Literatuurgeschiedenis, Recensies

Ons literaire geheugen gereset

Boeken die blijven

Een canon van de Nederlandstalige literatuur in context

In de ons omringende taalgebieden is de bekendheid met de literaire klassiekers net iets vanzelfsprekender dan in de Lage Landen. In het onderwijs en in de boekhandel is de grote literatuur uit het verleden veel sterker aanwezig. Nog steeds heeft elke Duitse leerling minstens één Goethe-contact tijdens zijn of haar schooltijd; William Shakespeare en James Joyce zijn voor iedere Brit klinkende namen; Charles Baudelaire vind je bij wijze van spreken in de krantenwinkel in Parijs, en de pockets van Honoré de Balzac, Gustave Flaubert of Émile Zola zijn beschikbaar in zowel de megabookstores als in de kleinere boekenwinkel.

Dat is wel even anders in Nederland en Vlaanderen. Ons geheugen lijkt nogal kort, coryfeeën worden vaak bij leven al vergeten, werken van belang uit het verdere, maar ook vrij recente verleden zijn veelal niet eens meer in druk (Hugo Claus!); de nadruk ligt haast exclusief op nieuwe – jonge – auteurs. Die opereren zodoende helaas in een literair-historisch vacuüm en met de kennis van de literatuurgeschiedenis van de doorsnee jongere schiet het ook al niet op. Daarom herinnert de Koninklijke Academie voor Nederlanse Taal en Letteren (KANTL) ons elke vijf jaar aan ons literaire erfgoed met een lijst van vijftig werken die kunnen doorgaan als ‘De Tijdloze van de literatuur’.

Al betekent tijdloos duidelijk niet onvergankelijk, want de auteur wiens naam vandaag wordt ingeschreven in ‘De literaire canon’ is niet per se verzekerd van het eeuwige literaire leven. Het gaat hier om een zogenaamde dynamische canon, die elk lustrum herzien wordt en aangepast aan de smaak en heersende opvattingen van de tijd: ‘Lezers en waardeoordelen veranderen, de blik op wat literatuur is en moet zijn verandert, en daarmee ook de kijk op wat belangrijke boeken zijn’, schrijft KANTL-voorzitter Lut Missinne terecht in het voorwoord van Boeken die blijven. Een canon van de Nederlandstalige literatuur in context, de prachtige boekuitgave naar aanleiding van de jongste actualisatie.

Dat valt goed af te lezen aan de nieuwe tiplijst topwerken die de KANTL vorig jaar lanceerde: in vergelijking met de twee voorgaande edities is die sterk vervrouwelijkt, bevat hij voor het eerst een auteur van kleur (Fank Martinus Arion) en ook het zo vaak ondergeschoven kindje jeugdliteratuur werd deze keer niet vergeten: Annie M.G. Schmidts Pluk van de Petteflet fungeert als schaamlapje. Dat is nobel en helemaal volgens de tijdgeest, maar het heeft iets geforceerds. Een canon is per definitie conservatief, en zeker als je de richtlijn hanteert dat er enkel auteurs in mogen komen die overleden zijn, is het moeilijk om hedendaagse tendensen te capteren. De emancipatie van de jeugdliteratuur is een eerder recent fenomeen, voorheen werd het genre niet bijzonder ernstig genomen. Dat kan je betreuren, maar het was wel de (literatuur)sociologische realiteit die verklaart waarom veel schitterende jeugdauteurs kampen met een lage status. En natuurlijk is Schmidt de uitzondering: geliefd en zeer aanwezig bij leven, tot op vandaag voor velen de introductie in de literatuur, en bekend bij een breed publiek (al was het maar vanwege de figuurtjes van Fiep Westendorp op de spulletjes bij de Hema), maar als je de jeugdliteratuur echt een plek wil geven, kan je niet volstaan met één auteur. Dan had je ook Hieronymus van Alphen moeten opnemen. Die schreef in de achttiende eeuw al invloedrijke kinderpoëzie die tot op vandaag doorwerkt: ik heb Schmidts ‘De spin Sebastiaan’ nog van buiten geleerd op de lagere school, maar net zo goed Van Alphens ‘Jantje zag eens pruimen hangen’. Dat had overigens meteen ook de lacune in de achttiende eeuw een beetje opgevuld, nu lijkt het alsof er in onze literatuur tussen de Gouden Eeuw (Roemer en Anna Visscher, G.A. Bredero, P.C. Hooft, Joost van den Vondel; Constantijn Huygens is schielijk verongelukt in deze nieuwe lijst) en de negentiende eeuw (Hendrik Conscience en Multatuli) behalve de Sara Burgerhart van Betje Wolf en Aagje Deken helemaal niets is gebeurd. Dat communiceert de impliciete boodschap dat dit een eeuw is om snel te vergeten, een nogal vreemde mededeling voor een conserverend project.

