Deel Facebook Twitter / X LinkedIn
Tijdens het lezen van Oorlog zonder genade. Nederlandse militaire geestelijken in Indonesië, 1945-1949 van historicus Koos-Jan de Jager dacht ik meermaals aan hoe rustig en met precisie Indiëveteraan Joop Hueting op 17 januari 1969 de deksel van de doofpot lichtte:
Ik heb daar meegedaan aan oorlogsmisdaden, en ik heb ze zien verrichten. En om daar een paar voorbeelden van te geven, kan ik u vermelden dat er kampongs [omheinde wijken of dorpen, TD] doorzeefd werden, waarvan niemand de militaire noodzakelijkheid inzag. Dat er verhoren plaatsvonden waarbij op een afschuwelijke manier gemarteld werd.
Huetings bekentenissen over oorlogsmisdaden tijdens de dekolonisatieoorlog in Indonesië (1945-1949) sloegen in als een bom. Door het televisieprogramma Achter het nieuws werden de leugens over de ‘politionele acties’ ontmaskerd voor een nationaal publiek; de koloniale politiek bleek niet te zijn gedreven door onbaatzuchtigheid.
De uitzending raakte bij duizenden kijkers een gevoelige snaar. Oud-legeraalmoezenier Hans Helmer schreef de VARA dat Hueting de Nederlandse soldaten vals beschuldigde: zij waren daar om de Indonesische bevolking te beschermen. Het waren juist de Indonesische guerrillastrijders die verantwoordelijk waren voor martelingen en moorden.
Durk ten Steege, die als legerpredikant werkte in de dekolonisatieoorlog, haalde een week na de roemruchte uitzending herinneringen op aan wat hij aan oorlogsgeweld had gezien. Na een vergeldingsactie voor een dode Nederlandse militair werden alle mannelijke inwoners van een kampong ouder dan zestien jaar als represaille vermoord. ’s Avonds kreeg hij bezoek van een soldaat. Was er een verschil tussen deze wraakactie en het Duitse optreden in Putten in 1944? De predikant moest toegeven dat hij geen verschil zag.
Met zijn onthulling schopte Ten Steege tegen het zere been van zijn oud-collega Ulbe Elgersma. De voormalige legerpredikant schreef in februari 1969 naar Trouw dat Hueting loog en dat niemand zomaar was gemarteld of vermoord. Van Ter Steeges woorden moest Elgersma niets hebben: ‘Een vergelijking met en zelfs een vingerwijzing naar Putten raakt dan ook kant noch wal en is een poging tot vervalsing van de geschiedenis.’
Helmer, Ten Steege en Elgersma waren slechts drie van de ruim 380 katholieke en protestantse geestelijken die actief waren bij de Nederlandse krijgsmacht tijdens de Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog. Een verwaarloosbaar kleine groep in vergelijking met de circa 200.000 soldaten die werden gemobiliseerd. In Oorlog zonder genade. Nederlandse militaire geestelijken in Indonesië, 1945-1949 van Koos-Jan de Jager blijkt echter dat zij, vanwege hun rol als zielenherders en baken voor moraal, een onmiskenbaar onderdeel waren van de bloedige strijd om de soevereiniteit in Indonesië.
De aalmoezeniers (katholieke geestelijken die belast waren met geestelijke verzorging) en predikanten (protestante geestelijke verzorgers) waren door de Nederlandse en Indische kerken uitgezonden om militairen geestelijk bij te staan. Dit werd noodzakelijk geacht in een tijd waarin de meerderheid van de Nederlanders nog christelijk was. Vanuit de legerleiding werd verwacht dat zij de strijdlust en het moreel van de soldaten zouden aanwakkeren. De strijd in Indonesië werd immers door de Nederlandse staat gezien als een operatie voor ‘orde en gezag’ en de Indonesische regering en strijdkrachten waren niets meer dan een bende ‘terroristen’. De Jager benadrukt continu dat de katholieke en protestantse geestelijken lieten zien dat zij fysiek en in overtuiging achter de soldaten stonden:
Hun aanwezigheid aan het front was niet neutraal, maar droeg de legitimatie van het Nederlandse militaire optreden in zich. God wil het, was de boodschap die zij in woord en daad uitdroegen. De koloniale orde moest worden hersteld, desnoods met geweld.
Direct drukt De Jager op een van de pijnlijkste punten van de oorlogshitserij van de geestelijken: hoewel ze op pad waren met het leger, waren ze officieel geen onderdeel van de krijgsmacht. Ze bleven namelijk onder het gezag van de katholieke of protestantse kerk. Dit betekende dat aalmoezeniers en predikanten zich niet hoefden te voegen naar de militaire discipline en gehoorzaamheid aan commandanten. Bovendien hoefden ze hun gedrag niet te verklaren binnen de strakke kaders van een krijgsmacht.
