Deel Facebook Twitter / X LinkedIn
Osamu Dazai’s Zonsondergang, vertaald door Tineke Steegers-Groeneveld, is een kroniek van een aangekondigde zelfmoord. In de nasleep van de Tweede Wereldoorlog worden Kazuko en haar moeder gedwongen om hun huis in de stad te verkopen en te verhuizen naar het platteland. Het vermogen dat hun aristocratische familie had, is uitgeput. Het oude Japan bestaat louter nog in het verleden. Hoewel ze eerst blij lijken met hun nieuwe thuis, kunnen ze er niet helemaal aarden. Niet langer afgeleid door de drukte en cultuur van de stad, komt hun verleden spoken. Verslaving, ziekte en depressie nemen hun bestaan in een wurghouding. Dazai’s sadistische universum ontplooit zich.
Verval is het centrale thema van Zonsondergang. Dat is al duidelijk in de titel van de roman. Het is de beste vertaling van 斜陽 (syayō), dat ook eenvoudigweg ‘verval’ kan betekenen. Een tweede onheilspellend voorteken doet zich reeds vroeg in de roman voor. Wanneer Kazuko de eitjes van een slang steelt en later verbrandt, komt de slang hopeloos in de tuin zoeken naar haar jongen. Het is een beeld dat we ook op de cover van Cosimo’s editie zien. Kazuko’s straf volgt kort erna. De ongedoofde sintels van het brandje dat ze stookte veroorzaken een brand die bijna heel hun huis inneemt. Kort daarna valt Kazuko’s moeder ten prooi aan een ziekte die ze nooit meer te boven zal komen. Kazuko verliest alle betekenis in haar leven. Ze heeft geen dromen, geen ambities, geen kinderen. Vooral dat laatste stort haar in een melancholie die haar met de rozen doet praten. De familiale ellende groeit wanneer Kazuko’s broer Naoji terugkeert van zijn dienst in de Stille Oceaan. Op dat moment begon voor hen ‘een ware hel’.
De aspirerende schrijver Naoji zat al aan de drugs nog voor hij naar de oorlog vertrok. Zes jaar voor de vertelling stonden zijn schulden bij de apotheek zo hoog dat ook zijn familie eronder begon te lijden. Kazuko’s huwelijk liep er door op de klippen, de schade voor hun familie is totaal. Bij Naoji’s terugkeer verbetert niets. Integendeel, zijn oorlogstrauma’s storten hem in een ontgoochelde depressie. Waar hij vroeger nog de waan had dat er verbetering mogelijk was, verliest hij na zijn dienst elk geloof zowel oude als nieuwe moraal. Vrij vroeg in de roman leren we via een ‘kalebas-boekje’, een dronkemansboekje dat hij tijdens zijn periode van verslaving bijhield, hoe duister zijn wereld precies is:
Het idee levend te verbranden. Hoewel het erg pijnlijk is, kan ik het woord, pijn, niet uitschreeuwen, nog geen syllabe ervan. Camoufleer de indicaties van deze bodemloze hel niet, waarvan sinds het begin van de wereld geen precedent bestaat in het verleden.
Het verrast niet dat Naoji zich bij thuiskomst verliest in alcohol en narcotica. Zijn schrijversvriend Uehara moedigt hem later aan een uitgeverij te beginnen, maar daar komt ook weinig van in huis. Zijn leven is een mislukking. Er is maar één uitweg. Ook zijn zus zal zich hoe langer hoe meer verliezen in weemoed. Ze vraagt zich af waarom ze überhaupt nog deugdzaam zou moeten zijn, als die deugdzaamheid haar niets opbrengt. Haar moeder sterft en haar liefde voor Uehara blijkt een leugen. Kort daarna pleegt haar broer zelfmoord.
