Het verhaal van een ontgroening

Butcher’s Crossing

John Williams (vert. Edzard Krol)

‘Greenhorn’ werden ze genoemd, of ‘tenderfoot’: de jonge gasten die, belust op avontuur, de zogenaamde beschaafde wereld met zijn zeden en gewoonten, zijn omgangsvormen en beleefdheidsregels, zijn overtuigingen en vooroordelen vaarwel zegden om aan de rand van de beschaving een nieuw leven te beginnen. William Andrews, het hoofdpersonage uit John Williams’ Butcher’s Crossing, is zo’n ‘groentje’. Het verhaal speelt zich af in de jaren zeventig van de negentiende eeuw: na drie jaar Harvard trekt William Andrews westwaarts naar Butcher’s Crossing, een godvergeten nederzetting in Kansas, waar de uitgestrekte prairievlakte begint. Hij wil het echte, volle leven leren kennen en gebruikt zijn geld om een bizonjacht te organiseren. De ervaren jager Miller zal de expeditie leiden; de twee andere gezellen zijn Millers kompaan Charley Hoge en meester-vilder Fred Schneider. Het viertal gaat met een door ossen getrokken wagen op weg naar het Colorado-territorium, waar Miller jaren geleden in een verborgen vallei een reusachtige kudde bizons had gezien. Hun tocht verloopt dramatisch en eindigt allesbehalve succesvol, en dat niet alleen omdat ze gedwongen worden om in de bergen de lange winter door te brengen.

De roman Butcher’s Crossing vertelt het verhaal van een ontgroening of volwassenwording. Alleen is niet duidelijk welke ervaring het hoofdpersonage bij die volwassenwording opdoet, welk leerproces hij doormaakt. Enerzijds ontpoppen zijn metgezellen zich als bedreven jagers, zeer bekwaam in het verzorgen van paarden en ossen, in het lezen en duiden van het landschap, in het overleven van extreme kou en zware sneeuwstormen, in het onderhouden van geweren, karrewielen en tentzeilen, in het neerschieten en villen van bizons – de auteur bespaart ons geen enkel detail; zijn roman leest als een verbluffende les in bizonjachtkunde. Anderzijds blijken zijn tochtgenoten gedachteloze wezens die zich geen moment afvragen wat ze aan het doen zijn: honderden bizons neerschieten, enkel en alleen voor de huid, waarbij het ontvelde kadaver achtergelaten wordt voor de aaseters en voor de rottende inwerking van de elementen. Dat de totale uitroeiing van de bizon hen vanuit ecologisch standpunt niet kan schelen, valt nog enigszins te begrijpen, gezien het tijdsgewricht, maar dat ze in feite hun eigen toekomst hypothekeren doordat ze het voor zichzelf hoe langer hoe moeilijker maken om bizons te vinden en doordat ze de huidenmarkt verzadigen, dringt helemaal niet tot hen door.

De inspiratie om naar het westen te trekken vond William Andrews in de lectuur van de dichter-filosoof Ralph Waldo Emerson. Hij hoopte in de natuur vrijheid en goedheid aan te treffen:

Wat hij zocht, was de bron en behoeder van zijn wereld, een wereld die zich altijd bang van haar bron leek af te keren, er niet naar op zoek ging, zoals het prairiegras om hem heen zijn wortelvezels naar de rijke, donkere vochtigheid stuwde, naar de Vrije Natuur, en zo zichzelf jaar in, jaar uit vernieuwde.

Bij zijn terugkeer kan hij de vraag wat zijn reis te betekenen had, slechts stamelend beantwoorden. Zijn antwoord is deerniswekkend kort en vaag: ‘Het was iets…’ In die trage stijl, die de auteur Williams zo typeert, gaat het verder, tastend en zoekend:

Het was iets, vervolgde hij, sprekend in gebroken zinnen die niet uitdrukten wat hij wilde zeggen, het was iets wat hij zelfs in zichzelf had gevoeld, telkens weer, tijdens de lange tocht over de vlakten, en bij het doden van de bizon, op het moment dat het grote dier beefde en neerstortte, en in de hete, verstikkende stank die tijdens het villen opsteeg, en tijdens de sneeuwstorm, bij de aanblik van al het wit, en na afloop van de storm, bij het uitzicht van de ongerepte omgeving. Hield het zich schuil in iedereen, klaar om tevoorschijn te komen? Of wachtte het buiten, in elkaar gedoken als een grijze wolf achter een rots, om een willekeurige passant plotseling, zonder aanleiding, gruwelijk te bespringen?

