Recensies, Samenleving

Ondraaglijke ongelijkheid

Kapitaal en ideologie

Thomas Piketty

Normaliter staan economische werken niet bekend als bestsellers. Veel leken zijn geïntimideerd door de abstracte manier van redeneren, het eventuele gebruik van wiskundige bewijzen en het ondoordringbare jargon. Met Kapitaal in de 21ste eeuw (2014) slaagde de Franse econoom Thomas Piketty (1971) erin op een bevattelijke en klare wijze het complexe gegeven van inkomens- en rijkdomongelijkheid in onze recente geschiedenis aan te tonen aan een groter publiek. De financiële crisis van 2008 was nog steeds voelbaar op mondiaal vlak, en het boek leek dus op het juiste moment te zijn uitgebracht om de zichtbare systeemfouten van het gefinancialiseerde neoliberalisme aan de kaak te stellen.

Het verzamelde empirisch materiaal in Kapitaal in de 21e eeuw toonde overduidelijk aan dat mondiale ongelijkheid sterk is gestegen sinds de jaren 1980. Deze vaststelling viel gewoon niet meer te ontkrachten in ideologische debatten. Piketty’s statistische materiaal is daarom een kant-en-klaar hulpstuk voor degenen die de economische status-quo willen veranderen. Het theoretische luik daarentegen was tamelijk beperkt. Het concentreerde zich op verschillende distributievormen van inkomen en rijkdom – inkomen uit kapitaal en arbeid & rijkdom door vergaring van land, vastgoed en financiële bronnen. Piketty schreef dus niet over het concept van kapitaal, namelijk de sociale relatie tussen degenen die de productiemiddelen bezitten en degenen die alleen arbeid ter beschikking hebben om inkomen te verwerven. Hij schreef voornamelijk een boek over rijkdom, hoe sinds de jaren 1980 het bezit van passieve eigendomsvormen een neo-patrimoniaal regime heeft gevestigd, en hoe dit regime ongelijkheid in de hand heeft gewerkt. Een van de voornaamste redenen van de heropleving van een dergelijk regime, zo schreef Piketty, was dat politieke elites gradueel het naoorlogse progressieve belastingsysteem hebben ondergraven. Hij bewees dus ook met staalharde cijfers dat de rijkste 1%, en zeker de rijkste 0,1%, fiscaal ontzien worden. De onderklasse wordt meer en meer uitgesloten van de samenleving, terwijl geschoolde arbeid en de middenklasse overmatig de fiscale lasten moeten dragen.

Piketty bewees verder dat de jaren 1950-1980, de trente glorieuses, een kantelpunt vormden in tweehonderd jaar kapitalisme. Als het kapitalisme niet afdoende wordt gereguleerd, ontstaat een onmiskenbare tendens naar concentratie van rijkdom ten nadele van de lagere klassen. Met betrekking tot de werking van dat kapitalisme kwam Piketty tot verschillende conclusies die ingaan tegen de heersende neoliberale ideologie. Enerzijds bewees hij dat een gereguleerd kapitalisme hogere productiviteitscijfers kan voorleggen dan de ongereguleerde variant. Actief ingrijpen in de inherente tendens tot ongelijkheid zal dus het kapitalisme juist beter laten functioneren. Anderzijds blijkt uit de cijfers dat een ongereguleerd kapitalisme passief eigendomsbezit – vastgoed, grond, financiële waardepapieren, etc. – meer laat renderen dan andere inkomensvormen. Met andere woorden, de ‘rate on return’ van deze passieve eigendomsvormen (dat wat Piketty ‘kapitaal’ noemt) is een stuk hoger dan deze van bijvoorbeeld inkomen uit arbeid. ‘Kapitaal’ zal steeds een groter deel van de koek (nationaal inkomen) opeisen wanneer overheden niet ingrijpen. Hierdoor zullen op langere termijn economische elites meer opbrengsten verkrijgen door louter het opsparen van de dividenden en rentes in plaats van de rijkdom te gebruiken als actieve investeringen in de economie. Terwijl voor het dominante economische paradigma sparen synoniem is met investeren, heeft Piketty empirisch bewezen dat deze zienswijze historisch en empirisch onwaar is. De 1% spaart rijkdommen tezamen die niet terugvloeien naar werkgelegenheid en productiviteit, terwijl de onderste lagen van de bevolking meer en meer te kampen hebben met schulden, en dus een gebrek aan liquiditeit.