Naoji’s zelfmoord is onvermijdelijk voor wie Dazai’s werk en leven kent. Ook Osamu Dazai, geboren als Shūji Tsushima, groeide op in een welgestelde familie. Zijn vader zetelde in het jonge Japanse parlement en stierf toen Dazai dertien was. Dazai’s geest werd net als die van Naoji geplaagd door angsten die hij verdoofde met drank en drugs. Zijn studies, zijn werk en zijn relaties waren allemaal bronnen van ongemak waarvan hij vluchtte. In zijn ogen was hij een totale mislukking. Van jongs af aan was de dood een aantrekkelijke uitweg. Zelfmoord lijkt zelfs onvermijdelijk. Aan de universiteit studeerde hij Frans, wat hem in contact bracht met de deterministische grillen van het naturalisme en de weemoed van het vroege existentialisme. Op twintigjarige leeftijd onderneemt Dazai zijn eerste zelfmoordpoging. Daarna zullen er nog vier à vijf volgen. Twee van die zelfmoorden waren samen met een vrouw. Tweemaal stierf de vrouw, maar Dazai niet. Zelfs zelfmoord leek hem niet te lukken. In 1948 lukte het wel, samen met zijn toenmalige geliefde. Hij was achtendertig.
Met romans zoals Zonsondergang of Als mens mislukt (1948) oogstte Dazai wereldwijd succes. Zijn werk werd in de jaren 50 vertaald naar het Engels en kreeg een gunstige receptie. Toch bleef hij in het Nederlandse taalgebied lange tijd in de schaduw staan van schrijvers al Kawabata en Mishima. Pas recent werd zijn werk herontdekt op kanalen als Youtube en TikTok, waar Als mens mislukt steevast in de lijst staat van ‘top-10 gruwelijkste boeken ter wereld’. De vertaling Als mens mislukt uitgevoerd door Luk van Haute, verscheen pas in 2023. De Nederlandse vertaling van Zonsondergang verscheen reeds in de jaren 1990 onder de titel De ondergaande zon. De versie die nu voor ons ligt is een heruitgave van dat boek, maar is ook niet meer dan dat. Een inleidend essay, bijvoorbeeld, had mooi geweest bij een auteur wiens historische context zo op de onze lijkt: een maatschappij van oorlog, van enorme technologische vooruitgang, toenemend nationalisme, maar tegelijkertijd ook een maatschappij die haar grip verliest op de verbinding in kleine gemeenschappen, die steeds meer eenzaamheid kent en geen toekomst meer kan bieden voor haar leden. Dazai’s tentatieve antwoord op al dat leed, is verre van rooskleurig.
Dazai’s boeken druipen van decadentie en zwartgalligheid. Zijn personages, vaak afspiegelingen van hemzelf, zijn zonderlingen die meer waarde vinden in de eerlijkheid over hun zonden dan in hypocrisie omtrent hun deugden. Het enige leven waar Dazai iets om geeft, is het leven zonder voorwendselen. Het gevolg is een overdreven uitvergroting van menselijk verdriet. Het is Job zonder God. Ellende zonder einde. Het is moeilijk de biografie van de auteur niet bij deze lezing te betrekken, waardoor het geheel ook een groot confessioneel karakter krijgt. Kazuko en Naoji, de twee vertellers van Zonsondergang, worden doorgaans ook gelijkgesteld met Dazai. In Dazai’s neutrale stijl spreekt Kazuko:
Zou er uiteindelijk niets anders opzitten dan zelfmoord te plegen? Hoe zwaar ik het ook heb, bij de gedachte aan mijn eind te zullen komen door zelfmoord, gaf ik een schreeuw en barstte in tranen uit. Op een lentemorgen scheen de ochtendzon op een perenboomtak, waaraan twee of drie bloesems ontloken. Men zegt dat een jonge, tengere student uit Heidelberg zich aan die tak ophing.
Wie Dazai leest, krijgt geen moeilijke taal voorgeschoteld. Weinig bijvoeglijke naamwoorden in relatief korte zinnen. Op vlak van inhoud bouwt Dazai geen grote cerebrale constructies. Elk woord belichaamt zijn literatuuropvatting van helderheid en authenticiteit. Zijn woorden zijn naakt en oprecht, zonder de pretentie iets te willen uitstralen dat ze niet zijn, zonder neer te kijken op de inhoud die ze presenteren:
‘O!’ riep ik zachtjes. Ja natuurlijk, moeder was er niet meer. De mis voor haar was immers al een hele tijd gelden gehouden. Toen ik me bewust werd dat moeder door was, begon mijn lichaam te beven van een onuitsprekelijke eenzaamheid en werd ik wakker.
