Essays, Recensies

De revanche van de poëzie

poëzie als alternatief

Jeroen Dera

Poëzie als alternatief van Jeroen Dera is een mooi uitgevoerd boek (paperback met flappen; omslagontwerp van Christoph Noordzij) dat vierkant oogt, maar dat niet is; het heeft een niet opvallende, maar toch afwijkende buitenkant. Misschien zegt dit ook iets over de inhoud.

‘Andere’ poëzie

Over poëzie is veel te zeggen en dat gebeurt voortdurend, niet alleen door critici maar ook door academici, en Jeroen Dera behoort tot beide groepen. Zeker academici, en ook dichters trouwens, schrijven vaak over de andersheid van poëzie of over een karaktertrek die misschien niet meteen voor de hand ligt voor de doorsnee-gedichtenlezer en de doorsneegedichten-lezer. Die aandacht voor het andere zat bijvoorbeeld al in de dissertatie van Roswitha Geggus, Die wit in die poësie (1969), die niet handelt over de tekst van gedichten, maar over ‘die funksionaliteit van die wit in die visuele aanbod van hedendaagse poësie’; vergelijkbaar is het proefschrift van Yra van Dijk, Leegte, leegte die ademt (2006), eveneens gewijd aan het typografisch wit in – andere – moderne poëzie. In Het schandaal van de poëzie (1999) stelt Jan de Roder dat poëzie in haar zuiverste vorm een hang naar betekenisloosheid vertoont (niet een idee dat je schoonouders onmiddellijk zullen omarmen). En het recente proefschrift van Kila van der Starre gaat niet over gewone poëziebundels maar over de circulatie en het gebruik van Poëzie buiten het boek (2021). In de studie Op de vuist (2020) volgt Laurens Ham niet conventionele poëzie maar het protestlied op de voet vanaf de jaren zestig tot nu. Wat poëzie ook moge zijn, zeker sinds Dylans Nobelprijs moet/kan/mag ook het protestlied ertoe gerekend worden (ik schrok me overigens een hoedje toen ik een samenvatting van de rabiate afkeer van deze nobele lauwering teruglas). Twee heel recente publicaties waarin niet de ‘traditionele’ lyrische poëzie centraal staat, zijn Barricadepoëzie (2021), de ‘bescheiden bloemlezing van Nederlandstalige politiek geïnspireerde poëzie vanaf 1848’ – tevens ‘poging om de lezer te inspireren en activeren voor de strijd voor maatschappelijke verandering’ – samengesteld door Johan Sonnenschein en Kornee van der Haven, en uit hetzelfde jaar de eerste uitgave van de nieuwe uitgeverij Kwakman & Smet, de bloemlezing Radicale vriendschap. Poëzie en activisme, samengesteld en ingeleid door Bas Kwakman. Zo bezien biedt Poëzie als alternatief nog niet iets nieuws onder de zon.

Apologie

Dera publiceert met dit boek echter zijn apologie voor een poëzie die niet – of weinig, of niet meer, in elk geval zijns inziens nu niet genoeg – in het midden van de aandacht staat. Hij stelt zich, anders geformuleerd, namelijk teweer tegen de ingesleten en vooralsnog kennelijk niet te verdelgen, algemene, althans breed gedeelde en overal steeds weer opduikende stereotypische opvatting dat poëzie bij uitstek een tekstsoort zou zijn voor de fijnzinnige en/of hoogdravende en diepgravende expressie van persoonlijke gevoelens, ‘een hardnekkig beeld, dat van de dichter die op een rommelige zolderkamer onbegrijpelijke odes schrijft aan een marmeren muze’. De eenentwintigste-eeuwse gedichten daarentegen die hij in dit boek bespreekt, ‘zetten met hun blik op de wereld allemaal iets op het spel’.

Meteen na deze intrigerende uitspraak verstapt Dera zich opmerkelijk genoeg met een generalisering of stereotypering die, net als het gewraakte cliché, geen recht doet aan het gehele genre: ‘poëzie’, schrijft hij, ‘is taal die lak heeft aan het geijkte denken’. Dat moge zijn opvatting zijn, maar echt niet alle poëzie is zo, ook niet in deze eeuw, ook niet als ze geschreven is door millennials. Het geldt natuurlijk wel en bij uitstek voor de gedichten die Dera hier geselecteerd heeft en bespreekt.