In het licht van het voorgaande kunnen we stellen dat de naam van de nederzetting, Butcher’s Crossing, vernuftig gekozen is en allegorisch kan worden geduid. Er heeft wel degelijk een oversteek plaatsgevonden: slagers (of slachters of vilders) hebben een overtocht gemaakt. Ze lijken niet meer terug te kunnen; waarheen ze vertrokken zijn, blijft eveneens in het ongewisse. John Williams ontmantelt de mythe van de ‘Far West’, waarin jongens opgroeien tot echte mannen, en hij onthult welke huiveringwekkende betekenis schuilgaat achter de benaming ‘Het wilde Westen’. Hij laat zijn roman voorafgaan door twee motto’s – het eerste ontleend aan Emerson, het tweede aan Herman Melville, die niet een roman over de bizonjacht schreef, maar over een monsterlijke walvisjacht. Volgens Emerson heerst in de natuur ‘een heiligheid die onze religies in de schaduw stelt’; volgens Melville schuilt in de natuur een duivelse kracht die mensen fysiek verwoest, psychisch laat wegkwijnen of tot waanzin drijft. Williams laat er met zijn roman geen twijfel over bestaan wiens opvatting hij deelt. Het contact met de natuur maakt niet humaner, maar slaat een gat in mensen dat ze nooit meer gevuld krijgen.

Als we in overweging nemen dat de Verenigde Staten de bizonjager Buffalo Bill als een held vereren, dan moeten we concluderen dat Williams met zijn ontmanteling van het mythische Westen ook het zelfbeeld van zijn vaderland bekritiseert. En voor zover de VS beschouwd kunnen worden als de representant van de westerse beschaving, dient de roman te worden gelezen als een kritiek op die beschaving. Doen wij ooit een ervaring op? Zijn wij in staat lessen te trekken uit het verleden? Worden wij ooit volwassen of blijven wij achter als ontgroende hufters, altijd tuk op een nieuw avontuur, maar gedoemd tot het veroorzaken van rampen?

Het proza van John Williams, zowel Butcher’s Crossing als het vorig jaar uitgegeven Stoner, is een ontdekking. Het zijn sterke romans, in een zeer eigen taal en stijl geschreven – en overigens prachtig vertaald. Maar Stoner noch Butcher’s Crossing is ‘the all American novel you have never heard of’, zoals ze in het meest luidruchtige deel van de Amerikaanse en Europese media worden afgeschilderd; Williams is geen Melville, geen Thomas Pynchon…

Tot slot, uitgeverij Lebowski heeft niet alleen voor een uitmuntende vertaling gezorgd, maar ook voor een fraaie vormgeving: op de cover van Stoner prijkt een bebaard mannengezicht, op die van Butcher’s Crossing de kop van een bizon. Daar is duidelijk zorg aan besteed. Een verheugende gedachte.

Links

Lebowki, Amsterdam, 2013
ISBN 9789048 816743
334p.

Geplaatst op 14/01/2014

Reacties

  1. nico van der sijde

    Mooie recensie van een mooi boek: vooral de allegorische duiding van de titel vond ik treffend! Wel vraag ik mij af of het boek ook niet breder kan worden geïnterpreteerd. Het is inderdaad (zoals De Schutter zegt) een anti-western die alle conventies en verwachtingen van dit mythische genre omkeert: de normale western heroïek verkeert daardoor in zijn totale tegendeel. Waar de normale westernheld een overwinnaar is, daar zijn de personages in “Butcher’s Crossing” eerder zoekers die alleen leegte en vergeefsheid ontmoeten. Dat alles is volgens De Schutter te lezen als kritiek op de fundamentele mythen van de USA en van de westerse beschaving in het algemeen. Dat ben ik met hem eens, ik vind ook dat hij dat goed beargumenteert. Alleen: is het boek dan tegelijk niet OOK te lezen als een evocatie van leegte en van de vergeefsheid van AL het menselijk streven, en ook (door m.n. de reflecties van hoofdpersoon Will Andrews, m.n. aan het slot) als een acceptatie van die leegte en vergeefsheid? Dus als een verhaal waarin desillusie en (uiteindelijk) acceptatie van of omgaan met die desillusie centraal staat? En daarmee als een soort ‘levensles’ (als dat al te kleffe woord mij even wordt toegestaan) die nog meer is dan kritiek op de westerse beschaving alleen? Ik ben wel benieuwd naar de mening van De Schutter hierover!

