Proza, Recensies

Iedereen heeft ze

Ik herinner me

Joe Brainard

I Remember van Joe Brainard (1942 – 1994) is het enige gepubliceerde literaire werk uit de geschiedenis dat wellicht door meer mensen geschreven dan gelezen is. Brainard schreef het in drie aparte delen eind jaren zestig en begin jaren zeventig van de vorige eeuw. De drie delen werden in 1975 samengevoegd onder de originele titel I Remember; deze versie heeft de status van het definitieve werk verkregen en diende ook als de basis van de Nederlandse vertaling van Johannes Jonkers, die onlangs als Ik herinner me bij Uitgeverij Oevers verscheen.

De vorm is even slim als simpel: Brainard begint met de woorden ‘I remember’, schrijft een herinnering op en herhaalt dit procedé om en nabij de 1500 keer. Met iedere herinnering krijgt de lezer een completer beeld van Joe Brainard, beeldend kunstenaar en auteur uit New York met wortels in Tulsa, Oklahoma – en van de contexten waarin hij zich bewogen heeft: steden, culturen, artistieke of (homo)seksuele scenes, gezinnen, vriendschappen, straten, vervoersmiddelen… Aan invloedrijke fans als bijvoorbeeld Paul Auster, die het voorwoord van deze editie schreef, heeft het I Remember nooit ontbroken. Toch is de tekst, zoals dat dan heet, de cultstatus nooit ontstegen. Misschien omdat het zo’n lastig te classificeren boek is, gesitueerd ergens tussen memoires, poëzie en proza, met her en der een doorkijkje richting essay.

Bekender dan het werk zelf is evenwel de manier waarop het nog altijd doorleeft in de verbeelding en de schrijfpraktijk van auteurs en docenten creatief schrijven in de Verenigde Staten en West-Europa (en naar ik vermoed: ook ver daarbuiten). Al die auteurs die in de afgelopen vijftig jaar een tekst begonnen zijn met (bijvoorbeeld) Je me souviens, I remember, Ik herinner me of Minä muistan, en na hun eerste herinnering opgeschreven te hebben, opnieuw begonnen zijn met dezelfde woorden, professioneel, amateur of iets ertussenin, hebben in zekere zin een nieuwe versie van Brainards tekst geschreven.

 

Ik herinner me hetzelfde liedje

Bij herhaalde lezing van de tekst is een van de eerste zaken die iedere keer opnieuw opvalt hoe Ik herinner me de lezer lijkt uit te nodigen om mee te doen. Uiteraard speelt het mee dat iedere lezer eigen herinneringen heeft en zich dus kan identificeren met Brainards herinneringsspel. De vorm van de tekst als geheel echter maakt het voor mij als lezer haast onontkoombaar om mijn eigen herinneringen te spiegelen aan die van Brainard. Iedere nieuwe herinnering biedt nieuwe aanknopingspunten, zodat een lezing al gauw verandert in een soort gesprek met een half verbeelde ander. Als Brainard schrijft: ‘Ik herinner me het liedje ‘How Much Is that Doggy in the Window?’’, herinner ik me hetzelfde liedje (al is het natuurlijk niet dezelfde herinnering). Ook het ritualistische karakter van het telkens herhaalde begin, ‘Ik herinner me’, wekt het verlangen op om zelf actief mee te herinneren. Het lijkt ook op een (kinder)spel, een soort ‘Ik zie, ik zie wat jij niet ziet’.

Omdat bij Brainard de samenhang tussen de herinneringen soms verhalend lijkt te zijn, soms veeleer associatief, dan weer thematisch of juist toevallig, blijft dat speelse element gedurende de hele tekst de boventoon voeren. De lezer speelt het spel mee en hinkstapspringt zich zo een weg door het boek heen, met telkens weer net andere uitkomsten. Ik ken weinig boeken die zo makkelijk herleesbaar zijn als Ik herinner me, juist omdat de interactie tussen tekst en lezer steeds net andere resultaten geeft.

Vrij in het begin van het boek kom je deze passage tegen:

 

Ik herinner me canasta.

 

Ik herinner me het liedje How Much Is that Doggy in the Window?

 

Ik herinner me boterhammen met boter en suiker.

 

Ik herinner me Pat Boone en ‘Love Letters in the Sand’.

 

Ik herinner me Teresa Brewer en ‘I Don’t Want No Ricochet Romance’.