Maar terug naar de jeugdliteratuur: de echt fenomenale werken uit dat genre, zoals Joke van Leeuwens Iep! of Lampje van Annet Schaap, dateren van later. Door de regels die men bij de KANTL hanteert, is het helaas nog even wachten tot die überhaupt in de canon kunnen. Iets vergelijkbaars gaat op voor auteurs met een diverse achtergrond, die vanuit het perspectief van de eeuwigheid nog maar net zijn opgedoken in de Nederlandse literatuur. De knapste van hen zijn – gelukkig – nog lang niet dood en begraven, en kunnen dus niet opgenomen worden in de canon (al vraag je je af: waar is Hafid Bouazza? Deze fantastische stilist wordt node gemist – een duidelijk gemiste kans). Als gevolg daarvan moet Arion vanuit Curaçao worden ingevlogen. Meteen is daarmee ook afgedekt: auteurs van buiten het centrum van het taalgebied die onterecht veel te vaak buiten ons blikveld vallen. Dubbelspel is zeker een goed boek, maar een iconisch werk, zoals je zou mogen verwachten van de boeken in deze lijst? En vooral: bekend? In Nederland misschien, maar in Vlaanderen?

 

Aja-Erlebnis

Het is natuurlijk een aardig gezelschapsspel om te redetwisten over wat jij vindt ontbreken en wat naar jouw mening onterecht uit de lijst is geflikkerd. Waarom moest Veldeke, de eerste auteur die we bij naam kennen, verdwijnen? Zou een Duitse canon, waarin deze dichter ook fungeert, het überhaupt durven om deze figuur uit te wissen? Hebben we hem daarmee nu definitief uitgeleverd aan den Duits? Hoezo werd de Walewein vervangen door de veel minder bekende Roman van Moriaen? Is Anne Frank wel literatuur? Hoe is het mogelijk dat Tantes van Cyriel Buysse kon sneuvelen? Wat in godsnaam staat een ietwat bedaagde arrière-gardedichteres als Ida Gerhardt al drie edities in de canon te doen? En waar is Leonard Nolens (die terecht wel een plek krijgt in de recente herdruk van Paul Claes’ De canon van de Nederlandse poëzie)?

Deze canon wil discussie uitlokken en gesprekken op gang brengen. Prima! Hoewel? Is dat eigenlijk niet meer iets voor toplijstjes in de krant (waar bepaalde KANTL-leden overigens niet aan wilden meewerken omdat ze, o ironie, tegen rankings zijn)? Zou een canon geen richtsnoer moeten zijn, een baken en dus een zo breed mogelijke consensus moeten weerspiegelen? Dat wil zeggen: een lijst zonder spectaculaire keuzes (zoals Moriaen, Gerhardt, Andreas Burnier), want moet een canon niet juist zo weinig mogelijk discussie opleveren, maar eerder een déjà-vu-gevoel, een ‘aja-Erlebnis’? In die zin is de functie die deze canon zich toe-eigent om ‘vergeten titels onder de aandacht’ te brengen, zoals de anonieme auteur van de inleiding (de commissie? een van de redacteurs?) het formuleert een paradox: een canon bevat uit de aard der zaak werken die tot het collectieve geheugen behoren.