De Jager zet deze ruimte voor reflectie al vanaf de eerste pagina’s neer, waardoor er spanning in zijn narratief komt. Welke keuzes maken de individuele geestelijken? Waren er beslissende momenten – een veldslag, militaire operatie of specifieke brandende kampong – die ervoor zorgden dat gedrag van soldaten voor geestelijken onaanvaardbaar waren? En verbonden ze daar ook consequenties aan?
Al voor verscheping stonden militaire geestelijken aan de verkeerde kant van de geschiedenis. Legerpredikanten praatten op christelijke dienstweigeraars – onder wie veel communisten – in om toch aan boord te gaan. Weigeraar Bauke Planting werd bijvoorbeeld uitgemaakt voor ‘bedrieger van het geloof’, met een karakter ‘zo anarchistisch als de pest’. Jongens met gewetensbezwaren – ‘Gij zult niet doden’ – werden door de kerken in de steek gelaten.
Ter plaatse in Indonesië waren de aalmoezeniers en predikanten haast niet te onderscheiden van de troepen: zij droegen ook een militair uniform en hadden een officiersrang. Bevelen van de katholieke kerk om zichtbaar de verschillen tussen de aalmoezeniers en de soldaten te vergroten werden genegeerd. Gewapend gingen de geestelijken met de soldaten op pad en ze waren niet te beroerd om tijdens directe confrontaties mee te vechten.
Het bewijs dat De Jager in Oorlog zonder genade aanhaalt voor het feit dat de geestelijken kennis hadden van de in Indonesië gepleegde Nederlandse oorlogsmisdaden is overweldigend. Hij heeft een rijk corpus aan brieven en dagboeken tot zijn beschikking en neemt je mee door vier jaar oorlog. Met kille en soms gepassioneerde precisie schreven soldaten en geestelijken over plunderingen, moordpartijen en standrechtelijke executies. De geest van genade is ver te zoeken. De Jager vond bijvoorbeeld een anonieme brief uit 1946 – dus vóór Operatie Product in 1947 – in het archief van de protestantse geestelijke verzorging:
Het eerste geval wat ik in handen krijg zal ik met een vlammenwerper op de geheele kampong verhalen. Ik maak ook geen krijgsgevangenen, elke jongen van 16-30 jaar, gewapend of niet gaat eraan. De smeerlappen staan rustig langs de kant te werken of in de sawah [rijstveld, TD], buigt nederig, zoo gauw je voorbij bent pakt hij zijn verstopte geweer en schiet je in den rug. […] Onze taal is: uitroeien van deze gemeenten, geen onderhandelingen met roovers.
De aalmoezeniers en predikanten waren echter niet enkel stille getuigen van oorlogsgeweld. Ze dekten incidenten ook toe en verspreidden waar mogelijk op agressieve wijze propaganda over een zogenaamde rechtvaardige oorlog.
De Jager geeft sprekende voorbeelden die er niet om liegen. Zo overviel in februari 1949 een patrouille het ziekenhuis van Peniwen, een kampong op Java. Ze plunderden de medicijnenvoorraad en vermoordden drie personeelsleden en twee patiënten. Acht personeelsleden namen ze gevangen. De volgende dag werd het dorp weer opgeschrikt door geweld, nu tijdens de kerkdienst. Tien leden van de geloofsgemeenschap werden doorgeschoten en drie vrouwen werden verkracht. Via predikanten die buiten het leger werkten, bereikte het nieuws van de oorlogsmisdrijven landgenoten in Nederland. Hoge Nederlandse legercommandanten in Indonesië zetten vervolgens de klokkenluiders onder druk en overwogen zelfs aangifte. Volgens hen kregen de lokale predikanten in Surabaya een mes in de rug: zij beschouwden dit als verraad, een bezoedeling van de Nederlandse vlag.
Na de rücksichtslose aanval in december 1948 verspeelde Nederland de laatste restjes begrip die er in de internationale gemeenschap waren voor de koloniale oorlog. Vooral de Verenigde Staten vonden dat het afgelopen moest zijn en dreigden met het stopzetten van de Marshallhulp. Op eigen initiatief trok daarop hoofdvlootpredikant Henk Sillevis Smitt naar New York en verdedigde daar het Nederlandse standpunt.