 

Concentratie van rijkdom

Stijgende ongelijkheid is dus wat een ongereguleerd kapitalisme drijft. Zolang het neoliberalisme bestaat, zal deze ongelijkheid toenemen. We leven opnieuw in een patrimoniaal kapitalisme, waarvan de economische tendens tot rijkdomconcentratie de sociale en politieke stabiliteit van het systeem ondergraaft. Zowel de financiële crisis van 2008 als de coronacrisis zette deze contradicties verder op scherp, terwijl de politieke elites een billijker herverdelingssysteem blijven verhinderen. Ongelijkheid onder het neoliberalisme zal onvermijdelijk leiden tot meer politieke en maatschappelijke instabiliteit, gewoonweg omdat de concrete gevolgen ervan almaar tastbaarder zijn. Richard Wilkinson en Kate Pickett schreven hierover ook een standaardwerk, de The Spirit Level (2014). Hogere ongelijkheid raakt de laagste klassen het hardst in termen van diverse sociale kosten en persoonlijke gezondheid: een algemeen dalende levensverwachting, tekort aan adequate zorg voor langdurige ziektes, obesitas, een epidemie aan mentale problemen, etc. Op eenzelfde manier maken de auteurs ook brandhout van het populaire idee dat de nieuwe bestaansonzekerheden in het neoliberale kapitalisme het modale individu ertoe brengen om zichzelf heruit te vinden als een entrepreneur van zijn of haar eigen leven. In het vervolgwerk The Inner Level (2018) is duidelijk bewezen dat onze nieuwe ‘risicosamenleving’ eerder een lawine aan mentale problemen met zich meebrengt. De neoliberale macro-context zorgt voor een explosie aan depressies, angststoornissen e.d.m. Ongelijkheid maakt mensen dus mentaal instabiel. Wat maakt dat het gedrag ook plots kan omslaan naar minder frisse politieke en ideologische praktijken, iets waar we ons nu ten volle van bewust zijn door de sociale media. Een ander probleem betreft het feit dat neo-patrimoniale samenlevingen een groot democratisch deficit beginnen te vertonen. Het beleid is meer en meer ontworpen voor een klein aantal kiezers, namelijk deze die aanzienlijke passieve eigendommen bezitten. De politieke elites bestaan uit individuen die zelf behoren tot de sociale groep net onder de toplaag van de samenleving, en het is voor een doorsnee burger vrijwel onmogelijk geworden om nog een invloedrijk mandaat te verkrijgen binnen de structuren van de traditionele partijen. Traditionele partijen kennen een onmiskenbare tendens tot oligarchisering, terwijl in diverse westerse landen een ongezonde symbiose is ontstaan tussen politiek en private belangen. Dit is voor alle duidelijkheid geen populistische oprisping, maar een statistische en kwantitatieve vaststelling gemaakt door bijvoorbeeld de politicoloog Martin Gilens (Princeton University), neergepend in zijn werk Affluence and Influence (2012).

Volgens Piketty hebben we dringend een nieuw fiscaal systeem nodig om deze tendensen tegen te gaan, en dit op mondiaal niveau. De oplossing ligt dus buiten wat men de vrije markt noemt. Een samenleving kan stijgende ongelijkheid ombuigen door middel van haar instituties, de politieke arena, beleid en ook ideeënstrijd. Piketty wil in zijn nieuw boek Kapitaal en ideologie zijn voorgaande conclusies thematisch verbreden, en ook het empirisch materiaal een longue durée geven. De thematische verbreding slaat op vele niet-economische factoren die bepalen of we nog steeds een ongelijke samenleving tolereren en reproduceren. Daarom ook de titel Kapitaal en ideologie. In tegenstelling tot zijn vorige werk wil Piketty de statistieken niet voor zichzelf laten spreken, maar wil hij de opzienbarende evoluties ook historisch verklaren. Opnieuw kan de titel enigszins verwarrend zijn. Terwijl Piketty het in Kapitaal in de 21e eeuw eerder had over rijkdom dan over kapitaal, legt hij in zijn laatste werk nauwelijks uit wat ideologie is en hoe die ons collectief beïnvloedt als actoren in een samenleving. Kort samengevat is ideologie voor hem een reeks ideeën die door elites onder de bevolking worden verspreid om problemen zoals ongelijkheid of racisme te legitimeren. Het is een pakket aan dominante ideeën die niet worden gecontesteerd door degenen die er de nadelen van ondervinden. Piketty schakelt echter snel over naar de centrale rol van instituties, het legislatief kader, politieke machtsverhoudingen en de transformaties van elites om maatschappelijke veranderingen te verklaren.

