnt blijft gebruiken, wordt dit personage dichterbij gebracht dan de anderen. Hij is door zijn bewogen geschiedenis een van de meest intrigerende figuren op het schip, maar hij lijkt daarnaast een zekere symbolische functie te vervullen: niet alleen is Nicolaas de meest ontwortelde op een schip vol ontwortelden, hij is als vrijgemaakte ook het personage wiens bestaan het meest gevormd en getekend is door het Nederlandse koloniale imperialisme, dat zich in 1597 pas net aan het ontrollen is.

Naast de innovatieve vertelvorm is het de uitbundige stijl die A.D. het meest karakteriseert. Peek schrijft extatische zinnen die almaar blijven doordenderen en zich, voortgedreven door een koortsachtig ritme, soms uitrekken tot enorme alinea’s. Hij schakelt razendsnel van aardse naar verheven registers, benadrukt de muzikaliteit van zijn taal door klanken te laten botsen of bezwerend te herhalen. De gejaagdheid van het leven op het schip wordt perfect gespiegeld door de onrustige, bijna woedende woordstapelingen die zonder respijt op de lezer worden afgevuurd en op den duur een soort unheimische roes opwekken. Maar vermoedelijk zal een enkele voorbeeldzin nog het beste uitdrukken wat de schrijver heeft willen bewerkstelligen:

 

Even hebben ze hun verzonnen levens achter de mast gehad, zeven dagen staren naar een kraak die z’n reet niet wil laten ruiken, zeven maar, waarom blijven ze het dagen noemen, deze bestraffende brokken die de bel steeds voor je afsnijdt, wat heeft het geholpen om te doen alsof je de sleutel van de bottelier al om je nek voelt, je de meid van de schipper of dat wijf van de predikant vooroverbuigt, je de bloemen ruikt in het laken van de kajuitstafel, eindelijk een einde aan de pijn in je pik te denken en je aderen te sluiten, hun bevelen uit te zweten, te stoppen met luisteren, nooit meer luisteren, niet meer het dek op, hen niet meer geloven, een ander voor je uit duwen, naar het want jagen, hun benen te zien verlammen, bang voor broos tuig en splijtende masten en de open muil van de zee, alle anderen van de bak wegjagen, niet meer om iedere hap hoeven vechten, genoeg van de vermoeiende woede, de rouw wanneer de bodem te gauw door de grauwe drab schijnt, nooit meer een slok woelend van de maden, niet meer uit de dood te worden gewekt om voor werk je kooi te moeten verlaten, nooit meer de kooi, die zure, beklemmende kist, niemand is hier meer, niet nog een ochtend van stank en zwart, alles buiten een leegte die je gewicht niet houdt, al het verblindende blauw, niet langer aan de ketting van bevel, je naam uit het boek, dat kruis dat niemand ooit op een contract heeft gekrast, niemand is ooit in Middelburg geweest, niet nog een sollende hemel, genoeg van ijzige slagregens die als bijensteken je handen en wangen bestoken, van een schip dat je van z’n rug wil gooien, beter de kisten van alle anderen te openen en je vingers in hun tabak te steken, hun lepels en hun tekeningen van kutten te jatten, beter iemand te neuken die zijn armen niet weet los te worstelen, gaten in de barkas te slaan, op te houden over paleizen en slaven.

 

Geen moment laat de stilist Peek de spanning inzakken, nergens laat hij een steek vallen. Dat hij erin geslaagd is om zo langdurig op zulke hoge intensiteit te schrijven, met zulke duizelingwekkende, rijke zinnen als resultaat, maakt hem wat mij betreft direct een van de grootste Nederlandstalige schrijvers van dit moment.

 

Marxistische blik

Op basis van de uitzonderlijke kracht van het proza, de gedetailleerde, bijna fysieke evocatie van het leven aan boord en de beschrijving van de zeereis, die ongeveer twee derde van de roman in beslag neemt, is A.D. in mijn boek al onvergetelijk te noemen. Als de standaard dermate hoog ligt, is het niet verwonderlijk dat het afwijkende slotdeel enigszins aanvoelt als een epiloog of een bijvoegsel, al moet worden gezegd dat ook het einde van het boek weer subliem is. De laatste hoofdstukken spelen zich af op Indonesië en moeten vooral illustreren dat de gruwelijke praktijken op het schip hier worden voortgezet. Bijna alle voorbijgekomen personages vinden aldaar een nare, betekenisloze dood, en de overgebleven bemanning trekt zich terug in een fort, vanwaaruit ze de lokale bevolking simultaan proberen af te weren en te onderdrukken. Peek introduceert hier ook het perspectief van een jeugdige oorspronkelijke bewoner, die tussen de Indische gemeenschap en de kolonisten in staat. Hij zoekt contact met Nicolaas, die buiten het fort samenwoont met Nel, eertijds de dienstmeid van de opvarende koopman. Maar de vroege koloniale wereld die door de ogen van de naamloze jongen wordt bezien, is vooral chaotisch, leeg en weinig productief. De indruk die overheerst is dat er welbeschouwd niets glorieus was aan het hele imperialistische project.

