Deel Facebook Twitter / X LinkedIn
In de themareeks ‘Schrijfrobots. Code en creatie in de literatuur’ onderzoekt De Reactor de rol van artificiële intelligentie (AI) in de literatuur in het algemeen en de Nederlandstalige literatuur in het bijzonder. Er is geen twijfel over mogelijk dat AI een grote impact heeft op de toekomst van de culturele sector. Op welke manier beïnvloedt AI het werk van schrijvers, kunstenaars en andere makers? Welke impact heeft OpenAI op de creatieve, ecologische, economische en juridische kanten van literaire teksten? De grote hoeveelheid zoekopdrachten in programma’s als ChatGPT en Gemini zet de energie- en waterreserves van de aarde onder druk. Tegelijkertijd biedt AI ook vele mogelijkheden, die bijvoorbeeld in de medische wereld voor revolutionaire doorbraken zorgen. Welke voor- en nadelen kent AI in relatie tot literatuur en hoe wegen die tegen elkaar op? In deze themareeks zoeken we naar antwoorden op deze vragen en meer. We bundelen bijdragen van auteurs die in uiteenlopende vormen – essays, recensies en een podcast – aan de slag gaan met wat wordt gezien als een van de grootste uitdagingen van deze tijd. In deze recensie van Maxime Garcia’s Diaz’ poëziebundel Het netwerk moet gebouwd worden onderzoekt Jan-Bart Claus de pregnante kritiek op het techkapitalisme die in de poëzie verscholen zit.
Laatst, tijdens het lezen van Maxime Garcia’s Diaz’ nieuwste bundel Het netwerk moet gebouwd worden (2025), was het moeilijk om de volgende gedachte van dichter en componist Samuel Vriezen weg te slaan: ‘Waarom steeds maar oproepen tot gevaarlijk schrijven, maar nooit eens tot gevaarlijk lezen? Of: wat als we nou eens als axioma aannemen dat alleen een lezer de poëzie gevaarlijk kan maken.’ Het stukje komt uit Vriezens essaybundel Netwerk in eclips (2016). Vertrekkend vanuit de idee dat de taal ons met de werkelijkheid verbindt, en dat poëzie dus de ‘kunst van het verbinden’ is, betoogt de essayist dat we vandaag nieuwe betekenissen nodig hebben. In een wereld waar het kapitalisme de taal en het lichaam beheerst, gaat de mens namelijk als betekenisgevend wezen ten onder. Verzet tegen die ondergang begint, aldus het citaat, bij gevaarlijke poëzie.
Sinds de met C. Buddingh’-prijs bekroonde bundel Het is warm in de hivemind (2021) weten we dat Diaz zulke poëzie schrijft. Het gaat er daarbij om dat het gedicht de wereld van vandaag belichaamt. Zo liet Frank Keizer eerder op dit platform zien hoe Diaz zich richt op ‘materialiteit’. Het is warm daagt de grenzen van het papier uit door het internet binnen te laten aan de hand van qr-codes of door van het net geplukte memetaal te gebruiken. Parallel daarmee verandert het sprekende ik, dat herkenbare, uit het leven geciteerde fragmenten opzegt, in een digitale Frankenstein. Door te laten zien hoe internettaal het denken en spreken aantast, wijst Diaz onder meer op de effecten van nieuwe media op ons bewustzijn.
In Het netwerk moet gebouwd worden, dit keer genomineerd voor de Herman de Coninckprijs en De Grote Poëzieprijs 2026, keert die thematiek terug, maar zit het duidelijker vervat in een pregnante kritiek op het techkapitalisme. Het coverbeeld neigt bijvoorbeeld naar eenentwintigste-eeuwse vanitas. Hoewel sterk gepixeleerd (waardoor het lijkt op een Rorschach-test waar je ziet wat je wil), doen vier witte, verticale structuren denken aan kaarsen. Een lange, twee halflange en een korte kaars verbeelden de vliedende tijd. Daarachter staat een moloch van een desktop, waarin stukjes van het binnenwerk vallen te ontwaren, en rechts vooraan lijkt een diskette te liggen. Als memento mori is het beeld een herinnering aan onze onhoudbare, onoverzichtelijke en verdeelde tijd, maar het beeld kondigt bovenal aan dat voor de computer het laatste uur geslagen heeft.