Een tweede vernieuwing in Kapitaal en ideologie is dat Piketty de neoliberale transformatie plaatst binnen een langer tijdsbestek, waarbij hij ook meer oog heeft voor mondiale veranderingen. Eerst analyseert hij de ongelijkheid in prekapitalistische samenlevingen – met als uitgebreide casus het Franse ancien régime – om vervolgens de economische en sociale uniciteit te duiden van de geboorte van het kapitalisme aan het begin van de negentiende eeuw. Hij maakt duidelijk dat de standenmaatschappijen tot de achttiende eeuw fundamenteel anders waren dan de vroegkapitalistische liberale variant. Ten eerste toont zijn cijfermateriaal duidelijk aan dat het negentiende-eeuwse vroegkapitalisme een veel grotere mate aan ongelijkheid vertoonde dan de voorgaande periodes. En ten tweede schetst hij hoe het liberalisme zeer snel een conserverende ideologie werd van de ongelijke eigendomsverhoudingen. Het kapitalisme zelf wordt onderverdeeld in drie fases. Piketty omschrijft de lange negentiende eeuw als een tijdperk van het propriëtaristische regime, dat zich stelselmatig ontplooit op mondiaal vlak. Dit regime is het directe gevolg van de breuk met de standenmaatschappij. Het bezitten van private eigendom is een absoluut recht in dit regime, en het accumuleren van private rijkdom in de civiele sfeer wordt losgekoppeld van politiek-juridische belangen. Het propriëtarisme is gebaseerd op de belofte van de burgerlijke revoluties – zoals de Franse – dat het individu pas werkelijke vrijheid kan bezitten wanneer het ongeremd zijn gang kan gaan in de civiele sfeer. Het ontstond als een alternatief voor de ongelijkheid van standenstratificatie in prekapitalistische samenlevingen, maar na enkele decennia bleek dat het regime veel grotere economische ongelijkheden creëerde dan in voorgaande periodes. Ja, het regime wist onmiddellijk (zoals in Frankrijk) of geleidelijk (zoals in Engeland) juridische en politieke privileges van de aristocratie en geestelijkheid te ontmantelen, maar dit betekende niet dat het propriëtarisme niet gestoeld was op de dominantie van een kleine elite. Sterker nog, de oude standenelites wisten zeer snel economische posities veilig te stellen, waardoor er weinig sprake was van sociale mobiliteit. Dit verklaart ook waarom in de negentiende eeuw ongelijkheid werd aangezien als een ‘natuurlijk’ gegeven. Het kapitalisme beloonde de elites niet op basis van meritocratische gronden, aldus de toenmalige burgerlijke ideologen, maar ongelijkheid bestond nu eenmaal omdat de mensheid zichzelf op die manier organiseerde.

De concentratie aan rijkdom piekte aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog. Met de Grote Oorlog, de opkomst van de arbeidersbeweging en algemene politieke instabiliteit kwam langzaamaan een nieuw regime aan de oppervlakte: het sociaal-democratische regime van de sociale welvaartsstaat. Dit regime was tot de jaren 1970 succesvol in het drastisch verkleinen van economische ongelijkheden door grondig in te grijpen op juridisch, fiscaal en institutioneel vlak. Strategische sectoren werden genationaliseerd, een progressief belastingsysteem corrigeerde de tendens tot rijkdomconcentratie, publieke investeringen creëerden massale innovatie, monopolies functioneerden in een strak juridisch keurslijf, financiële stromen werden gereguleerd, en hier en daar besloten overheden ook om de factor arbeid een rol te laten spelen in het beheer van industriële sectoren. Eigendomsrechten bleven gerespecteerd binnen deze restricties, maar het regime zorgde er wel voor dat de sterkste schouders de zwaarste lasten droegen. Dit regime was een historisch unicum. In zeer korte tijd waren de verschillen tussen de 1% en de 99% spectaculair kleiner geworden, terwijl de economische groei ongeziene hoogtes bereikte. Dit alles werd drastisch teruggeschroefd met het neoliberalisme, waardoor Piketty terecht kan stellen dat we momenteel leven in een neo-propriëtaristisch regime. Het huidige beleid intervenieert actief om het private initiatief absolute voorrang te geven op het publieke belang, wat dan ook exponentieel de concentratie van rijkdom in de handen van een economische oligarchie in de hand heeft gewerkt. .

