‘Hoop op herwinning van de volmaaktheid’

Hey! Are You Suffering?

Ton van 't Hof

Het is misschien wel het bekendste beeld van Walter Benjamin: de engel van de geschiedenis. Het komt uit de laatste tekst van Benjamin, ‘Über den Begriff der Geschichte’, die hij vlak voor zijn dood voltooide. In een van de fragmenten beschrijft Benjamin een schilderij van Paul Klee, waarop de engel verschrikt naar het verleden kijkt, terwijl hij met grote kracht de toekomst in wordt geblazen. Voor zijn voeten stapelt het puin zich op, catastrofe op catastrofe, en het paradijs raakt steeds verder uit zicht. De engel is niet bij machte de storm tegen te houden. Deze storm noemde Benjamin de vooruitgang.

Volgens Benjamin is de geschiedenis een aaneenrijging van catastrofes en historische verliezen, geen keurige opeenvolging van gebeurtenissen die uiteindelijk een harmonieus eindpunt bereikt. Benjamins geschiedenis is een geschiedenis van het conflict, en van het trauma dat inherent is aan dat conflict. Het is dus geen geschiedenis van een triomfantelijke vooruitgang, maar van een vooruitgang die feitelijk door uitsluiting tot stand is gekomen en die bovendien het gewelddadige conflict waaruit ze als overwinnaar tevoorschijn is gekomen, uit haar ontstaansgeschiedenis heeft verwijderd.

De geschiedenis van het falen

De vierde, in eigen beheer uitgegeven bundel van Ton van ’t Hof heet Hey! Are You Suffering? en keert zich precies tegen de gedachte dat we deze geschiedenis van het conflict als overwonnen kunnen beschouwen. Wie afgaat op het openingsgedicht ‘Manifest’ , zal aanvankelijk een andere conclusie trekken. Openlijk stelt Van ’t Hof hier – net als elders in de bundel – de vraag of onder de huidige condities überhaupt nog wel iets gedaan kan worden. Hij lijkt weinig hoopvol:

Tuurlijk
maak ik me zorgen | om waar
de maatschappij
naar toegaat

En een aantal | is het om de macht zelf
te doen

Je mag stemmen

je mag zo vaak stemmen als je wilt

Onrecht is niet te verhelpen. Niet ‘met behulp van een theoretische afwijzing van de vernedering’, zoals hij in hetzelfde ‘Manifest’ schrijft, en niet door eens in de zoveel tijd van je stemrecht gebruik te maken. Je mag zo vaak stemmen als je wilt, veranderen zal er niets. De transformatie van de politieke status quo wordt vandaag de dag aan twee kanten geblokkeerd. Aan de ene kant door een neoliberale schijndemocratie waarin nauwelijks ruimte is voor een daadwerkelijk alternatieve keuzevorming. En aan de andere kant door de erosie van het historisch bewustzijn, dat indirect tot een funeste uitdoving van het politieke verlangen heeft geleid. Poëzie is hiervan niet uitgezonderd – integendeel, het einde van de ideologie is ook hier als een bevrijding onthaald, getuige de triomf waarmee de richtingenstrijd van vroeger begraven werd. Geen gunstig klimaat dus voor dichters die politiek geëngageerde poëzie willen schrijven.

Toch is het precies wat Van ’t Hof met deze bundel ambieert. Ver weg van de mainstream schrijft hij een ambitieus oeuvre bij elkaar, waarin hij blijft geloven dat poëzie een kritische dialoog aan kan gaan met het verleden, een dialoog die tevens een interventie in het heden kan betekenen. Zijn inzet is hoog: hij probeert de geschiedenis van het falen te veranderen in een geschiedenis van de verlossing waarin het falen overwonnen is. Een door en door modernistisch project, dat een zeer oneigentijds vertrouwen plaatst in de poëzie als vehikel voor waarheidsvinding en revolutionaire politiek.