 

Ik herinner me ‘The Tennessee Waltz’.

 

Ik herinner me ‘Sixteen Tons’.

 

Ik herinner me ‘The Thing’.

 

Ik herinner me The Hit Parade.

 

Ik herinner me Dorothy Collins.

 

Ik herinner me de tanden van Dorothy Collins.

 

Ik herinner me dat ik in een uitdragerij werkte en alles goedkoper verkocht dan de bedoeling was.

 

Eigenlijk vond ik deze opsomming van min of meer willekeurige liedjes, films en andere fenomenen uit de populaire cultuur van de jaren vijftig altijd al onweerstaanbaar grappig, maar zojuist snapte ik pas hoe die laatste herinnering, die zich lijkt te onttrekken aan de thematische of associatieve logica van het eerste deel van de passage, er op een ander niveau juist een commentaar op is. De uitdragerij is dan de opsomming van tweedehands rommel die voorafgaat, en dat de ik-figuur ‘alles goedkoper verkocht dan de bedoeling was’ een ironisch commentaar op de schrijfarbeid.

Het element van zelfreflectie in combinatie met de affectieve lading, doet me aan camp denken (en natuurlijk aan Notes on Camp van Susan Sontag). Dat is nog zo’n betekenislaag die zonder al te expliciet te worden toch telkens opnieuw opduikt: hoe Brainards seksuele zelfexpressie als homoseksuele man en zijn culturele en artistieke voorkeuren elkaar op allerlei manieren doorsnijden. Of misschien speelt het zich allemaal in mijn hoofd af, omdat we telkens heen en weer springen van intieme en expliciete passages (‘Ik herinner me seksuele fantasieën waarin ik het deed met een vreemde in het bos.’) naar mode (‘Ik herinner me hele lange handschoenen.’), liedjes en filmsterren. Soms ook samen in één herinnering: ‘Ik herinner me dat ik me aftrok bij seksuele fantasieën waarin John Kerr voorkwam. En Montgomery Clift.’

Ik herinner me maakt als compositie op een hele slimme manier gebruik van het eindige karakter van het geheugen. De overweldigende hoeveelheid herinneringen zorgt ervoor dat iedere lezing automatisch een selectie wordt en in iedere nieuwe selectie openbaart zich een nieuwe versie van dezelfde tekst. Het geeft het boek een heel eigen rijkdom; alsof Brainard in een enorm gulle bui alles wat hij kon vinden met je gedeeld heeft.

Misschien is die gulheid wel wat voor mij uiteindelijk het bescheiden wonder van Ik herinner me is. Dat Brainard een nieuwe vorm gevonden heeft om over zichzelf te schrijven en dat deze vorm in combinatie met de directheid en de eerlijkheid van de herinneringen, het gevoel geeft dat je echt iets krijgt, iets belangrijks en leerzaams. Iets heel particuliers, dat toch heel herkenbaar is.

 

Herinneringen als actieve processen

Een paar weken geleden las ik met enkele studenten een paar passages uit Ik herinner me. Iemand gaf te kennen dat hij de tekst moeilijk te lezen vond, omdat hij twijfelde aan de waarheid van de herinneringen. Mijn antwoord was dat het mij leek alsof Brainard hier zelf ook aan twijfelt en dat hij dit thematiseert in de tekst.

 

Ik herinner me dat Picasso werd geboren in 1881. (Aangezien ik geen geheugen heb voor feiten, heb ik me dat feit ingeprent en ben ik het nooit vergeten.)

 

Deze herinnering benadrukt dat een feit iets anders is dan een herinnering. Op deze manier wijst Brainard ons erop dat alle andere herinneringen uit het boek nadrukkelijk niet dezelfde status als feiten hebben; dat het niet zinvol is om het boek te lezen als waar of onwaar omdat we van de auteur weinig feitenkennis hoeven te verwachten.

 

Ik herinner me een van de eerste dingen die ik me herinner. Een frigidaire. (Iets anders dan een ijskast.)

 

Wanneer je je iets herinnert, wordt deze herinnering als het ware opnieuw opgeslagen. Het herinneren van de herinnering, verandert deze. Met iedere keer dat een herinnering opgeroepen wordt, raakt de oorspronkelijke gebeurtenis dus verder uit beeld. Vandaar deze herinnering aan een vroege herinnering.