Na de zoveelste van zulke passages, weet je eigenlijk niet meer goed hoe je moet reageren. Is er dan geen hoop in Dazai’s universum? Noch het verhaal noch de thematiek van het boek bieden enige uitweg uit de melancholie. Elk nieuw begin loopt uit in lijden. Zo wordt Kazuko halverwege het verhaal verliefd op Uehara, de schrijversvriend van haar broer. Ze schrijft hem brieven waarin ze hem liefkozend aanspreekt met ‘Mijn Chekov’. Onder de indruk van zijn persoonlijkheid begint ze dezelfde boeken te lezen. Zo komt ze in contact met Jezus’ radicale ideeën over vergeving en Rosa Luxemburgs socialisme. Zowel persoonlijk als maatschappelijk lijkt er hoop te zijn. De relatie loopt echter op de klippen en na de oorlog komt er weinig sociale vooruitgang. De armen blijven arm, de elite graait gewoon bij. Kazuko wordt alleen maar meer de dieperik ingeduwd. Zal zij het voorbeeld van haar broer en haar auteur volgen?
Het zwartgallige portret van Osamu Dazai dat ik hier neerzet is trouwens één groot cliché: De prins van de zelfmoord die in alles de duisternis ziet. Je leest het overal. De populaire anime-serie Bungo Stray Dogs (2012-heden), waarin de meeste personages gebaseerd zijn op Japanse auteurs, persifleert Dazai door hem elke aflevering een nieuwe en ludieke manier zelfmoord te pogen. Ook Jeroen Brouwers leest in zijn essay ‘Vergeef me dat ik ben geboren’ (datum) het werk van Dazai voornamelijk vanuit een biografische lens. Met zijn fixatie op zelfmoord legt hij meteen het verband tussen de zelfmoord van andere grote Japanse auteurs, zoals Akutagawa, Kawabata en Mishima. Deze constante herbevestiging van zelfmoord in besprekingen van Dazai’s werk is ironisch voor iemand die net aan het leven wilde ontsnappen. Zijn werk kan kennelijk nooit lost komen te staan van wat hij in zijn leven ondernam. Bovendien werd hij een berucht cultfiguur dankzij zijn zelfmoord. De dood gaf hem eeuwig leven, een centrale paradox in Dazai’s receptie. Misschien besefte hij tijdens zijn leven al dat dit ging gebeuren. Misschien was hij daarom zo ontroostbaar.
Zonsondergang roman vertelt eveneens het verhaal van de Japanse maatschappij in de nasleep van de Tweede Wereldoorlog. Het leven van de personages zijn dan symbolen voor een breder maatschappelijk verval. Bij de publicatie van de roman in 1947 was Japan getraumatiseerd door de Tweede Wereldoorlog. Niet alleen waren Nagasaki en Hiroshima bijna geheel van de aardbol verdwenen, het land was tot op het bot uitgeput. Grote groepen van de Japanse bevolking waren verspreid over Oost-Azië om de oorlogsmachine te voeden. Elke familie had naasten en bezittingen verloren. Alle voorraden waren leeg, infrastructuur werd ontmanteld en de oorlogseconomie dreef mensen tot gehele uitputting. Daarbovenop was de totale overheersing door de Amerikaanse troepen, die nog duurde tot 1952, een diepe vernedering. Het duurde jaren vooraleer het land in staat was effectief opnieuw iets op te bouwen.
De aristocratische familie van Kazuko en Naoji maakt al deze ontwikkelingen ook zelf door. De oudere generatie, het oude Japan, is doodziek. Er is geen geld meer om in de stad te wonen. De familie verlaat daar haar positie en verhuist naar het platteland. Inmiddels wordt de jongere generatie geteisterd door oorlogstrauma en weemoed. Er is nog weinig toekomst denkbaar na hun ellendige verleden. Kazuko en Naoji lezen wel over het idealisme van Rosa Luxemburg. Ze dwepen vooral met haar heldhaftige dood. Het politieke handelen gaat hun petje te boven, want verandering kunnen ze toch niet brengen. Ook idealisme is een ijdele, hypocriete bezigheid die mensen wegtrekt van hun zondige leven. Kazuko en Naoji eigenlijk alleen in die zonden een quasi-christelijke troost: ‘“Zou er iemand bestaan die niet verdorven is?” stond er in het schrift. Zo bekeken kun je ook mij, oom en moeder als verdorven beschouwen. Zou die verdorvenheid soms zachtheid betekenen?’ Ze zijn tevreden met hun slachtofferschap.