Van ’t Hof mag dan een dichter met een missie zijn, vrij van twijfel is hij allerminst. Zijn ‘Manifest’ biedt niet alleen ruimte aan een oprecht engagement (waarin een zekere naïviteit schuilgaat), maar het is ook doordesemd van ironie en zelfrelativering. Hij besluit als volgt:

Dat ik ooit heb mogen spreken
Dat is de essentie

Dat heeft iets heel optimistisch

Hoe serieus moeten we deze regels nemen? Is in de poëzie werkelijk verzet mogelijk, of is het verzet juist gestaakt, en kan het mislukken ervan enkel nog worden betreurd? Erik Lindner wees in De Groene Amsterdammer al op de bittere ironie van deze woorden, want veel reden tot optimisme is er inderdaad niet: de bundel laat een aaneenschakeling van menselijk falen en dwalen zien. Even duidelijk is echter dat Van ’t Hof weigert te capituleren: ‘maar stoppen / weiger ik bot / want stel / dat ik toch iets van onschatbare waarde vind / van fundamenteel belang tot heil / van de mensheid iets / wat geen groot gat achterlaat’. Onderdrukking en onrecht hoeven niet eeuwig te zijn: ‘aan de geschiedenis ontspringt niet enkel en alleen het falen’, schrijft hij hoopvol in hetzelfde gedicht. Poëzie, zo lijkt het, heeft de taak te wijzen op een andere geschiedenis, die niet het falen, maar de verlossing als uitgangspunt neemt. 


Dit programma herinnert aan het werk van George Oppen, de Amerikaanse laatmodernist wiens seriële gedicht Of Being Numerous (‘Over talrijk zijn’) Van ’t Hof recent vertaalde. Ook de poëzie van Oppen komt voort uit de wanhoop vanwege dit falen, en net als Oppen weigert Van ’t Hof in dit falen te berusten. Beiden wijzen in hun poëzie op die historische taak en wagen zich aan de vervulling ervan. Van ’t Hof lijkt de meest ambivalente van de twee. Zo schrijft hij ergens over een dichter die ‘keffend in zijn canto’s woont’, op wie fundamentele geloofsvragen zich ‘stilletjes hebben neergevlijd’. Meer nog dan naar Pound verwijst Van ’t Hof hier naar een programmatisch gedicht van Menno Wigman, die hetzelfde beeld gebruikt. De regels zijn te lezen als zelfportret, want ook Van ’t Hof laveert in deze bundel voortdurend tussen melancholie en activisme, tussen ten strijde gaan en terugtrekken.

In formeel opzicht sluit Hey! Are You Suffering? aan bij de vorige bundel van Van ’t Hof, het tijdens zijn militaire missie in Afghanistan geschreven aan een ster / she argued (2009). Met deze bundel nam Van’t Hof afstand van de pure flarfpoëzie in zijn eerdere werk – een schrijftechniek waarin resultaten van zoekmachines op internet tot gedichten worden omgesmeed en waarvan Van ’t Hof de Nederlandse pionier is. Ook werd voor het eerst de invloed van George Oppen zichtbaar. De meest opvallende overeenkomst tussen de twee bundels is dat ze voortdurend schakelen tussen zeer heterogene stijlen, die zowel verwarring als vertwijfeling articuleren. Met als hoogtepunt het benauwende ‘Kamer’, het afsluitende conceptuele gedicht uit aan een ster / she argued, waarin alle tekst in de kamer van de dichter woord voor woord is overgeschreven.

Ook in deze nieuwe bundel is de poëzie voor een deel conceptueel, bijvoorbeeld in ‘Leden van de Staten-Generaal’, waarin Van ’t Hof alle beginzinnen van de door Koningin Beatrix uitgesproken troonredes onder elkaar zet. Het gedicht staat bol van de semi-vooruitstrevende oneliners over ‘bereidheid tot verandering’ en de noodzaak tot dynamiek, die in feite een uitermate conservatief wereldbeeld huldigen. De meeste gedichten hebben een hybride vorm, waarin lyrische, discursieve en procedurele passages elkaar afwisselen, zoals in ‘Data’. Uit dit gedicht spreekt Van ’t Hofs voorliefde voor het bewerken en verwerken van talig materiaal. De bundel besluit met het aangrijpende ‘Uit sterven’, pure belijdenispoëzie waarin opnieuw zowel strijdbaarheid als resignatie weerklinkt.

Een radicaal lezer

Hoe ongelijksoortig ook, de vele schrijftechnieken in deze bundel dienen steeds hetzelfde doel: ze bekritiseren de officiële versie van de realiteit door de aandacht te vestigen op ‘wat omspoelt maar niet / wordt weergegeven maar geweerd’. Een dergelijke kritiek is nooit vreemd geweest aan de poëzie van Van ’t Hof, maar wat in deze bundel meer en meer opvalt is dat er behalve een ideologiekritische impuls ook een messiaanse of ‘reddende’ kracht in zijn werk schuilt, die wil herwinnen wat verloren is gegaan. Dat is de betekenis van de slotregels van ‘Manifest’, die wellicht oprechtheid veinzen, maar wel de belofte van een werkelijkheid levend houden waarin dat wat gebroken werd weer is geheeld. Het eerder aangehaalde gedicht ‘Data’ spreekt niet voor niets over ‘verzamelen wat niet te verzamelen valt, dat wat niemand anders hebben wil, maar aan het eind van de dag, vol wens van al wat onwenselijk is’ – regels die het utopische karakter van deze bundel treffend beschrijven.