Wat dreef mensen dan om daarheen te gaan? Waarom wilden ze hun leven ervoor riskeren? Hoewel de verteller zich nergens op de voorgrond dringt om verklaringen of alomvattende theorieën te spuien, lijkt Peek wel degelijk een poging te willen doen om de beweegredenen van de eerste kolonisten te peilen. De hierboven geciteerde zin bevat wat dat betreft al een aanwijzing: voor het personage in kwestie (volgens mij heet hij Henrik) is ‘Indië’ vooral een fantasie van weelde en comfort die de hel van het schip – of het leven daarvoor – moet goedmaken. Ook op andere momenten wordt vooral de droom van een beter, vredig elders benadrukt, bijvoorbeeld in een reflectie van ene Webbe:

 

[H]et was niet ver meer naar de tuinen van Indië, dorstte hij niet naar een hof waar oogsten het hele jaar door als goud uit de grond steken, waar hij in bont en zachte wol zal worden gekleed, mensen voor hem zullen buigen, niemand aarzelt z’n woorden op te volgen, verlangde hij niet altijd naar een verlokkend huis voor een vrouw, wilde hij niet thuiskomen in gods droom voor hem, zie hen in lange rijen van de trappen afdalen, z’n dienaren, z’n kinderen, samen zullen ze zich het nieuwe land eigen maken […].

 

Wat vooral opvalt is dat de kolonie voor de opvarenden vaak het einde van hun eigen economische uitbuiting moet betekenen. Daarin schuilt natuurlijk een bittere ironie: ze willen van hun onderdrukkers afkomen, maar zijn wel bereid daar anderen voor te onderdrukken. Veel meer dan door overheerszucht worden de maats echter gedreven door het verlangen naar vrijheid, de doorbreking van de gewelddadige maatschappelijke hiërarchie die hen eronder houdt, naar een bestaan waarin zij eindelijk iets van autonomie zullen hebben. Dat wordt nog eens onderstreept in de overwegingen van een knecht:

 

Een gezin, daar moest hij aan denken toen de oude man hem vroeg naar de nieuwe wereld. Een stuk grond en een gezin. Niet meer een oude man achtervolgen, hem niet meer aanreiken wat hij zelf kan pakken, hem van bed naar gemak te slepen, z’n stront en gal te keuren, het eeuwige geruststellen, niet meer hoeven luisteren naar bevelen die een mens steeds kleiner maken, niet meer naar doodse verhalen, eindelijk alles van waak tot slaap zelf bepalen.

 

De kolonie is voor deze mensen geen doel op zich, maar een middel tot een beter leven, een ontsnapping aan een meedogenloos hardvochtige status quo.

(Overigens vermoedt Nicolaas dat er meer dan economische vrijheidsdrang in het spel is. Hij voelt ook de racistische blik van de witte Nederlanders, die zijn andersheid nodig hebben om de illusie van hun eigen superioriteit in stand te houden: ‘Het gaat de duivels niet om geld. […] Ze houden je aan om je te ontkennen. Je moet hen helpen vergeten waar hun vreten vandaan komt, het goud van hun kettingen en kronen, aan hun oren, ze moeten naar hun doden kijken en denken dat ze hun vijanden zelf hebben verslagen. Je bent hun instrument gods, een akker die ze eindeloos kunnen oogsten. Je bent er niet, je bestaat te veel.’)

Als je al die kleine getuigenissen bij elkaar neemt, tekent zich een patroon af: het koloniale project wordt in A.D. niet alleen voortgedreven door een agressief Europees meerderwaardigheidsgevoel, maar duidelijk ook door de wanhopige drang van kleine individuen om te ontkomen aan de erbarmelijke economische omstandigheden die hun leven onleefbaar maken. Deze maatschappelijk-economische analyse lijkt een marxistische blik te verraden, en die associatie komt bepaald niet uit de lucht vallen: eerder publiceerde Peek met Verzet! (2017) al een ‘pleidooi voor communisme’.

Diezelfde zienswijze ligt mogelijk ook ten grondslag aan het aparte vertelperspectief: gaandeweg wordt duidelijk dat de schrijver voornemens is om vooral de beleving van de ‘werkende’ of onderdrukte opvarenden te beschrijven. Hij richt zich dus op de bootsmaats, de matrozen, de dienstmeiden, de nonnen, de knechten en de soldaten; de gedachtewereld van machthebbers als de kapitein en de koopman blijft in deze roman buiten beeld. Peek wil laten zien op wie een ontdekkingstocht het zwaarste steunde, wie er het meeste voor hebben geleden en hoe, en welke dromen zij onderwijl zelf koesterden.

Vergeten geschiedenissen worden zo in A.D. tot leven gewekt, maar geenszins op een nostalgische of vergoelijkende manier. Door de verschrikkingen van het schip en het vroege koloniale systeem in Indonesië zo unverfroren af te schilderen, biedt het boek tegenwicht aan de nationalistische verheerlijking van de VOC en het Nederlands imperialisme; van dat goudomrande droomverhaal blijft in deze roman helemaal niks over. Daarnaast rekt Peek de standaardverhalen op, geeft hij een stem aan het innerlijk van de mannen, vrouwen en kinderen die het bij de maatschappelijke rolverdeling met de grimmigere taken moesten doen en als gevolg daarvan buiten de nationale historie zijn komen te staan.

Binnen het kader van Jerome de Groot is A.D. daarom te lezen als een uitbreiding van de gangbare geschiedschrijving, en als een tekst waarin de culturele reconstructies van het verleden kritisch onder de loep worden genomen. Peek biedt een hedendaagse politieke sectie van de koloniale verhalen die mensen elkaar al eeuwen vertellen, maar verheft de geschiedenis evengoed tot decor voor zijn eigen literaire meesterschap: de rampzalige zeetocht wordt in zijn handen een grandioos tragisch tableau, waarin aangrijpende beelden en verhalen elkaar verdringen. Op vrijwel alle niveaus imponeert, nee, overdondert dit boek, en het lijkt me onwaarschijnlijk dat er dit jaar in Nederland nog een betere roman gepubliceerd wordt dan A.D..

Querido, Amsterdam, 2021
ISBN 978 90 214 2844 4
351p.

Geplaatst op 03/11/2021

Tags: A.D., Gustaaf Peek, historische roman, Indonesië, kolonialisme

Categorie: Proza, Recensies

Reacties

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.