Deel Facebook Twitter / X LinkedIn
Er was een vrouw in Parijs. Deze vrouw is Marie – dichter, denker en hoofdpersoon in Over het zwijgen (2024), Ten Napels derde roman, die werd genomineerd voor de BNG literatuurprijs. Hij schreef daarnaast een bundel korte verhalen en, net als zijn hoofdpersoon Marie, drie dichtbundels. Het boek is een essayistische zoektocht naar hoe de poëzie in iemand opkomt en hoe gedichten zich vervlechen met iemands blik op de wereld. Het boek is doorwrocht in zijn beschrijvingen, vooral van schilderijen en muziek – tegen het pedante aan – en kreunt soms onder het zware gewicht van eigen cerebrale oprechtheid.
We ontmoeten Marie wanneer ze al twintig jaar niets heeft gepubliceerd. Haar drie dichtbundels werden door critici geprezen en wonnen gerenommeerde prijzen. Ze geeft schrijfles aan een kunstacademie of iets in die trant en is in Parijs voor een conferentie. Hier heeft ze een afspraak met Herder, een jonge hond en aspirantdichter die haar wil interviewen voor een tijdschrift, over haar schrijverschap, en wat daar van over is als je niet meer publiceert.
Herder heeft op het begin moeite de juiste vragen te stellen, maar ze zetten Marie wel aan het denken. De lezer wordt deelgenoot gemaakt van deze reflecties. Later is Marie weer terug in Nederland. Ze geeft les, ontmoet studenten, scharrelt rond in haar appartement.
De openingszin van deze recensie is tevens de openingszin van de roman zelf. Voorafgaand hieraan staan er twee epigrafen van de Amerikaanse dichters Anne Carson en Louise Glück, beide een variatie op een zelfde soort vraag: wat is een individu, wat is het bewustzijn dat zichzelf en al het andere waar het naar reikt constant probeert te identificeren? Een eerste beschrijving van het gelaat van Marie valt na deze toonzetting des te meer op: ‘een anoniem gezicht, jukbenen als sokkels onder een koude blik’. De paragraaf eindigt met een korte sfeerimpressie van Parijs, waar ‘rijen dunne bomen begonnen te verkleuren: limoen, oranje, saffraan. Rustige, mistige straten; spoken aan de overkant van de rivier.’ Marie wordt in enkele zinnen geschept, nog riekend naar het risico dat haar gezicht niet meer is dan een verzameling architectonische elementen. De bomen van de stad zijn impressionistisch, zoals ze eind negentiende eeuw ook even bestonden, en er waart iets rond over de boulevard.
Even later gaat Marie naar een galerij, waar ze portretten ziet in tinten van aarde en zand, die geen mensen tonen, maar ze uitlokken, en eerder als schimmen over het doek hangen, in plaats van als duidelijke, vaste vorm. De gezichten die er toch in worden verbeeld, hadden niet bestaan, waren door software gegenereerd. Iemand praat onverwacht tegen haar en ze hoort geen stem ‘maar een strot, trillend weefsel in de hals’.
Zo zit er vanaf het begin een ontregelende, ontledende intentie in het proza van Ten Napel. Alhoewel hij het verhaal van Marie vertelt – een individu met een specifieke levensloop, uniek in die zin – wordt de inwisselbaarheid van de biografische details en uiterlijke kenmerken constant benadrukt. Het had een andere vrouw kunnen zijn, het gezicht dat opdoemt had er anders uit kunnen zien. Een stem is in zijn eigen geluid, cadans en nadruk niet alleen puur persoonlijk, maar ook een algemener, mechanisch-anatomisch fenomeen.
Deze aanpak keert in alle hoofdstukken terug: die zijn kort en in de derde persoon geschreven, met tijdsprongen van een middag tot een jaar. We volgen Maries overwegingen, herinneringen en observaties en we zijn getuige van de geboorte van een nieuwe dichtbundel: de vierde, de eerste na een lange onderbreking.
Ten Napel beschrijft hoe Maries dichten begon als een pure verlenging van lezen en leven zelf, onbewust neergepende, gefragmenteerde notities waarvan haar vader moest benoemen dat het gedichten zouden kunnen zijn voordat ze ze zelf zo zag. Hij overlijdt nog in haar puberteit. Ze debuteert vroeg en door de hoge kwaliteit van haar poëzie speculeren de critici of iemand anders misschien de gedichten schreef, ‘haar naam een pseudoniem, haar lichaam geleend’.
In zekere zin gaat ze zichzelf ook op deze sceptische manier beschouwen: meer een medium of doorgeefluik dan een auteur. In haar laatste bundel voor haar decennialange stilte was de mens bijna afwezig, zo scherp was de focus op plekken en ideeën. Zo is Over het zwijgen een roman die een poëtisch denken en de ontwikkelingen van een dichterschap prozaïsch benaderbaar wil maken.