Een derde vernieuwing in Kapitaal en ideologie is de kwalitatieve verklaring voor de opkomst van ongelijkheid in kapitalistische samenlevingen. Piketty maakt zijn lezers duidelijk dat hij geen marxistische interpretatie aanhangt en de geschiedenis dus niet wil bekijken door de lens van een klassenstrijd. Hij beschouwt de marxistische optiek als deterministisch, terwijl hij juist wil aantonen dat de geschiedenis op elk moment een nieuwe richting kan inslaan. Evengoed verwerpt hij de dominante methodiek van de neoklassieke economie, die het kapitalisme beschrijft als een natuurlijk en onveranderlijk gegeven. Hij stelt, in de geest van Keynes, dat ideeën (en mentaliteiten) de motor van sociale veranderingen zijn. Piketty gaat hier van de foutieve veronderstelling uit dat marxistische historiografen de complexiteit van de geschiedenis willen herleiden tot louter een productierelatie tussen kapitaalbezitters en werkende klassen. Statelijke instituties, de mechanismen van politieke representatie, ideologische mutaties etc. zijn voor marxistische wetenschappers even belangrijk als economische categorieën om de evolutie van een samenleving te verklaren (het volstaat om enkele bladzijdes te lezen van pakweg Gramsci of Hobsbawm). Even bezwaarlijk is dat Piketty’s programmatische inleiding sterk verschilt van het overzichtsbeeld van ongelijkheden zoals dat zich ontplooit in de rest van zijn boek. Ideeënstrijd wordt al gauw verbonden aan materiële belangen – in economische, institutionele en politieke vormen – en Piketty stelt zelf regelmatig dat ideeën niet losstaan van maatschappelijke tegenstellingen. De ontwikkeling van een eigen paradigmatische aanpak is met andere woorden niet zijn sterkste punt.

 

De twee neoliberale elites

In het laatste deel van het boek gaat Piketty dieper in op de vraag waarom we nog steeds blijven ronddwalen in het neo-propriëtaristische regime. Waarom accepteren we ongelijkheden die op geen enkele manier te legitimeren vallen? Sinds 2008 leven we tussen zombies. De crisis van 2008 heeft aangetoond dat de economische praktijk van dit regime in duigen ligt en dat we sindsdien in een situatie leven van voortdurend crisisbeheer. Alleen rasechte ideologen, geklonken aan de elites, zullen beweren dat het huidige systeem werkbaar is voor iedereen. Het houdt totaal geen steek meer om pakweg te beweren dat de economische stagnatie te wijten is aan te weinig flexibiliteit op de arbeidsmarkt, of dat de oplossing miraculeus gevonden kan worden bij de veronderstelde vrijgevigheid van steenrijke filantropen. Dergelijke uitspraken duiden op een fundamenteel gebrek aan expertise, waarschijnlijk gekoppeld aan een ideologische reflex om de gevestigde belangen niet voor het hoofd te willen stoten. Het zijn oprispingen, geen coherente ideeën. Piketty slaagt er meesterlijk in om onze huidige situatie structureel in kaart te brengen. Zijn algemene stelling is dat het politieke en ideologische veld zich in volle transitie bevindt. Hij analyseert zowel electorale evoluties van het kiezerskorps, de ideologische evoluties binnen de politieke elites als de algemene ideologische trends.