De pixels symboliseren wat de dichter in deze bundel betracht. Enerzijds is het de bedoeling om het beeld onscherp te maken om ons weer te leren zien. Diaz is wat dat betreft vreselijk helder over wat ons voorlopig ontgaat: ‘Alles gaat dood, dood, dood.’ Anderzijds wil de dichter het in deze bundel over verbinding hebben. Resolutie is nu eenmaal een kwestie van aantallen: hoe meer pixels, hoe scherper het beeld. Nieuwe media beloven meer verbinding en dus een scherp beeld van de wereld, maar in de hedendaagse digitale toestand blijkt dat bedrog. Overgelaten aan vleiende en charmante algoritmes vereenzelvigt en vereenzaamt de mens, terwijl ons begrip van de wereld verkleint. Diaz stelt daar verenigen tegenover onder het mom van ‘het netwerk bouwen’. Door het autobiografische in te zetten doet zij al snel de vraag rijzen of wij nog een verhaal delen, maar voor je het weet raak je bevangen door het netwerk van personalia en wil je kasseien door al jouw beeldschermen smijten.
Verzameltekst
Met 244 pagina’s aan poëzie doet de bundel denken aan een bonkige serverkast, waar de kabelsoep niet uit elkaar is te halen. Het boek bestaat uit negen afdelingen, die niet op elkaar verder bouwen. Er is enigszins een verband te vinden in terugkerende titels: ‘Verloren partitie 0’ en ‘Amerika 0’ waar Het netwerk moet gebouwd worden mee begint, en ‘Amerika 1’, ‘Amerika 0’ en ‘Verloren partitie 1’ in het slot. Maar de afdelingen daartussen (zoals ‘Donkere zomer’, ‘Neopets gaan nooit dood’ en ‘Ontruiming van een gedicht’) onttrekken zich aan die logica en staan op zichzelf.
Een gelijkaardige willekeur vinden we in de typografie. De bundel bevat zwarte, door Diaz geschreven tekst; blauwe, door een machine vertaalde tekst; en rode, van het internet geplukte tekst. Vooral de afdelingstitels staan in blauw, terwijl zwart en rood elkaar afwisselen in de gedichten. Zo ontstaat de indruk van lapwerk, wat versterkt wordt door de volle lijnen die in een aantal gedichten de strofes van elkaar scheiden.
Die gedichten nemen op hun beurt verschillende vormen aan. Diaz hanteert nu eens een strakke lyrische vorm, zoals het gedicht ‘Het Hof van de koning’, dat bestaat uit vijftien strofes van drie regels. Dan weer zijn er gedichten met een vrijere structuur, die door de geschrankte regels aan Van Ostaijen doen denken. Daarnaast zijn er gedichten die bestaan uit strofes van één regel, verhalende prozagedichten die bestaan uit lange alinea’s, en gepoëtiseerde dagboekfragmenten.
Nog verder rekt de bundel genregrenzen uit in theaterdialogen en poëtische essays, waar het lyrische ik sterk op de voorgrond staat. Waar een spreker genaamd ‘LYRISCH SUBJECT’ in de dialogen ongefilterd aan het woord komt, is de bespreking van het kunstwerk ‘Edge’ van de Amerikaanse expressionist Philip Guston in het essaygedicht ‘De vreemde hond van de geschiedenis’ sterk gemedieerd. Het ik leest Guston door de lenzen van Jacques Derrida en Walter Benjamin, en die lectuur komt tot bij ons in een gedicht.
In Het netwerk moet gebouwd worden heerst een totaal gebrek aan structurele houvast. Misschien vertaalt het lyrische ik daarom W. B. Yeats in het gedicht ‘Textraño’ (Spaans voor ‘ik mis je’): ‘Het centrum hield het / niet.’ De veelvormigheid vindt weerklank in de verschillende referenties aan andere dichters, zoals Ezra Pound en Allen Ginsberg. Het resulteert in een ‘netwerk waar je niet uit kon ontsnappen’ met ‘knooppunten die besmetten’, twee regels uit ‘Levend voorwerp’. ‘Levend’ heeft dan wel een heel andere betekenis, omdat het leven zich in deze bundel vooral afspeelt in pixels. Alles is ‘altijd media! Altijd gemedieerd’, aldus het lyrische ik in ‘Het Neopiaanse weeshuis’, en dus gebeurt alles ook op een afstand: ‘Altijd online zijn voelde ongemakkelijk, alsof je door een kamer liep waar je constant tegen de muren aan liep. Telkens moeten vertalen, het je voorstellen, in plaats van direct ervaren.’