Eenzelfde maatschappelijk pessimisme worden we gewaar bij andere schrijvers uit de Japanse ‘Decadentie’, de literaire stroming waartoe men Dazai doorgaans rekent. Sango Sakaguchi’s kortverhaal ‘Een vrouw en de oorlog (een vervolg)’, opgenomen in Luk van Haute’s bloemlezing van moder proza Liefdesdood in Kamara (2014), vertelt het verhaal van een zonderling clubje aan het einde van de oorlog. Het verhaal barst van uitspraken die op de grens liggen van ironie en oprechtheid: ‘Maar als ze me vragen wat ik nu werkelijk het prachtigste vond aan die nachtelijke bombardementen, dan moet ik eerlijk toegeven dat de omvang van de toegebrachte schade me meer dan wat ook verheugde.’ Het kan hen allemaal niets meer schelen. Verwoesting lijkt nog het mooiste vermaak. De gelatenheid is totaal. Wie rondloopt met de idee dat heel Japan bereid was te sterven op de trappen van het keizerlijke paleis, en de VS daarom een atoombom moest ontwikkelen, kan die opvatting bij het lezen van deze teksten wel laten varen. Deze personages zouden graag hebben dat Japan opbrandt. Misschien komt er dan eindelijk een einde aan de oorlog. Misschien komt er dan eindelijk een nieuw begin in een land dat niet wil ontsnappen aan haar geschiedenis.
Dazai en Sakaguchi’s decadentie zijn een aanklacht tegen de constante zelfverheerlijking van de Japanse maatschappij. Het morele failliet van de ‘oude moraal’, dwepend met samurai en landheren, was na de oorlog compleet. De ‘oude moraal’ zette alles in het teken van gemeenschap en heerser. De totale verheerlijking van de keizer zette jonge mannen ertoe aan zichzelf tot goddelijke wapens te verheffen. Zij waren de kamikaze, ‘de goddelijke wind’. Voor hun vertrek kregen ze thee van de grootste theemesters, schreven haiku alsof ze samurai waren en zongen samen hun laatste lied. Ze werden afgeschilderd als de directe afgezanten van de vroegere samurai. Zij warden de krijger-kunstenaars die de Japanse oorlogsmachine cultiveerde. Na de capitulatie bleek die oorlogsmachine echter door en door corrupt. Terwijl de families van soldaten vergingen van de honger, plunderden de overgebleven elites de laatste voorraden. Hun leven leek niets veranderd. Hun macht werd behouden, hun posities beschermd. Zonder schuldbesef bleven ze dineren in dure restaurants en drinken met geisha’s. Japan kon niets met hen aanvangen. Zoals John. W. Dower zo treffend stelt in zijn Embracing Defeat: Japan in the wake of World War II: ‘No wise men or heroes, no commendable statesmen, emerged from among the old elites.’ Voor Dazai, kwam zo’n held of wijze man nergens vandaan. Wie kan nog poëzie schrijven na Hiroshima?
De Japanse oorlogsgruwel kwam er dankzij de snelle modernisering van het land, opgeflakkerd door westerse technologie in de 19e eeuw. In de 20e eeuw zal Japan zich echter verzetten tegen Westers kolonialisme. Een ander cliché wil daarom dat Japanse auteurs uit de moderne periode schipperen tussen Oost en West. Auteurs als Dazai, Soseki of Tanizaki genoten dankzij hun studies in de westerse literatuur enorme invloed van auteurs als Poe, Mallarmé of Flaubert. Dazai spiegelde zich duidelijk aan tragische figuren als Verlaine, Lord Byron of, veel explicieter genoemd in Zonsondergang, Chekov. Diens De kerstentuin zet haar personages in net dezelfde omstandigheden als Dazai: het verval van een adellijke familie die gedwongen wordt land te verkopen om te overleven. Na verkoop zal de boomgaard worden omgehakt om plaats te maken voor nieuwe ontwikkeling. Zo zal ook het oude huis in Tokyo worden afgebroken, als het zelfs nog rechtstaat na de oorlog, en plaats maken voor moderne gebouwen. Dezelfde gedachte zouden we kunnen toepassen op de traditie: de oude Japanse traditie moet plaats maken voor iets nieuws. De westerse moderniteit brengt verlossing van hoogdravend en hypocriete tirannie, al is ook die verlossing een hel.