Dat brengt mij bij de selectiecriteria en de verantwoording van de keuze. Die criteria worden genoemd op de site, al lijken het eerder spelregels: het gaat om oorspronkelijk in het Nederlands geschreven, minstens 25 jaar oude werken van auteurs die overleden zijn. Onder ‘Algemene principes’ worden wel doorslaggevende aspecten voor opname genoemd: ‘literaire kwaliteit’, ‘cultuurhistorische betekenis’, ‘actuele relevantie’ en ‘representativiteit, invloed en bekendheid’. Wie de lijst bekijkt, merkt dat die criteria door elkaar gebruikt worden en er zo een spanning ontstaat tussen de verschillende maatstaven die worden gehanteerd. Literaire kwaliteit is moeilijk te definiëren, natuurlijk, maar Het achterhuis, ontegensprekelijk een zeer belangwekkend boek, niet alleen als het gaat om bewustmaking, maar ook wat de impact betreft (het meest verkochte Nederlandstalige boek ooit), kan met de beste wil van de wereld literair geen topstuk genoemd worden. Kwaliteit is duidelijk niet altijd het eerste argument. Voor sommige werken lijkt dat populariteit (Frank, maar ook Hersenschimmen van Bernlef, Buysses Het gezin van Paemel – nog steeds opgevoerd –, Herman de Coninck), voor andere geldt waarschijnlijk het criterium vernieuwing (De Oostakkerse gedichten van Hugo Claus) of de invloed (Bezette stad van Paul van Ostaijen). En wat enigszins controversieel zou kunnen zijn, blijkt geweerd: Turks fruit van Jan Wolkers viel eruit, Lucebert lijkt gecanceld voor zijn nazisympathieën als jongeling (Claus en Ivo  Michiels, die hetzelfde verweten zou kunnen worden, dan weer niet, dus misschien is er een andere reden voor Luceberts afwezigheid, maar het blijft gissen). Jef Geeraerts werd eerder al geroyeerd omdat diens Black Venus ‘misselijkmakend’ zou zijn, dixit de commissie, terwijl ethiek toch geen expliciet criterium is.

Het wippen van dat boek levert bovendien een merkwaardige passage in het boek op. In het hoofdstuk over Hella Haasses Oeroeg is er een blokje over ‘De Nederlandstalige Indië-literatuur’ dat afsluit met deze paragraaf:

Nog dit: terwijl Nederlands-Indië opvallend vaak opduikt in de Nederlandse literatuur, heeft Congo – zeker in het perspectief van Congolezen – een veel minder prominente plaats gekregen in de Vlaamse literatuur.

Een onbegrijpelijke opmerking van een instantie die dé Congo-roman uit onze literatuur eigenhandig verwijderd heeft en voluit de kans had de Congoliteratuur hier een plaats te geven (als Geeraerts een no go is voor bepaalde commissieleden, ware bijvoorbeeld het onthutsende Ik blanke kaffer van Paul Brondeel een kanshebber)! Behalve dat dit een absurde uitspraak is, is het ook een kwalijke vertekening van onze (literatuur)geschiedenis: Luc Renders heeft in Koloniseren om te bewaren en De mislukking van de beschavingsmissie de erg uitgebreide Congoliteratuur van 1596 tot 2020 – honderden romans en verhalen – zorgvuldig in kaart gebracht. Hoe kan de redactie dat gemist hebben? Natuurlijk is Gangreen 1 racistisch, misogyn, gewelddadig en machistisch, maar het toont wel hoe er naar de kolonie gekeken werd. Was de canon niet bedoeld om discussie uit te lokken? Aan de hand van dit boek kan een stevig en noodzakelijk debat gevoerd worden over onze verwerpelijke omgang met ons koloniale verleden. Bovendien is het boek stilistisch vernieuwend. Actualiteitswaarde: yep; impact: groot; cultuurhistorische betekenis: onmiskenbaar; literair kwalitatief: zeker. Volgens de zelfopgelegde selectiecriteria zou dit werk nooit uit de canon mogen verdwijnen.

 

Verschillende maten en gewichten

Het grootste probleem van dit project is het gebrek aan verantwoording. Nergens wordt uitgelegd waarom precies de werken gekozen werden die uitverkoren werden. Waarom expliciteert de commissie haar keuze niet? Het zou helpen om te begrijpen waarom bepaalde namen de lijst halen (Gerhardt, een aberratie) en andere eruit verdwijnen (F. Bordewijk, Lucebert). Ik roep de commissie dringend op om de kaarten op tafel te leggen. Wie zich macht toe-eigent, moet in een democratie ook bereid zijn verantwoording af te leggen en keuzes te verdedigen. We willen de maten en gewichten kennen waarmee elk van de werken in de lijst gemeten en gewogen zijn. Dan pas wordt een tegensprekelijk debat mogelijk in plaats van het welles-nietesspelletje waarin de felbegeerde discussie nu onvermijdelijk verzandt. Dan pas is de canoncommissie meer dan een orakel.