 

Ik herinner me dat bij psychologie de leraar op een dag vroeg of iedereen die een regelmatige stoelgang had zijn vinger wilde opsteken. Ik herinner me niet of ik een regelmatige stoelgang had of niet, maar ik herinner me wel dat ik mijn vinger opstak.

 

Ik herinner me dat ik mijn naam ongeveer een week lang in Bo Jainard veranderde.

 

Ik herinner me dat ik mirror niet kon uitspreken.

 

De laatste paar herinneringen die Brainard met ons deelt, gaan bijna allemaal over (veranderde) namen en ze hinten naar oneerlijkheid over jezelf (liegen over je stoelgang) of naar de onmogelijkheid om jezelf te zien (mirror niet kunnen uitspreken). De allerlaatste herinnering wil ik graag voor de lezer overlaten die het boek nog niet kent en het nog wil lezen. De herinnering is onvergetelijk, en vat het hele boek samen terwijl ze tegelijkertijd alles wat we gelezen hebben in twijfel trekt.

Op mij heeft die laatste herinnering iedere keer het effect dat ik iets meer begrijp over wat een herinnering is, hoe een herinnering kan voelen, hoezeer herinneringen afwijken van de feiten van een leven en hoe belangrijk ze zijn. Het herinnert me eraan dat herinneringen een soort werk zijn, dat het herinneren zelf een daad is, op dezelfde manier als lezen en schrijven geen passief oproepen van informatie zijn, maar actieve processen.

 

Ik herinner me niet precies hoe het ook alweer zat met Kenneth Koch

Waarmee we, aan het einde van deze bespreking, toch weer bij die klasjes creatief schrijven zijn gekomen. Een van de eersten die onderkende hoezeer Brainards formele innovatie aanzet tot schrijven, was Kenneth Koch, die in zijn lessen creatief schrijven aan kinderen met de ‘Ik herinner me’-vorm begon te werken. (Althans, zo herinnert Ron Padgett het zich. Zelf dacht ik dat Koch juist met ouderen werkte in een verzorgingstehuis, maar misschien haal ik verschillende dingen door elkaar.) In de geest van Joe Brainard zijn sindsdien in talloze lokalen door talloze schrijfdocenten talloze schrijvers aan het herinneringswerk gezet. Ik heb zelfs eens iemand ontmoet die de vorm al jaren onderwees, zonder ooit van Brainard gehoord te hebben. (Gelukkig voor die iemand kan ik hier niet onthullen wie het precies was, omdat ik dit vergeten ben.)

Ook buiten de context van workshops en klaslokalen blijven auteurs bewust of onbewust het pad aflopen dat Brainard voor het eerst bewandeld heeft. Je me souviens van Georges Perec lijkt soms de herinnering aan Brainard verdrongen te hebben, omdat mensen Je me souviens wel kennen en I Remember niet. De Amerikaanse auteur Harry Mathews schreef na de dood van Perec Verger, een boek in het Frans met louter herinneringen aan, inderdaad, Georges Perec. In het Nederlands werkten onder anderen Rudy Kousbroek, Sasja Jansen en ondergetekende met de vorm. Zelf ben ik inmiddels zover dat ik meteen aan Brainard denk wanneer ik in een willekeurig essay een keer of zeven ‘I remember’ lees, en nog een paar keer ‘I can’t remember’ of ‘I don’t remember’. (Beoordeel eventueel zelf of dit terecht is of niet.)

Soms stel ik me voor dat iemand met veel talent voor research en speurwerk, met een enorm netwerk en een nog grotere talenknobbel, de tijd en moeite neemt om alle versies van I Remember bij elkaar te brengen die ooit geschreven zijn, om een soort collectieve megamemoires van de afgelopen vijftig jaar te verzamelen, in alle talen waarin de herinneringen geschreven zijn en vanuit zo veel mogelijk perspectieven door elkaar. Misschien zou dat een boek opleveren dat nóg rijker en veelkantiger is dan Joe Brainards I Remember.

Uitgeverij Oevers, Amsterdam, 2022
Vertaald door: Johannes Jonkers
ISBN 9789492068880
232p.

Geplaatst op 10/06/2022

Tags: Herinneringen, Ik herinner me, Joe Brainard, Kenneth Koch, Paul Auster

Categorie: Proza, Recensies

Reacties

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.