Het internet staat de mens dan ook in de weg in de bundel. Het is een alomtegenwoordige filter, dat alles tot tekst reduceert. In ‘Dood centrum’ staat er bijvoorbeeld in rode, geplukte tekst dat het wereldwijde web ‘in staat is tot autopoëse maar gedwongen wordt om allopoëtisch te functioneren’. Het web brengt zelfs niks voort, dat is wat ‘autopoëse’ betekent, maar is een schakel van een systeem dat de mens in een voorspelbaar product verandert. Het gedicht ‘AMS-IX’, een referentie aan het internetknooppunt ‘Amsterdam Internet Exchange’, verwoordt die vervreemding in een scherp chiasme: ‘toen ik een meisje was zat ik op de computer / Toen ik op de computer zat was ik een transatlantische verbinding.’ Op gelijkaardige wijze maakt Het netwerk moet gebouwd worden van de lezers een node, ofwel een informatieverwerkend knooppunt. Er vallen zodanig veel verschillende vormen en genres te lezen, dat betekenis vluchtig wordt en je eigenlijk alleen maar bezig bent om uiteenlopende codes te verwerken.
Als verzameltekst legt de bundel zo het verband tussen een gebrek aan een logische, gestructureerde verdeling en onze gedigitaliseerde wereld. Tonen dat er geen rode draad meer is, is hier met andere woorden de rode draad. De verloren partitie waar de bundel naar verwijst, heeft dan ook te maken met dat verloren centrum. Binnen de computerwetenschappen refereert ‘partitioneren’ aan de verdeling van een harde schijf in logische delen, opdat de schijf kan worden gebruikt. Diaz maakt daarentegen elke structurerende, ordende logica onklaar. Dat brengt een leegte voort waaruit een sterk verlangen naar menselijkheid klinkt. De ondermijnde verdelingslogica ontwikkelt zich tot een pleidooi voor wezenlijke, menselijke verbinding, niet het minst met de niet-digitale wereld. Heel letterlijk komt die drang naar voren in het gedicht ‘Rozenknop’, waar ook Herman Gorter weerklinkt:
Toen de partitie verloren ging
en informatie niet langer georganiseerd was,
kwam het tevoorschijn en bloeide. Een bloem
in de lente.
Readymade
De informatie die in Het netwerk centraal staat, komt vooral uit Diaz’ leven. De bundel bevat bijvoorbeeld foto’s en dagboeknotities die Diaz maakte naar aanleiding van haar studie aan de Universiteit van Iowa. Daardoor hing zij een periode tussen Amsterdam en Iowa, waarover zij verslag doet in twee lange, documentaire gedichten: ‘Iowa Dagboek 1’ en ‘Iowa Dagboek 2’. De gedichten zijn opgebouwd uit gedateerde notities vergezeld door plaatjes van onder andere Iowa City, een vliegveld, een klaslokaal, een living, Diaz zelf, of van Messenger en WhatsApp-berichten. Op welk continent ze zich bij het schrijven van de notitie bevond, kunnen we goed volgen in de data die fragmenten voorafgaan. In Nederland staat de dag eerst, in Amerika de maand.
In het eerste gedicht komen de tekstjes hoofdzakelijk over als fragmentarische, uit het leven gegrepen reflecties, zo banaal en achteloos neergepend dat ze eerder impulsieve gedachten lijken dan cerebrale en doorwrochte dichtregels. Soms nemen ze de vorm aan van schrijfoefeningen op een digitale notitieapp, zoals de volgende in Amerika geschreven bedenking:
9/2/2023
Het kreunen van het koffieapparaat klinkt bijna menselijk vandaag.werd nooit somber zoals de eerste dagen
OP MIJN NIEUWE FIETS naar de barbecue
en er is veel te bereiken morgen
Maar in ‘Iowa Dagboek 2’ neemt de lengte van de fragmenten toe en zien we op ‘08/28/2024’, eveneens Amerika, hoe een lange, prozaïsche alinea een notitie binnen fietst. Die inconsequentie, waarin we opnieuw het ontbreken van eenheid zien, krijgt betekenis in ‘02/29/2024’:
Een pendant van die documentaire trek vinden we in het sterk aanwezige ik-perspectief. De bundel leest als een autobiografie, met name de cyclus ‘Neopets gaan nooit dood’. Daar luisteren we naar een lyrisch subject dat in prozagedichten terugblikt op haar jeugd. Als tiener was zij verslaafd aan het virtuele dierenspel ‘Neopets’, waar gebruikers digitale diertjes kunnen adopteren en aanpassen (‘customizen’) naar smaak. Het ik vertelt hoe ze ‘Fraysham’ adopteert, de gilde ‘Neopian Orphanage’ opricht en mensen als ‘Melissa’ en ‘Freesong’ ontmoet. ‘Ik overweeg het woord hobby,’ zegt het ik, maar het spel blijkt al snel veel meer plaats in te nemen. Het subject zit al gauw ‘acht uur per dag’ achter de computer en droomt ervan, ‘jaloers op Freesong’, chronisch ziek te zijn ‘zodat ik de hele dag op Neopets kon zitten’. Het einde van het gedicht maakt duidelijk dat er een interventie aan te pas is gekomen: ‘Uiteindelijk ging ik weer naar school. Er moest heel wat aan te pas komen – […] – maar ik ging weer naar school.’