Dazai’s openlijke cultuurpessimisme kunnen we zo plaatsen in de romantiek van de Westerse literatuur. Zo lijkt hij afscheid te nemen van de Japanse poetica. In teksten zoals Tanizaki’s lofzang der schaduwen (1933) lezen we dat de Japanse kunsten zich toeleggen op een spel met verborgenheid. Schaduwen leggen zich op schaduwen in een lappendeken dat alleen Japanners kunnen aanvoelen. Schoonheid schuilt voor Tanizaki daarom net in wat men niet zegt. Hij schreef liever over geheime driehoeksverhoudingen en seksuele fantasieën. Eenzelfde nadruk op leegte zien we tevens in alle Japanse kunsten die zich baseren op het zenboeddhisme. Een kunst als de theeceremonie streeft voortdurend naar Mushin (無心), een lege geest die niet bezwaard is door ideeën of concepten. Wat overblijft is een schemerende stilte waarin men vrij is van lijden, passies, ego en wereld. Dazai laat echter niets in de schaduw verborgen. Zijn wereld loopt over van lijden, passies en ego’s. De enige schaduwen in zijn werk zijn die van gure buurten en dubieuze steegjes. Of hij daar schoonheid in ziet, is echter betwijfelbaar.
Toch is Dazai’s werk geen onvoorwaardelijke afwijzing van de Japanse traditie. Onmiskenbaar klassiek zijn Dazai’s verbanden tussen melancholie en natuur. Zonder al te veel woorden dienen Dazai’s natuurbeschrijvingen als een versterking van de gevoelswereld van personages. Soms lijkt het zelfs te zeggen wat zij niet onder woorden kunnen brengen. Zo vertelt Naoji tegen zijn zus: ‘Ik heb niks te vertellen, helemaal niks. Ik ben alles vergeten. Toen ik in Japan aankwam en in de trein zat, zagen de rijstvelden er door de ruiten heen wonderbaarlijk mooi uit. Dat is alles. Doe het licht uit. Zo kan ik niet slapen.’
Zulke verwijzingen roepen in Japanse literatuur meteen woorden uit het verleden op. Alsof je vandaag een sonnet zou schrijven. Naar Chinees model lagen natuur en melancholie aan de basis van de Japanse poëzie in de Nara-periode (710-794). Sterker nog, ze waren een verplichting. Na eeuwen van natuurpoëzie ontstond er een codetaal van natuurwoord die instonden voor een bepaald micro-seizoen, gebied of gevoel. Zo ontstond een cultureel spel waarin alleen ingewijden de volledige betekenis van het gedicht kon vatten. De Japanse hofpoëzie cultiveerden zo een verhullende esthetiek van Yūgen (‘diepte en mysterie’), zoals bij Fujiwara Shunzei (1114-1204), vertaald door Jos Vos:
Van onder de pijnboom
op de Fushimi-Heuvel
kijk ik in de verte
en over de glorende velden
waait een herfstbries
Dazai’s velden roepen onvermijdelijk herinneringen van deze poëzie op, terend op het contrast tussen de weelde van de velden en de emotionele leegte van de sprekende stem. Zo stoten we opnieuw op één van de vele paradoxen in Dazai’s werk: hoewel zijn stijl zo kraakhelder is, koppelt hij zijn proza wel nog aan een verduisterende esthetica van Yūgen. Was het niet die esthetica die zo nauw verbonden was aan de ‘oude moraal’?
Wat maak je van zulke paradoxen? Dazai wil ontsnappen aan het leven, maar net die ontsnapping bevestigt zijn levensverhaal. Hij wil de maatschappij aanklagen, maar schetst een even duister beeld van het individu. Er lijkt geen uitweg. De klassieke antwoorden van zijn tijd: Oud en nieuw, Oost en West, ze zijn allemaal aanwezig in Dazai’s werk, maar niets biedt soelaas. Het feit dat Dazai’ al die paradoxen toelaat, kan je trouwens evengoed lezen als een vorm van eerlijkheid. Hij ziet geen nood om alle plooien in zijn werk en leven plat te strijken. Toch eindigt Zonsondergang met een verzoek: Kazuko wenst dat haar minnaar, de man die haar bezwangerde, haar kind opneemt en in de armen legt van zijn eigen vrouw. Voor één keer maar, hoe verveld het ook mag zijn. Het is een sneer, een vorm van wraak, maar één die in dienst staat van de toekomst: het opvoeden van een nieuw slachtoffer in de strijd tegen de oude moraal.
Reacties
Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.