In het sociaal-democratische tijdperk was de situatie eenduidig. Het politieke veld werd duidelijk gescheiden volgens klassenlijnen. Lagere sociale klassen stemden overwegend links, terwijl economische elites en hooggediplomeerde vrije beroepen overwegend hun stem gaven aan rechtse krachten. Linkse partijen en hun achterban wilden weinig ongelijkheid, rechtse partijen verdedigden institutionele en fiscale mechanismen die meer kapitaalconcentratie toelieten. Piketty stelt terecht dat deze politieke situatie verklaard kan worden door een directe klassentegenstelling. Sinds de jaren 1980, met het verdwijnen van de keynesiaanse interveniërende staat, wordt het politieke en ideologische veld veel minder onmiddellijk gedetermineerd door deze klassentegenstelling. Politiek rechts verwierp de notie van de sociale welvaartsstaat en reorganiseerde zich als een ‘mercantiele elite’: de deregulatie van de grootindustrie, kapitaalmarkten en bancaire sector stond centraal, waarbij kleine ondernemers en zelfstandigen in het ideologische bad werden getrokken door beloftes van belastingverlagingen en de ophemeling van het ideaaltypisch beeld van de vitale entrepreneur. Links, met name de sociaal-democratie, werd overgenomen door wat Piketty omschrijft als de ‘Brahmaanse elite’: een nieuwe middenklasse bestaande uit hooggeschoolden, die alles te danken hadden aan de sociale welvaartsstaat en de democratisering van het onderwijs. De nieuwe Brahmaans elite poogde een nieuw electoraal blok te creëren: de klassieke achterban van handenarbeiders gelinkt aan dit hooggeschoolde segment. Zoals Stephanie L. Mudge reeds beschreef in haar werk Leftism Reinvented: Western Parties from Socialism to Neoliberalism (2018), omringde deze nieuwe generatie Brahmaanse sociaal-democraten zich met ‘experten’ die eenzelfde accumulatiestrategie van symbolisch en cultureel kapitaal nastreefden, waarbij het universiteitsdiploma de voornaamste rol speelde qua klassendistinctie. Deze nieuwe Brahmaanse elite begon zich stelselmatig af te schermen van de oude sociaal-democratische achterban. De Derde Weg-gedachte werd het ideologisch cement van de sociaal-democratie. Men accepteerde de ideologische kerngedachten van het neoliberalisme als economisch paradigma, met hier en daar sociale correcties. Het gevolg was dat ongelijkheid niet meer centraal stond in het beleid. De sociaal-democratie faalde zowel in de democratisering van het onderwijs voor de armste segmenten van de werkende klasse als in de creatie van een fiscaal-juridisch kader dat de ongelijkheden van de gefinancialiseerde mondialisering kon verkleinen.

Het resultaat van die evolutie was dat de rechts-mercantiele en Brahmaanse elites geen fundamenteel meningsverschil meer hadden over de wijze waarop de economie ingericht moest worden. Beide elites accepteerden ongelijkheid als een onvermijdelijk facet van het neo-propriëtaristische regime, en beide legitimeerden het bestaan van ongelijkheid door de ideologie van het meritocratische individualisme te omarmen. Armoede is geen gevolg meer van sociale tegenstellingen, maar een resultaat van individueel falen. Met enige vertraging had deze ideologische convergentie ook gevolgen voor de sociaal-democratie: de arbeidersklasse haakte massaal af als kernelectoraat. Dit gebeurde net op het moment dat een nieuw ideologisch fenomeen aan de oppervlakte kwam: de opkomst van nieuw-rechts met een nativistische agenda. Nieuw-rechts slaagde er snel in om ook het ideologische veld te bezetten door ongelijkheid te coderen in raciale tegenstellingen, met als uiteindelijke resultaat dat we momenteel zijn beland in een politiek veld dat gedetermineerd wordt door identitaire denkbeelden.

Het komt er dus op aan, aldus Piketty, om een nieuw regime te ontwikkelen dat ongelijkheid opnieuw weet aan te pakken op zowel institutioneel-fiscaal als economisch vlak. Een radicale transformatie is nodig, en dit kan niet gebeuren binnen de ideologische bandbreedte van de huidige elites. Zowel de neoliberale pensée unique als de identitaire scheidingslijnen zijn hierbij de grootste obstakels. Piketty’s Kapitaal en ideologie is dermate accuraat en alomvattend dat het werk een intellectueel richtpunt moet zijn om het besef te doen groeien dat ons huidige regime leidt tot onhoudbare sociale en politieke situaties. Het is dan ook een oproep tot radicale hervorming. Of zoals de Italiaanse filosoof Antonio Gramsci het al verwoordde: ‘De oude wereld is aan het sterven, en een nieuwe wereld kan nog steeds niet geboren worden. Het nu is een tijd van monsters.’

 

Recensie: Kapitaal en Ideologie van Thomas Piketty door Jelle Versieren

De Geus, Amsterdam, 2020
Vertaald door: Ilse Barendregt, Marianne Gaasbeek, Reintje Ghoos, Alexander van Kesteren, Jan Pieter van der Sterre
ISBN 9789044543179
1122p.

Geplaatst op 09/12/2020

Tags: Kapitaal en ideologie, Kapitalisme, Kate Pickett, Klasse, Neoliberalisme, Ongelijkheid, Richard Wilkinson, The Inner Level, The Spirit Level, Thomas Piketty

Categorie: Recensies, Samenleving

Reacties

  1. johan versieren

    Mooie samenvatting.OK!

    Beantwoorden

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.