 

Het roddelcircuit

Een kwalijk gevolg van het feit dat de gehanteerde selectieprincipes zwevend zijn en impliciet blijven, is dat individuele commissieleden ter verdediging uit de biecht gaan klappen en onthullen wie voor welke titel verantwoordelijk is, wat het beeld versterkt van een koehandel, eerder dan van een overwogen, beargumenteerde keuze.

In gesprek met de journalist die ik soms ben ter voorbereiding van een artikel over deze canon in De Standaard vertelde een commissielid mij met de beste bedoelingen hoe het zo gekomen is dat er opmerkelijk veel Nederlandse auteurs figureren in de recentste periode: één Nederlands commissielid was komen aandraven met allerlei boeiende Nederlandse boeken waarvan de anderen nog nooit gehoord hadden, maar die ze na lectuur zo prachtig vonden dat ze ze – een boel eigen criteria klaarblijkelijk spontaan vergetend – meteen canonwaardig achtten. Op een recent debat over Boeken die blijven ontblootten de aanwezige commissieleden de kroon door te vertellen welke collega een vurig pleidooi had gehouden tegen Black Venus, en dus eigenhandig verantwoordelijk is voor het verdwijnen van deze titel, en ze beweerden bijvoorbeeld ook dat ze eigenlijk graag De Leeuw van Vlaanderen hadden willen schrappen op basis van het gebrek aan leesplezier (wat had iedereen, op één lid na, met dat boek geworsteld! Wat is dat een gedrocht!), maar dat ze bang waren geweest voor de mogelijke controverse. Los van de onmogelijkheid om deze roman te schrappen op basis van de eigen criteria (hij is in tegenstelling tot wat graag beweerd wordt net zéér goed geschreven, de invloed is enorm en werkt tot op vandaag door, ook buiten de literatuur) is dat soort gossip natuurlijk bijzonder kwalijk. Het ondergraaft het gewicht waarmee de commissie spreekt.

Nog kort over de samenstelling en status van die commissie: daarin zijn de academici, die aanvankelijk de dienst uitmaakten, grotendeels vervangen. Deze keer bestond ze voornamelijk uit schrijvers, een cultuurjournaliste en personeel van de KANTL. Ik ben ervan overtuigd – nee: ik wéét – dat dat allemaal mensen zijn met een bijzonder groot hart voor literatuur, en het is goed dat de canon niet vanuit een ivoren toren tot stand komt en dat ook echte lezers een stem hebben, maar dat de commissie nog maar een kwart (twee van de acht) professionele literatuurhistorici bevat, is ook een teken van de tijd dat overal in de maatschappij zichtbaar wordt: het verlies van autoriteit van de specialist.

 

Canon uit Nederlands perspectief

Er moet nog opgemerkt dat een aantal principes die het uitgangspunt van het project vormden blijkbaar stilzwijgend zijn losgelaten. Ten eerste: dit zou een canon zijn vanuit Vlaams perspectief. Dat wil zeggen: met aandacht voor werken van boven de Moerdijk die hier ook functioneren in het literaire veld, maar met als duidelijke focus de Vlaamse situatie. Onverdedigbaar vanuit een dergelijke insteek zijn dan keuzes als Carry van Bruggen, Ida Gerhardt, Marga Minco, Andreas Burnier en Frank Martinus Arion. Allemaal boeiende auteurs, die in Nederland zeker hun plek in de canon verdienen, maar van wie hier de doorsnee literatuurliefhebber waarschijnlijk nog nooit gehoord had. Ja, maar de canon als instrument om ‘vergeten titels’ onder de aandacht te brengen! Oké, maar ik ken nog wel een lijstje vergeten Vlaamse schrijvers die het verdienen herontdekt te worden: Johan Daisne, Filip De Pillecyn (wat een boek, Monsieur Hawarden – in de cinema gooit de prent Rose met Sandra Hüller op dit moment hoge ogen, een soortgelijk verhaal als Monsieur Hawarden, dat al in 1968 schitterend verfilmd werd met Ellen Vogel in de hoofdrol. Dringend te herontdekken!). Of auteurs die nog steeds een impact hebben: waar is Jotie T’Hooft? Literair zeker geen hoogvlieger, maar wel maatgevend voor een bepaald soort literatuur die overigens nog steeds populair is bij jongeren. Walter Van den Broeck? Smadelijk over het hoofd gezien! Zijn Groenten uit Balen is nochtans het méést gespeelde stuk in Vlaanderen! Zijn sociale kritiek representatief voor een periode. En een veelgehoorde klaagzang over een duidelijke omissie: hoe kon Patricia De Martelaere over het hoofd worden gezien?