Dat deze poëzie een utopisch verlangen levend houdt, wordt op pregnante wijze duidelijk in het pièce de résistance van deze bundel, het driedelige ‘Donkere ogen die ons onbewogen vogelen’. Dit gedicht maakte Van ’t Hof op verzoek van deBuren en Stichting Perdu voor het project ‘Wij, de burgers van Europa’. Het eerste deel gaat over de Holocaust en schokt vooral door de confrontatie van een verschrikkelijke historische werkelijkheid met de banale werkelijkheid van vandaag (‘Knipsalon Zyklon B, haarsalon’; ‘Historische wederwaardigheden. / De holocaust verklaard door E. Traverso.’), een techniek die hier op welhaast dialectische wijze functioneert. Zo botst in regels als ‘Ten oosten van de tuin van Eden / de mensheid weggerukt uit getto’s’ een desastreuze geschiedenis op het beeld van een ongerept, paradijselijk verleden. Het is een confrontatie die dicht in de buurt komt van Benjamins notie van ‘nu-tijd’, een punt buiten de tijd dat een scharniermoment wordt tussen een melancholiek ‘niet meer’ en een messiaans ‘nog niet’. Na een litanie over de teloorgang van het christendom mondt het gedicht uit in een lange opsomming van Europese voornamen, die de belofte van een werkelijk verenigd Europa inlost – of in elk geval op zo’n inlossing alludeert: ‘wij willen ons leven in in VELEN // wij’.

Van ’t Hof betoont zich in dit gedicht een radicaal lezer, die uit de brokstukken en fragmenten niet zozeer een geschiedenis reconstrueert – dat zou hem immers op één lijn brengen met de officiële geschiedschrijvers – maar geschiedenis vormt; hij gaat een dialoog aan met het verleden die zowel de belofte en hoop op transformatie in zich draagt als de vordering van het verleden op het heden erkent. Dat is echter niet overal het geval. Het gedicht ‘Aan de koene Nederlanders ene zee’, een readymade die bestaat uit een reisverslag van de vele vruchteloze pogingen om ‘om de noord heen’ Oost-Indië te bereiken dat onwillekeurig aan de verrichtingen van de Nederlandse militairen in Afghanistan herinnert, kanonnenvoer voor dwaasheid en ijdele pretenties van een land dat ook een rol wil spelen op het wereldtoneel. Het verschil is echter dat het falen hier abstract blijft. Het raakt niet, zoals in ‘Donkere ogen die ons onbewogen vogelen’, politiek geïnspireerd, maar komt eerder voort uit hoofdschuddend, lijdzaam toezien op de menselijke conditie.

Ergens wordt lankmoedig geschoten

Met Hey! Are You Suffering? heeft Ton van ’t Hof opnieuw een belangrijke bundel aan zijn unieke oeuvre toegevoegd, die hoge verwachtingen wekt voor zijn nieuwe project, een procedureel gedicht onder de titel Een lijn is een vore waarvoor Dantes Goddelijke Komedie de leidraad vormt. Zijn werk verraadt echter ook een steeds diepere gespletenheid. Voortdurend draait Van ’t Hofs poëzie rond een kern van verlossing en verzoening en doet hij net als Benjamins engel van de geschiedenis een uiterste poging het verpletterde weer samen te voegen, hopend op een ‘herwinning van de volmaaktheid’ zoals hij het in ‘Donkere ogen die ons onbewogen vogelen’ formuleert. Tegelijkertijd bevat zijn werk een revolutionaire impuls, die radicaal wil breken met het verleden. In die zin is zijn poëzie scherfvest en explosie ineen. Ze wordt voortgedreven door het kritische, ontwrichtende potentieel van dezelfde verdeeldheid die hij elders juist ongedaan wil maken. Dat maakt dat Van ’t Hofs activisme het in deze bundel, ondanks alles, soms aflegt tegen een onbestemde melancholie, de ironische contemplatie van historisch falen.

