Proza, Signalement

De schrijver die werd vergeten, herontdekt, en opnieuw vergeten

Laten we vader eruit gooien

Mary Dorna

Mary Dorna (1891-1971) bracht haar laatste levensjaren geïsoleerd door in een Amsterdams appartement. Daar wachtte de korte verhalenschrijver, door ouderdom en ziekte blind geworden, op de belevenissen van haar man, een kunsthandelaar die vaak dronken en laat thuiskwam. Het was Dorna’s enige contact met de buitenwereld – essentieel voor haar schrijverschap. ‘Al mijn verhalen berusten op beleefde werkelijkheid,’ zou Dorna ooit tegen Simon Carmiggelt gezegd hebben (Kronkel in Het Parool, 1967). ‘Ze zijn waar gebeurd. Ik behoor niet tot diegenen die iets kunnen verzinnen.’

Dat venster op de buitenwereld is alom aanwezig in haar verhalenbundel Laten we vader eruit gooien, een door Nijgh & Van Ditmar opnieuw uitgegeven bloemlezing uit 1967. In zeventien verhalen volgen we een naamloze hoofdpersoon die langzaam opgroeit van meisje tot vrouw in alledaagse situaties: het avondeten bij haar ouders, op pad met de huishoudster voor boodschappen, een bezoek aan de kermis.

Die situaties lijken weinig avontuurlijk, maar door oog voor detail, het vastleggen van menselijk onvermogen en scherpe humor tilt Dorna de verhalen naar een hoger niveau. In het openingsverhaal ‘Beleefd verzoek’ komt dat al goed naar voren. Het plot is relatief simpel: familie komt langs om te eten, de ik-persoon vindt ze vervelend, dus stuurt ze een brief – die ze laat schrijven door de boekhouder – waarin ze hen beleefd verzoekt niet meer langs te komen.

In het verhaal staan haar vaderhaat, de verachting van de burgerij (Dorna komt uit een relatief welvarend gezin) en haar fascinatie voor ‘simpele beroepen en mensen’ centraal. Zo vindt haar tante dat ze met kort haar op een zigeuner lijkt, wat de ik-persoon een compliment vindt, en natuurlijk de humor: ‘De hele familie had gestudeerd en graden gehaald. In mijn onverstand trok ik hieruit de conclusie, dat ze allemaal te kleine keelgaten hadden en ik vroeg of ze zich zo geregeld verslikten.’

Dorna, geboren in Amsterdam als Mary Stoppelman, doet het niet goed op school en kan geen opleiding echt afmaken. Ze trouwt als achttienjarige met een Britse diplomaat die een betrekking krijgt in Argentinië. Het is een slecht huwelijk, haar man is seksueel gewelddadig. Dorna wil eigenlijk terug naar Nederland, maar haar vader staat dat niet toe. Uiteindelijk haalt ze haar man over een betrekking te nemen in Düsseldorf, waar ze op een dag wegloopt en bij een hospita in een volkswijk intrekt – waarschijnlijk speelt het verhaal ‘Mittelstrasse 5’ zich daar af.

In de verhalen lopen fantasie en de beleefde werkelijkheid door elkaar. Het is veelzeggend dat biograaf Toke van Helmond Dorna’s verhalen geloofwaardiger vindt dan haar interviews. Ze gebruikt elementen uit haar eigen leven en plakt die op andere situaties en personages in haar verhalen. Zo gaat de ik-persoon in ‘Een buitenlandse badgast’ op vakantie in hotel Quisisana, een pension waar Dorna’s tweede man Bruno een tijd woonde. Of neem ‘Oom Ricardo’, een eigenzinnige bohemien, in het verhaal de oom van de ik-persoon, maar in werkelijkheid gemodelleerd naar Bruno’s oom.

Een van de overeenkomsten tussen de verhalen in de bundel lijkt het verraad van de volwassen wereld. Het beste is dat te zien in ‘Het verraad van de enkeling’ waarin de ik-persoon een verbond aangaat met haar vader, zus en vriendin, maar zodra de ik-persoon wegloopt, wordt haar geheim doorverteld.

Ze hadden léf, zowel de grote mensen als de kinderen, wanneer ze in de meerderheid waren – en laf waren ze in de minderheid. En ik verheugde mij een beetje over de aardige toevallig uitvinding van léf, laf, die ik ’s avonds bij het eten debiteerde, door voor me heen te prevelen léf-laf, léf-laf.

Ook als de ik-persoon zelf volwassen is, blijft het voelen alsof de ‘volwassen’ wereld haar verraadt. In ‘Een zekere juffrouw Leida’ neemt ze een huishoudster, Leida, die slecht schoonmaakt, af en toe dingen steelt en liegt. De ik-persoon vindt deze huishoudster door haar onaangepastheid juist leuk en houdt haar aan. Als ‘Het Steun’, de vroegere bijstand, langskomt omdat Leida het schoonmaakwerk niet had opgegeven als werk, krijgt de ik-persoon een vermaning. ‘Van Het Steun kreeg ik het soort uitbrander, dat ik me nog van boze leraren en beledigde ooms en tantes herinner.’

Dorna schrijft onbevangen. Schrijver Alma Matthijssen, die voor het Literatuurmuseum een vroegere versie van ‘Een buitenlandse badgast’ analyseerde, komt tot de conclusie dat wanneer Dorna haar verhaal reviseert, de taal juist oubolliger en gedateerder wordt. De verhalenschrijver moet het van haar eerste impuls hebben. Voor haar omgeving maakt dat haar soms onhandelbaar, maar die eigenzinnigheid levert ook goede anekdotes op. Zo gaat het verhaal dat Dorna pas ging schrijven nadat een vriend haar uitdaagde een stukje te schrijven dat langer was dan twee chocoladerepen.