    Beantwoorden

  2. dirk de schutter

    Bedankt voor je commentaar en reactie, Nico. Jouw lectuur is een mogelijke lectuur, dat geef ik toe. In jouw lectuur doen de personages wel een ervaring op: ze leren omgaan met de leegte, ze leren een soort onthechting. Dat is niet mijn lectuur. Om twee redenen. Ten eerste, het personage (McDonald) dat deze levensles verkondigt, is zelf alles behalve onthecht, maar zeer verbitterd. Ten tweede, zoals ik aangegeven heb, ik ben getroffen door de gedachteloosheid van de jagers: ze zijn maanden samen en wisselen niet één gedachte uit; ze praten enkel over praktische zaken. Dat is voor mij het akelige. Want de roman suggereert dat Will Andrews een nieuw avontuur zoekt en nog verder westwaarts wil trekken. Zal hij daar een ervaring opdoen? Of zal hij opnieuw niet verder komen dan: “Het was iets…”? Maar nogmaals: het is mogelijk om de roman anders te lezen, zoals jij doet.

    Beantwoorden

  3. nico van der sijde

    Bedankt voor je antwoord, Dirk. Daaraan merk ik ook dat ik mijn lectuur iets had moeten nuanceren. De personages die Will Andrews vergezellen zijn bijvoorbeeld in mijn beleving niet onthecht, maar eerder totaal verblind, of (zoals je zegt) gedachteloos en (zoals ik zou toevoegen) van elke reflectie en herkenbare emotie ontledigd, of – zoals Miller, m.n. als hij aan het slot alles in de fik steekt- op spectaculaire wijze wanhopig. Of ze verliezen (zoals Miller en zoals ook die kok) helemaal hun verstand. De personages praten inderdaad vooral NIET, en lijken meestal ook niet na te denken over wat er binnen en buiten hen gebeurt. Alleen Andrews denkt nog na over de leegte binnen en buiten hem, de anderen ZIJN gewoon leeg of WORDEN gewoon leeg. En DAT was wat ik met die onthechting bedoelde: een soort bewust ervaren van die leegte en zinloosheid, die – in MIJN interpretatie althans!- samengaat met een (overigens moeilijk te parafraseren) inzicht en misschien acceptatie. Die herken ik ook alleen bij Andrews, bij de andere personages juist niet. Daarom ook las ik de lange passage over “Het was iets…..” (vooral hoe Andrews die ‘beleeft’, niet hoe McDonald die verwoordt) als een glimp van inzicht, als een begin van acceptatie, als een stap in de onthechting. Als een inzicht ook dat zich aan woorden onttrekt maar toch moet worden verwoord, wat dus een lange en tastende passage oplevert. En zo las ik ook het slot: als een open einde, maar vooral ook als een einde waarin Andrews zich overgeeft aan die openheid. Dus niet, zoals een conventionele cowboy, het avontuur tegemoet (met alle connotaties van krijgshaftigheid en vervulling en overwinning), maar het ongewisse tegemoet. Op reis, wetend dat er niets anders is dan die reis. Op zoek naar een ervaring, wetend dat dit weer een vaag en leeg “het was iets….” zal zijn en dus een leegte. Bovendien weg van waar hij is, want waar hij is kan hij niet blijven. Soms neig ik er bijna toe het slot zelfs Beckettiaans te lezen: alle beweging is zinloos voor Andrews dus deze reis ook, maar er is niets anders dan die reis; hij kan eigenlijk niet op weg en tegelijk kan hij ook niet anders dan op weg. Maar goed, ik geef toe dat dit laatste rijkelijk speculatief is. Misschien heb ik in mij jeugd te veel Beckett en Derrida gelezen :-).

    Beantwoorden

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.