Het is een typisch fenomeen van zelfverkleining – in plaats van trots te zijn (daarvan is de canon toch een uiting) op schrijvers die in Vlaanderen een belangrijke rol gespeeld hebben, wordt ons voorgehouden dat wij auteurs dienen te ontdekken die hier eigenlijk nooit doorgedrongen zijn, en die dus – dat impliceert hun opname – meer literaire kwaliteit zouden hebben dan de genoemde namen. Bedenkelijk. Het omgekeerde zou nooit gebeuren, getuige daarvan bijvoorbeeld Schrijversmythen, de vernieuwende literatuurgeschiedenis van Sander Bax, en als dusdanig ook een canoniserend project. Daarin is nauwelijks aandacht voor het Vlaamse literaire systeem en de belangrijkste Vlaamse schrijvers worden niet eens genoemd, iets waarmee hij zich in de kwalijke traditie van Ton Anbeek plaatst, die in zijn Geschiedenis van de Nederlandse literatuur Vlaanderen ook gewoon buiten beschouwing liet maar pretendeerde de hele Nederlandstalige literatuur te beschrijven.

Ten tweede: oorspronkelijk was het de idee dat de werken uit de lijst in het centrum zouden staan van een aantal cirkels. Rond hen zouden, als een soort manen, andere auteurs circuleren. Dat is een prachtige manier om een aantal geweldige schrijvers die de canon helaas niet haalden (door bijvoorbeeld de arbitraire beperking uit praktische overwegingen tot vijftig titels) toch ook te noemen. Het is de werkwijze in Hotel New Flandres, waar de vijf-sterrendichters paradigmaveranderend genoemd worden. Binnen dat paradigma opereren andere, minder vernieuwende, maar toch opvallende figuren. Ook Paul Claes heeft in zijn Canon van de Nederlandse poëzie aandacht voor schrijvers die bepaalde dichters navolgen. Niet alleen maakt dat de impact van een bepaalde beeldbepalende auteur zichtbaar, het doet ook recht aan figuren die nu door het conserverende project dat de canon wil zijn precies verdrongen en vergeten worden.

Slechts af en toe wordt in de profielen en besprekingen van de werken gerefereerd aan auteurs uit de omgeving van de schrijver die de canon gehaald heeft: bij Hooft wordt de Muiderkring behandeld, waar Huygens dan toch even genoemd wordt; bij Herman Gorter figureren nog wat namen van Tachtigers, al haalt Willem Kloos zelfs de foto niet meer; Lucebert is nu een voetnoot bij Claus. Dat had vaker mogen gebeuren, want zo ontwikkelt een boek over topwerken die enigszins los van elkaar staan zich tot een microliteratuurgeschiedenis en wordt de (literaire) context (zie de ondertitel van het boek) wat zichtbaarder.

Wie er in elk geval in geslaagd is zichzelf als canonwaardig te positioneren, is commissielid Annelies Verbeke, die zich de laatste jaren de rol aangemeten heeft van voorvechtster van Virginie Loveling. Dankzij haar onverdroten inzet, is de geweldige roman Een revolverschot opnieuw op de markt gebracht, en een verkoopsucces geworden. En dankzij die ijver maakt het boek nu ook deel uit van de canon. In het hoofdstukje dat zij daar zelf over schreef in Boeken die blijven, duikt een cameo op: een foto waarop Verbeke trots de heruitgave toont – we hadden met het omslag kunnen volstaan, geloof ik.