Dat beviel haar. Tussen 1926 en 1941 schreef ze meer dan honderdzestig verhalen die verschenen in tijdschriften als Het Volk en De Groene Amsterdammer. Ze ontdekte dat ze voor verhalen geld kon krijgen. Dorna gebruikt voor haar verhalen vaak de persoonlijke levenssfeer en haar observatievermogen. Volgens Dorna zelf omdat ze niet anders kan, maar misschien is het ook een manier om het leven van haar af te schrijven – Dorna had immers een veelbewogen leven – al blijft het gissen.

Daarmee lijkt Dorna ook een nieuw genre in te zetten, dat van de journalistieke observerende column, nog voordat de grootmeester Simon Carmiggelt, die Dorna ook bewonderde, met zijn cursiefje startte. In ‘Het jongetje Eelco’ beschrijft Dorna hoe een braaf jongetje bij een strandtent volledig uit zijn plaat gaat na een verkeerde opmerking. Hoewel de schrijver in het stuk refereert aan allang vergeten acteurs – een verklarend notenapparaat zou daarbij handig zijn – zou het stuk ook vandaag gepubliceerd kunnen worden door bijvoorbeeld Sylvia Witteman in de Volkskrant.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog stagneert Dorna’s productie. Ze was Joods, maar redde zichzelf van vervolging door een leugen: ze deed zich voor als Argentijnse. De oorlogsdreiging en het verdwijnen van vrienden gaven haar stress, met verschillende zenuwinzinkingen en depressiviteit tot gevolg. In een brief uit 1946, vlak na de oorlog, schrijft ze aan haar dan ex-man Bruno:

Ja menschen, ik ben doodziek geweest, eigenlijk jarenlang […], pogingen tot zelfmoord – ik heb gewoon op den rand van het dak geloopen […] en ik ging in het water – waarbij ik, stommeling, de deur liet openstaan, en het geweldige schorem, mij wel redde – doch alles gestolen heeft wat ons nog overgebleven was.

In de daaropvolgende jaren wordt Dorna zieker. Ze schrijft sporadisch, krijgt staar en raakt langzaam blind. Uiteindelijk raakt ze aan lager wal. Om toch wat geld te verdienen, geeft haar derde man Henk vanaf eind jaren zestig enkele van haar bundels opnieuw uit, waardoor ze wordt herontdekt, na in vergetelheid te zijn geraakt: Dorna werd door kranten en televisie geïnterviewd, de bundels verkochten goed. Voor de schrijver leek het echter niets uit te maken, het succes ging langs haar heen.

Daaruit blijkt ook een naïviteit die moeilijk te doorgronden is: is het gespeeld of oprecht? Dat is één van de facetten die Dorna tot een enigma maken: waar begint de leugen en waar eindigt de beleefde werkelijkheid? Dat is goed te zien in het verhaal ‘Het rose geheim’ als de hoofdpersoon samen met dienstmeid Da augurken gaat halen, maar in het geheim een bezoek brengt aan de verjaardag van Da’s zuster Nelly die als sekswerker in een hoerenbuurt werkt. Daar krijgen ze rode wijn en er komen mannen binnen met wie Nelly kust. Als ze terug naar huis gaan, vraagt Da de hoofdpersoon te zweren niets aan haar moeder te vertellen, maar ze begrijpt niet waarom, of wil ze niet weten waarom?

Hoewel de verhalen een goed beeld geven van het oeuvre van de schrijver, ontbreekt de context. Een simpel jaartal van publicatie na elk verhaal, een korte inleiding of biografie van enkele pagina’s zou veel verheldering en houvast bieden – zeker omdat de verhalen zo verweven zijn met Dorna’s levensloop. Ook is de uitgave slordig; de tekst bevat verschillende spelfouten en er staan paginanummers middenin de lopende tekst.

De zeventien verhalen steken wat schril af tegenover de meer dan honderdzestig verhalen die Dorna schreef. Enkele periodes lijken daardoor minder aanwezig: haar Argentijnse tijd bijvoorbeeld, of de tijd met haar tweede man terug in Amsterdam.

Zo ontbreken de verhalen ‘Alle eendjes zwemmen…’ waarin Dorna haar rapport vol enen en andere slechte cijfers verscheurt en in een gracht gooit, onderwijl zingend: ‘Alle ééndjes zwemmen in het water, falderalderiere…’, en het verhaal ‘…of niets veranderd is’ waarin de schrijver op latere leeftijd door diezelfde buurt loopt en de moutlucht van de bierbrouwer haar doet denken aan haar slechte ervaringen op school. Het ruiken, dat zintuigelijke, komt overigens vaker terug. Zo kan enkel het proeven van zure melk nieuwe herinneringen of gedachten opwekken.

Dat alles doet niets af aan de heruitgave van dit werk in de monumentale Salamanderreeks, de mooi ontworpen kaft met kermiskraam of de intenties van de initiatiefnemers die Dorna opnieuw herontdekten – schrijverscollectief Fixdit dat streeft naar meer diversiteit en minder genderongelijkheid in de canon en de literaire wereld.

Laten we hopen dat deze herdruk niet enkel een kortstondige heropleving is, maar juist een opmaat voor iets groters, een verzameld werk bijvoorbeeld – een suggestie die haar biograaf al in 1977 deed – of misschien wel een verfilming van Mary Dorna’s bijzondere en veelbewogen levensloop.

 

Een signalement door Fabian de Bont over Laten we vader eruit gooien van Mary Dorna.

Nijgh & Van Ditmar, Amsterdam, 2021
ISBN 9789044545906
159p.

Geplaatst op 25/03/2022

Tags: Mary Dorna

Categorie: Proza, Signalement

Reacties

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.