Ondanks alle rapporten over extreem geweld en oorlogsmisdaden die over zijn bureau waren geschoven, probeerde hij zijn gastheren te overtuigen van de ‘welwillende’ ideeën achter de oorlog: ‘Wij zijn in Indonesië om de orde te herstellen en de bevolking te bevrijden, die zucht onder den hiel van plunderende bendes, welke zich eenheden van het Republikeinse leger noemen.’
Waarom zweeg het overgrote merendeel van de geestelijken over de oorlogsmisdaden? Ten eerste zagen ze het niet als hun taak om te oordelen over het geweld dat ‘hun jongens’ pleegden, aldus De Jager. Ten tweede waren de vaak jonge geestelijken niet opgewassen tegen de druk van ervaren officieren. Daarnaast zorgde de loyaliteit aan de krijgsmacht voor nog minder ruimte om kritisch geluid te laten horen.
Uit de dagboeken en brieven weet De Jager toch sporadische voorbeelden te vissen van militaire geestelijken die zich wél uitspreken tegen het geweld. Aalmoezenier Gerard Brouwer hield zijn soldaten voor dat, ondanks de oorlog, de geboden over moord en diefstal nog steeds van toepassing waren. Voor zijn morele kompas werd hij op de vingers getikt door de bevelvoerende kolonel; zo’n preek bedierf slechts de vechtlust. De kritische geestelijken durfden het echter niet aan om naar buiten te treden met hun kennis over oorlogsmisdaden: ze kaartten de kwesties aan bij de eigen bataljonscommandant maar zetten de stap naar de hogere legerleiding, politici in Den Haag of de media niet.
Voor jonge Nederlanders is het moeilijk voorstelbaar hoelang de ooggetuigenverslagen, dagboeken, militaire rapporten en publieke kennis over de koloniale oorlog en oorlogsmisdaden tussen 1945 en 1949 hardnekkig zijn weggedrukt. Hueting sprak in 1969 en de Excessennota bluste in hetzelfde jaar weer het oplaaiende vuur, maar de veenbrand bleef, met opvlammende publicaties als Ontsporing van geweld (1970) van Indiëveteranen Jacques van Doorn en Wim Hendrix en Last van de Oorlog (2002) van Stef Scagliola.
De aandacht verslapte echter al snel weer; het was allemaal lang geleden, waarom moesten we ons daar nog druk over maken? Met De brandende kampongs van Generaal Spoor (2016) gooide de Zwitserse historicus Remy Limpach een baksteen in de vijver. De moorden, martelingen en platgebrande dorpen waren geen excessen in een nette oorlog – ze waren de oorlog. Nieuwe onderzoeksgroepen werden geformeerd en de staat trok de portemonnee voor een herziening van een opportunistische leugen die al lang over zijn houdbaarheidsdatum heen was.
Journalist en historicus Maurice Swirc toonde in De Indische doofpot (2022) hoe dat zwijgen en wegdrukken geen kwestie van toeval was: oorlogsmisdaden werden bewust onder het tapijt geschoven. Gelukkig zijn de gedocumenteerde feiten over de dekolonisatieoorlog zo wijdverspreid dat er een nieuwe consensus is ontstaan – hoewel die vanuit rechts en uiterst rechts nog steeds wordt ondermijnd. De Nederlandse staat spreekt nog steeds over ‘extreem geweld’, een nieuw eufemisme voor de buiten de staat breed geaccepteerde oorlogsmisdaden. Die juiste term – oorlogsmisdaden – wordt met het eufemisme nadrukkelijk vermeden. (In oktober 2026 verschijnt het nieuwe boek van Swirc, Een nieuw eufemisme. Waarom Nederlandse massamoorden in Indonesië nooit oorlogsmisdrijven mogen heten, waarin hij ingaat op dit problematische taalgebruik.)
Oorlog zonder genade van De Jager past in dit historische debat dat eindelijk is opgerekt. De auteur legt het koloniale verleden met al zijn afschuwelijke facetten stap voor stap bloot en roept expliciet de militaire geestelijken ter verantwoording. Die boodschap wordt versterkt door De Jagers eigen religiositeit, die voor de goede verstaander in de tekst verwerven zit en in zijn dankwoord wordt geëxpliciteerd. Kritiek binnen je eigen groep vergt altijd intellect en moed en dat toont De Jager in zijn proefschrift. De zwarte bladzijde van de dekolonisatieoorlog wordt gelukkig niet omgeslagen; het boek wordt juist dikker en dikker.
Een recensie door Teun Dominicus van Oorlog zonder genade. Nederlandse militaire geestelijken in Indonesië, 1945-1949 van Koos-Jan de Jager.
Reacties
Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.