Dat brengt mij bij een uitgangspunt dat subtiel verlaten is. Dit zou een lijst van werken zijn, maar het blijkt toch (deels) een canon van namen. Met name die topauteurs van wie meer dan één werk canonwaardig wordt geacht (Couperus, Gorter, Elsschot, Claus, W.F. Hermans) blijven uiteraard in de lijst, maar het werk waarmee ze zijn opgenomen is vervangen. Het idee, zei mij commissievoorzitter Erik Vlaminck, is dat van een boekenwinkeltje waarin je zoveel moois hebt dat je het niet allemaal in de vitrine kan leggen, en dus haal je nu eens dit boek uit de bibliotheekopstelling om het en face te tonen, dan weer dat. Daar is hoegenaamd niets mis mee – canonauteurs zijn vaak de schrijver van meer dan een belangrijk werk; het verklaart ook waarom bepaalde dichters wier faam soms gebaseerd is op een of een paar gedichten (zo’n J.C. Bloem, bijvoorbeeld), makkelijker ingewisseld worden. Het onderstreept in elk geval een belangrijke verschuiving in de literatuurgeschiedenis waarin vanaf ongeveer de negentiende eeuw de nadruk op het genie van de auteur komt te liggen. De canon is niet louter een boekenlijstje, het is een samenspel van een reeks werken (uit de oudere periode, waarin auteurschap minder belangrijk is – van veel werken is de schrijver zelfs niet bekend) en auteurs die niet mogen ontbreken (vanaf Conscience).

 

Superlatieven

Wat het boek betreft, dat is ten opzichte van zijn twee voorgangers een pareltje. Waren dat enigszins duffe tekstboeken, telkens onder de titel De canon. De 50 + 1 mooiste werken uit de Nederlanden, dan is Boeken die blijven. Een canon van de Nederlandstalige literatuur in context een schitterend opgemaakt, rijk geïllustreerd boekwerk. De smakeloze tekeningen van Mats (waar ik overigens heerlijk om kan lachen, maar waarvoor ik de literatuur te chique acht) zijn vervangen door een volière sympathieke vogeltjes van Iris Van Robays. Ze verwijzen naar de oudste literaire tekst ‘Hebban olla vogala’, ook al haalde die de lijst niet. Let overigens op de spanning tussen het bepaalde lidwoord in de titel van de eerdere boeken, die trouwens ook nog op de site wordt gebruikt, en het bescheiden onbepaalde lidwoord op de cover van het nieuwe boek. Ook de superlatieven zijn verdwenen: ‘mooiste boeken’ is vervangen door ‘blijvende boeken’, en in de inleiding worden de werken ‘prachtige, belangwekkende boeken’ genoemd, niet: ‘de prachtigste, de meest belangwekkende’. Het roept de vraag op: wil de KANTL nu eigenlijk maatgevend zijn of enkel een voorstel doen dat tot tegenvoorstellen uitnodigt?

Ten slotte zij opgemerkt dat eindelijk de auteurs van de hoofdstukken bekend zijn, al moet je ze zoeken in het colofon en heb je daarbij ook nog een vergrootglas nodig. In de twee vorige boeken bleven die anoniem, waardoor ze ook niet ter verantwoording konden worden geroepen; nu blijft enkel nog de auteur van de inleidende tekst onbekend – onbegrijpelijk, onmogelijk eigenlijk.

Boeken die blijven is een kleurrijk boek dat een vrolijke en enthousiasmerende introductie biedt van de besproken werken. In kort bestek weten de auteurs telkens kernachtig het belang van het boek aan te geven, hoe het functioneerde in de maatschappelijke context, en er worden vaak nog wat leuke weetjes meegegeven. Samen met het prachtige lesmateriaal dat de KANTL ontwikkelde, geeft dit een nieuw elan aan oude teksten. Het toont dat die niet stoffig zijn, onderstreept hun rol in cultuur en gemeenschap, en laat zien waarom deze geweldige boeken nog lang niet vergeten zijn, of alleszins: niet vergeten mogen worden. Ondanks de vragen die het project oproept, is dat belangwekkend, ja zelfs onontbeerlijk werk. Zeker in tijden waarin cultuurhistorische kennis onder druk staat en de overheid ook niet meteen meewerkt om die levendig te houden, moeten we instanties als de KANTL dankbaar zijn voor dit werk van liefde, dat bovendien voornamelijk liefdewerk is.

KANTL / Lannoo, Tielt, 2026
ISBN 978 90 599 6614 7
288p.

Geplaatst op 12/10/2026

Tags: Boeken die blijven, Canon, KANTL

Categorie: Literatuurgeschiedenis, Recensies

Naar boven

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.