Het lijkt me in dit licht geen toeval dat Van ’t Hof zijn in 2010 verschenen verzameld werk, dat teksten uit de periode 2001 – 2009 bundelt, de titel ‘Ergens wordt lankmoedig geschoten’ heeft meegegeven. Uit die titel, ontleend aan ‘Schietlood’, het slotgedicht van de bundel Chatten met Jabberwocky (2008), blijken immers zowel een afwachtende houding als revolutionaire intenties. De weigering, of het onvermogen, om hiertussen een keuze te maken is wat zijn werk zowel spannend als problematisch maakt. Hij beseft dat geen enkele politiek zonder een heilsgedachte kan, maar ziet ook in dat een heilsgedachte alleen weinig handelingsperspectief biedt. Ze kan immers enkel wachten op verlossing, en hopen dat die niet doorkruist wordt door een volgende catastrofe. De poëzie kan slechts haar verantwoordelijkheid nemen, en dat gebeurt in deze bundel vaak genoeg, op indringende, indrukwekkende wijze.

Links

Uitgeverij Stanza, Leeuwarden, 2010
ISBN 9789490401030
96p.

Geplaatst op 23/03/2011

Reacties

  1. Frank Keizer

    Dank! Het is een intrigerende lezing die je voorstelt, die op een behoorlijk fundamenteel punt verschilt van de mijne: volgens mij zie jij wat ik als een soort lankmoedigheid uitleg, melancholisch en passief, juist als een staat van onwerkbaarheid die een zoektocht naar een nieuwe ethiek / ethische relatie tussen woord en leven bevat.

    En het moet gezegd: er zit onmiskenbaar een streven naar onwerkbaarheid in deze poëzie. Dit is ook precies het project van Oppen. De befaamde hiaat in zijn werk – hij zwoer vijfentwintig jaar lang het schrijven van poëzie af – kwam voort uit een onbehagen met de esthetische en ethische posities van zijn tijd; Oppen wilde geen poëzie in de communistische partijlijn schrijven (zoals anderen van zijn generatie, Zukofsky om iemand te noemen, wel een tijd lang hebben gedaan), poëzie op geen enkele manier ‘werkzaam’ maken voor een politieke zaak (Paradoxaal genoeg laat zijn werk zich lezen als een vrij precieze analyse van allerlei laat-twintigste eeuwse politieke problematiek; ‘Of being numerous’ kan ik in dit verband zeer aanbevelen). Anderzijds verzette hij zich ook tegen het politiek gesproken conservatieve modernisme van Pound en Eliot, die de geschiedenis in zijn ogen mystificeerden in plaats van hernieuwden.

    Dit probleem resoneert ook bij Van ’t Hof. Net als Oppen lijkt hij de geschiedenis te willen hernieuwen, activeren wat verloren is gegaan (‘verzamelen van wat vol wens van wat onwenselijk is’). Een utopisch moment, lijkt me toch, waarmee ik overigens geen programmatische utopie op het oog heb, want Benjamin schreef toch ook dat verlossing niet ‘realiseerbaar’ is, in politieke zin. Is dat dan die onwerkbaarheid? En wat ik me ten aanzien van die onwerkbaarheid ook afvraag: betekent dat niet een terugkeer naar een ‘zuivere lyriek’?

    Ik denk dus dat die zoektocht naar een nieuwe ethiek na de ontregeling wel aanwezig is in de poëzie van Van ’t Hof, maar nu lees ik in zijn werk voornamelijk veel ideologische verwarring; een poging het (inderdaad) overbekende traject tegen de economisch-politieke status quo te bewandelen, in de wetenschap dat dit eigenlijk niet meer valabel is, en tegelijkertijd trouw wil blijven aan soort utopisch denken. En het geloof in het prestige van de (poëtische) taal lijkt ook nog helemaal losgelaten – dat zit toch ook in de stanza die ik aanhaal. En hoe plaats je de procedurele strategieën? Zijn dat pogingen de taal te ‘ontwerken’ (‘ontburocratiseren’, zoals Van ’t Hof op zijn blog schreef laatst), of gaat het om het herwerken / toe-eigenen van talig materiaal, om de logica van het kapitalisme tegen zichzelf in te zetten en zo te ontwrichten.

    Oftewel, en tot besluit: er lopen in de poëzie van Van ’t Hof veel verschillende, misschien niet per se verenigbare politiek-poëticale lijnen door elkaar – wat misschien een beetje een flauw antwoord is. Kortom, je reactie zet me op een interessant spoor, ik moet me toch eens meer verdiepen in dit denken over ‘désoeuvrement’..

    Beantwoorden

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.