Die ik-stem valt weliswaar niet helemaal te vereenzelvigen met Diaz, hoe verleidelijk die identificatie ook is. Dit blijft een bundel dat het autobiografische inzet om kritiek te geven op de cultus van de persoon van de schrijver. De volgende reflectie kunnen we dan ook zo lezen: ‘Ik zat in de achterkamers mijn urn te maken. Hij was prachtig toen ik klaar was. Een keurig productje. Ik had hem kunnen insturen voor wedstrijden. Had het iets met mij te maken? Het had iets met mij te maken.’ Opnieuw verwijzend naar Yeats geeft de spreker een sneer aan het literaire bedrijf. Maar ook sociale media zetten ons ertoe aan ‘hyper, hyper, hyper, hyper, hyper- / zichtbaar’ te zijn en Diaz wijst erop dat dat niet minder druk uitoefent op literatuur: ‘Zal ik dan nu de kaart van mijn eigen achtergrond trekken?’
Door zich op die manier op het ik te richten, laat Diaz tevens zien dat het existentiële ik in slechte papieren zit. Autobiografisch schrijven vergt het geloof in een vol en kenbaar ik, terwijl de poëzie hier in het teken staat van een onvindbaar, vervreemd en verlamd ik. Parallel daarmee nemen de regels op hun beurt een gevaarlijke gedaante aan: ze zijn even ‘stormgeslagen’ en wars van dichting, als de mens van menselijkheid ontdaan is. In de dagboeken klinkt vooral iemand die geleefd wordt (‘wat ben ik aan het doen?’) en verlangt naar lege dagen. Het ik vertelt voorts in het prozagedicht ‘Sylvia en Lana’ hoe ze zichzelf op Tumblr obsessief bij elkaar repost:
Ik wist dat ik het waarschijnlijk leuk zou vinden als ik het eenmaal daadwerkelijk zou consumeren, wat eigenlijk slechts formaliteit was, en misschien zelfs onnodig, daar was ik en ik was een kopie van een kopie, enzovoort, enzovoort.
Tot slot wist Diaz af en toe namen uit. In plaats daarvan staat er een invullijntje, wat de dynamiek van een autobiografische leeswijze blootlegt: de schrijver vult niet voor ons in, maar wij vullen voor de auteur in. Om al die redenen smeekt het ik in de dialoog ‘Vreemdehonden’: ‘Laat me nu zien hoe ik kan ontbinden, ongedaan maken, tijdgod spelen. En uitwissen.’
Het netwerk moet gebouwd worden toont kortom welke impact het internet en de computer hebben op ons bestaan. Tot ons spreekt immers niet de schrijver, maar een in brokken privé-informatie gefragmenteerd lichaam. ‘Een individueel leven genereert een archief’, klinkt het in ‘Deze machine vermoordt fascisten omdat ze wil morgen’, maar dat archief bestaat dan wel ‘zonder de container van persoon’. Dat geldt ook voor het ik in deze bundel. Het lijkt op het eerste gezicht gemodelleerd op het leven van Diaz, maar deze poëzie weigert zich daartoe te beperken. Eerder zet de dichter het autobiografische ik in als een readymade: herkenbaar en toch anders. Waar sociale media gebruikers verpakken tot voorspelbare voorkeuren, zo lijkt dit ik op analoge wijze voorverpakt.