Ten Napel is filosofisch belezen en daar zijn zeer regelmatig sporen van op te vangen in Over het zwijgen. Vaak noemt hij de filosofen wier denkbeelden door Marie worden aangehaald niet expliciet bij naam (en soms wel, zoals Edith Stein en Roland Barthes). Mijn gemankeerde, autodidactische belezenheid in deze traditie gebiedt mij bescheidenheid, maar ik dacht vooral een flinke invloed van een fenomenologische, existentialistische snit te herkennen. Daarom las ik – aangedreven door deze vage intuïtie, een wens om tijd te besparen en een huivering voor het pure Dasein van de originele bron – Timothy Clarks Heidegger (2001) en zag ik mijn begrip van Ten Napels project groeien.
Heideggers werk is een hoeksteen van bovengenoemde filosofische traditie en zijn werk, in Clarks woorden, resoneerde sterk met mijn leeservaring van Over het zwijgen. Het was Heideggers doel om een van de oorspronkelijke neigingen van de westerse filosofische traditie met wortel en tak uit te roeien, namelijk de verleiding altijd op zoek te gaan naar de essentie, naar de oorsprong, van iets of van het Al. Deze zoektocht vereist theorie, gevat in heldere zinnen die logisch als bakstenen kunnen worden opgestapeld tot systeem. Dit doet tekort aan ons daadwerkelijk ‘Zijn-in-de-Wereld’; een zintuigelijke, holistische ervaring die nooit in dergelijke systematische taal gevangen kan worden.
Zelfs als je de ontoereikendheid van een bepaalde oorsprong- of essentietheorie erkent, gaat je aandacht hoofdzakelijk uit naar wat zich wel op deze manier laat vangen. In plaats daarvan wil Heidegger ruimte scheppen voor de ervaringen die nooit zo netjes te verwoorden zijn, waarbij de taal in zijn reiken naar al een gedeeltelijk falen moet erkennen. Literatuur is hierbij belangrijk, omdat onze alledaagse taal dan zo wordt ingezet dat ze ervaringen onthult die normaal verborgen blijven.
Ten Napel plaatst Maries dichterschap in deze traditie, die voorbij de vraag naar de zin, de betekenis van het leven wil gaan. In plaats daarvan richt ze haar aandacht op hoe het leven is als je jezelf deze vraag niet stelt. Betekenis is de glans van een gelaat, een glimp, en moet worden ingepast in een bredere, onvatbaardere ervaring van de wereld.
Dit is de trant van Maries betoog, die ze in Parijs aan een groep filosofen en wetenschappers geeft, en wordt een alinea later, in een beschrijving van de stad, meteen in de praktijk gebracht, met delen van wolken die verschillende richtingen op drijven, met de lucht ‘in brokken weerkaatst door ramen en regenplassen, alsof ze stukgeslagen was en door de stad verspreid’. Maar toch, ‘als je je ogen dwong de straat als een spiegel te zien, […] dan vormden alle scherven één weerkaatsing’, voor een fractie van een tel dan. Dit is de beschrijving van een loos moment – wat is er alledaagser dan een verregende straat? – die zijdelings benaderd meer onthult dan verwacht.
Later in het boek bezoekt Marie opnieuw een beeldentuin en museum, kijkt ze naar doeken van golven en stelt ze dat water als adem klonk, alsof iemand in je bijzijn sliep. Een paragraaf later schiet haar te binnen dat het woord nuance ooit gevormd werd uit een woord voor wolk. ‘Ze wilde bewaren hoe ze klonk zonder het gewicht van inhoud, ze hoefde niks te bedoelen’ en vervolgens voelt ze voor de eerste keer in lange tijd weer een gedicht opkomen. Zelfs uit haar lp-verzameling spreekt een (kunst)filosofie:
De stukken bestonden uit korte riffs en lange drones, uit textuur, ze bewegen zich voort door herhaling en minimale variatie, of door ophef en geraas. Er ontstond geen grote, romantische spanningsboog, er kwam geen aanwijsbaar moment van ontlading.
Geen plot, geen openbaringen of onthullingen, slechts het verstrijken van de tijd en de bewegingen die in zijn bedding plaatsvinden.
Het sprak misschien al uit het bovenstaande ‘Zelfs uit haar’-zinsdeel: na de zoveelste beschrijving van een schilderij, muziekstuk, observatie of interactie, waaruit een poëtische, ontledende intentie blijkt, kwamen er bij mij soms gevoelens van vermoeidheid en lichte irritatie opzetten. Het is een erg didactisch boek, vanaf de eerste pagina. Zo leert Marie Herder hoe naar kunst te kijken en helpt ze hem zich te verhouden tot zijn eigen dichterschap. Ze geeft lezingen en houdt voor haar leerlingen een lesje categorieënleer, want een stoel kent variaties, maar zonder rugleuning is het een kruk en als het geen omvang had, was het überhaupt niets, en zonder kleur ook niet (een verwijzing naar Wittgensteins ‘Over kleur’?).
De kunst – van beeldend werk tot poëzie van Shakespeare – heeft op iedereen in het boek een louterend effect. Marie denkt bijna exclusief via deze media, Herder vindt er zijn houding door, maar ook Marie’s broer, een ruwere bolster, vindt gevangen in puberale agressie zijn grootste troost bij het lezen van Macbeth. Marie kijkt in een van de laatste hoofdstukken weer naar wat schilderijen en ziet opnieuw hoe ze eerst in losse streken uit elkaar vallen voordat ze er een vastere betekenis in herkent.