In computertermen zien we vervolgens hoe het kant-en-klaargemaakte ik zich niet kan defragmenteren, ofwel haar data omvormen tot een coherent geheel. Digitale technologie verknippen de mens, stelt deze bundel, en je gaat daar ongemakkelijk bij schuifelen omdat in alles hier de almacht van algoritmes doorschemert. In Het netwerk moet gebouwd worden houdt het ik als readymade dan ook een aanval in op ‘onmiddellijkheid’, zoals Anna Kornbluh die beschrijft in Immediacy, or The Style of Too Late Capitalism (2023). Kornbluh betoogt dat literatuur vandaag in het teken staat van een zo snel mogelijke, frictieloze consumptie, waardoor de persoon van de schrijver en autofictie aan belang winnen. Geen lastige, moeilijke vragen, maar ‘it is what it is’. Dat ontwortelt, stelt Kornbluh, omdat onmiddellijkheid ons in een ‘sovereign mini-reality’ forceert en een gedeelde taal, wat immers bij de gratie van frictie bestaat, onmogelijk maakt. Diaz’ bundel staat daarentegen in het teken van frictie en de aanval op het ik als een virtuele echokamer.
Onder de straatstenen
In haar verzet tegen internet is Diaz ten slotte allesbehalve gelaten. De intertekstualiteit, het overwoekerde ik en de onmogelijkheid van een centrum doen postmodern aan, maar op die postmoderniteit bouwt deze bundel aan een nieuw, hervonden geloof in een toekomst. ‘Mijn eerste droom’ bevat een strofe die zonder meer een avant-gardistische poëtica doet vermoeden:
Ik ben maar een meisje…
dat voor de taal staat
en haar probeert iets te laten doen
waar ik in kan geloven 🙂
Daarbinnen passen voorts de veelvuldige aansporingen tot verzet tegen het netwerk, maar bijvoorbeeld ook tegen een falend woonbeleid. Het gedicht ‘Hotel Mokum’ verweeft onder andere het gebrek aan woningen met het Mei 68-protest, en spoort aan onder de straatstenen van Amsterdam het strand te vinden. Hoewel dat weifelend begint (‘Vind ik het strand?’) eindigt het gedicht met een krachtige, emancipatoire vingerwijzing: ‘Ik zal het strand moeten gaan baren.’
Het valt moeilijk te ontkennen dat die ‘ik’ een ‘wij’ symboliseert en dat deze gedichten hun lezers willen mobiliseren. Het netwerk moet gebouwd worden blijft gevaarlijke poëzie die iets in gang wil zetten. Zo schrijft Diaz bijvoorbeeld in ‘08/26/2024’: ‘Steek een lucifer aan in de eerste regel / en zodra de lont brandt kunt je rustig doen wat je wil’. Niet toevallig is de eerste regel van deze bundel ‘ik ben het aan het bruutforceren’, terwijl kort daarna in ‘Agatha Dekenstraat 1’ het volgende staat: ‘Ik wil kapotmaken.’ Aan het einde van de bundel, wanneer de lont op is en de bom ontploft, is Diaz ontzettend helder hoe het resultaat van haar verzet eruitziet:
Ik sloopte de monitor
tot er alleen een hoekig wit karkas over was
en binnenin het karkas
startte ik op
Dat die strofe in de slotafdeling ‘Verloren partitie 1’ staat, laat niks aan de verbeelding over. In binaire code staat de verloren partitie dan immers ‘aan’ en is het doel bereikt.
‘Het netwerk bouwen’ heeft hier bijgevolg twee betekenissen. Enerzijds gaat het om het herstel van menselijk contact, anderzijds om de oprichting van een verzetsnetwerk tegen algoritmische almacht. Dat maakt de poëzie soms te ambitieus, schreef een collega-recensent elders. Wat het ook moge betekenen om een te ambitieuze dichter te zijn, voor Diaz gaat dat niet op. Het netwerk moet gebouwd worden is op verschillende vlakken een moedige en noodzakelijke bundel. Het durft verwachtingen te ondermijnen, nieuwe vormen te zoeken en de lezers aan te staren: doe het nu maar, dat nieuw geluid. Het maakt niet uit of er werkelijk iets van komt, wat telt is dat een dichter het lef heeft om ons te tonen dat het er niet goed uitziet zonder in pessimisme te verglijden. Diaz staat daar allesbehalve alleen in, maar geniet het ruime gezelschap van hedendaagse, jonge dichters die durven te kijken. Houd dat netwerk bij, en raap wat straatstenen.
Een recensie van Het netwerk moet gebouwd worden van Maxime Garcia Diaz door Jan-Bart Claus.
Reacties
Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.