Daarnaast kondigt het boek zijn eigen denkstappen en stijlmiddelen regelmatig aan, door de overpeinzingen van Marie bij een kunstwerk of een boek soms erg nauw aan te laten sluiten bij de daaropvolgende beschrijvingen van de stad of een ontmoeting. Of het werkt omgekeerd. Zo loopt Marie in Parijs een izakaya binnen, een Japans eettentje, waar ze sashimi bestelt van een ‘reeks texturen: glad, ruw, vettig, vochtig’. Ten Napel beschrijft vervolgens Maries dwang ‘het voedsel te lezen, alsof het om een schrift ging’. Hier ging bij mij een Barthesbelletje rinkelen, de Franse semioloog die in zijn L’empire des signes (1970) verslag doet van zijn reis naar Japan. Het eten daar, dat hem vreemd overkomt, leest hij als een boek. En verhip, een paar pagina’s later wordt Roland Barthes in een andere context door Marie aangehaald.
Veel van Over het zwijgen leest als een oprechte literair-filosofisch onderlegde zoektocht. De zinnen zijn er om betekenis over te dragen, hebben voornamelijk iets rationeels, tot het uiterste overdacht, waardoor zelfs de poëtische uitspattingen een tactisch tintje krijgen. Dit maakt de toon vaak meer essayistisch dan prozaïsch. Prozaïsch niet in de zin van banaal, maar in de traditie van de betere romans, waarin het verhevene en het banale tegen elkaar aanschurken en een oprechte belangstelling en empathie voor een personage worden gecombineerd met een flinke scheut ironie en/of tragiek.
Het prozaïsche in mijn favoriete romans is vaak humoristisch. Lezers kunnen lachen om hoe de goede intenties van een personage botsen op eigen onvermogen of hypocrisie, op het onbegrip van anderen en/of op de onvoorzienigheid, maar dit gegrinnik houdt ons tegelijkertijd een spiegel voor. Lopen we niet allemaal het risico om een karikatuur van onszelf te worden, om onze intenties trots op de borst te spelden en ze dan in ’t geniep te verzaken? Zelfs als de insteek eerder tragisch is, is er vaak ruimte voor de twijfel of het ideaal het offer wel waard is. Deze onzekerheid herbergt zijn eigen, bitterdere ironie. Toegegeven, dit is misschien een puur persoonlijke smaak, maar ik vond de filosofische, essayistische lens van Ten Napel in zijn oprechtheid soms zo zwaar dat de koe bijna onder het juk bezweek.
In Over het zwijgen zijn de stilte en het niet-schrijven belangrijke thema’s. Marie is stilgevallen. Dit is echter Ten Napels (1993) achtste boek. Dit stukje ironie zal hem vast zelf niet zijn ontgaan. Ik dacht immers nog meer indirecte verwijzingen naar zijn eigen schrijverschap te spotten. Zo komt de beschrijving van Ten Napels laatste bundel Dagen in huis, waarvoor hij de Grote Poëzieprijs toegekend kreeg, dicht in de buurt van de poëtica die hij Marie meegeeft. Ook de gedichten zelf passen bij wat ik van Marie/Roelof ben gaan verwachten na het lezen van Over het zwijgen. En in zijn vorige roman Een zoon van schetst hij een portret van de kunstenaar als jongeman, waarin het hoofdpersoon Wolff Koster van het dorp naar de stad verhuist en zich geholpen door zijn leeshonger een houding weet aan te meten. Hij formuleert theorietjes en verwijst naar Weil, Barthes en anderen om de waarde van vriendschap en romantische liefde beter te vatten en daarmee te beleven, en zet zijn eerste stappen op het schrijverspad. Er is een echo van Herder in hem te herkennen.
Uiteindelijk verschilt de toon tussen de twee boeken niet enorm. In Een zoon van gaat er meer aandacht naar een verontrustende familiegeschiedenis en Wolff is onzekerder, zoekender dan de volwassen, zelfverzekerde dichter Marie. Beide personages zijn echter gevoelige, hyperintelligente pelgrims, die het leven met behulp van filosofie, literatuur en kunst van een afstandje bekijken. Zo leest Over het zwijgen soms als het portret van de kunstenaar als jongeman die zich inleeft in een vrouw van middelbare leeftijd.
Hier is niet per se iets mis mee. Mensen lezen, schrijven, denken na en komen zo nader tot zichzelf en elkaar en dat is prachtig, maar ze zijn ook achterbaks, vraatzuchtig en wanhopig. Ze neuken en morsen worstvet op hun nieuwe broek. Ten Napel schrijft zeer verfijnd en overtuigend over schilderijen en filosofen en hoe deze in dienst van het leven zelf kunnen staan. Ik weet alleen niet zeker of dat een recept voor een goede roman is.
Een recensie door Willem Pije over Over het zwijgen van Roelof ten Napel.
Reacties
Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.