Niet alle poëzie

Zijn stelling dat poëzie een alternatieve blik op de werkelijkheid biedt, onderbouwt hij met verwijzingen naar historische, theoretische literatuur- en kunstopvattingen als Sjklovski’s ‘De kunst als priom’ (1917) en Felski’s Uses of Literature (2011). Die teksten bevatten echter geen poëzieopvattingen maar opvattingen over kunst en literatuur die kunnen gelden voor sommige soorten van schilderijen, beeldhouwwerken, romans en gedichten; niet voor alle. Onlangs nog ontving ik een dichtbundel ten geschenke, een Popperiaanse zwarte zwaan, waarvan het eerste, van de in totaal vijfenzeventig gelijkvormige, rijmende, metrische, lyrische gedichten, luidt:

Ik zou zo graag de vogels evenaren

Als ik ze in hun vrije vlucht zie gaan

En verbeeld mij dat wij verwanten waren,

In de gesloten kooi van een leeg bestaan.

Deze vogels, uit Dirk Kroons Na de vogels (Liverse, Dordrecht 2021), vertegenwoordigen net zo weinig eco-, economie- en genderkritische dichterlijke reflectie op de buitenwereld als de ‘bloemen in den knop gebroken’ waar Willem Kloos meer dan honderdvijfentwintig jaar geleden zwart-romantisch om weende, overigens eveneens in de drang om zich af te zetten tegen wat toen gangbaar was in de poëzie. Deze vogels zijn metaforen waarmee op ouderwetse wijze lucht wordt gegeven aan een geëmotioneerd, opgekropt, lijdend gemoed. Dera weet ook wel dat die gemoederen en dergelijke uitingen er nog steeds zijn, want een bladzij later zegt hij dat hij alleen ‘geslaagde poëzie als een alternatief’ beschouwt, wat wil zeggen: poëzie die hij geslaagd vindt. Op dezelfde pagina zegt hij over de dichters die hij in zijn boek citeert, dat zij ‘in hun taal […] de wereldorde meedogenloos op haar kop’ zetten en dat ze zich ophouden ‘aan de keerzijde van het kapitalisme’. Dera is hier dus een beschouwende en voorlichtende, selecterende verzamelaar die zijn specifieke, om niet te zeggen: persoonlijke, zeef door de theepot van de poëzie trekt en daarna de blaadjes leest die hij daarin aantreft. Hij biedt niet een verkenning en beschrijving van de poëzie van de eenentwintigste eeuw noch van de millennialdichters; hij biedt ons zijn rijk gevarieerde en beredeneerde bloemlezing van vooral fragmenten uit de recente poëzie op basis van zijn persoonlijke lezerspoëtica. Zo’n bloemlezing met exegese is zeer waardevol, niet alleen omdat het, ook in mijn opinie, nog steeds nuttig is het standaardbeeld van poëzie (meestal slechts: lyriek) te nuanceren, maar ook omdat Dera als criticus en als academicus een geweldig grote en gevarieerde hoeveelheid alternatieve moderne poëzie verzameld en gelezen blijkt te hebben.

Dit geconstateerd hebbende, wil ik nu al de conclusie trekken dat Dera’s boek voor veel lezers bijzonder interessant zal zijn, en ook een verrijking; een boek met een visie op en een boodschap over wat poëzie onder andere kan zijn, hoe ze eruit kan zien en op welke wijzen ze effect kan hebben, niet alleen op het gemoed, maar juist ook op ons denken over en ons inzicht in hoe de wereld in elkaar steekt, en hoe dat anders en beter zou kunnen. Opmerkelijk genoeg ontbreekt het woord ‘engagement’ in het eerste hoofdstuk (het verschijnt voor het eerst in het tweede hoofdstuk) en besteedt Dera ook geen specifieke aandacht aan al de Dichters des Vaderlands die sinds 2000 door middel van publicaties in onder meer de krant de benauwde binnenkamer van de navelpluislyriek toch behoorlijk hebben weten te luchten: verzamel je al de poëmen van de Nederlandse en Belgische DdV’s (Komrij, Vinkenoog, Nasr, Vegter, Perquin, Bruinja, Marsman, Ducal, Vielle, Moors en Norac), dan heb je ook al een gevarieerd alternatief voor die bedaagde lyriek.

Het poëtisch gebruik van de taal

Dera verbindt het alternatief dat poëzie biedt vooral aan het bijzondere, het soms ambigue, vaak om vertraging van het dagelijkse, prozaïsche lezen vragende taalgebruik, met andere woorden: aan de prominentie van Jakobsons ‘poëtische functie’ van de taal. Dera betoont zich dan ook een fijnzinnige, taal- en vormgevoelige, sterk ergocentrisch georiënteerde lezer. Zie hoe hij het enjambement in de frase ‘Ik […] zie je / hurken’ (in Paul Demets’ gedicht ‘Diffusie’) opvat als de verbeelding van een daadwerkelijk hurken: ‘zoals de “je”-figuur op de hurken zakt, zo daal je ook als lezer een regel af.’ Het klinkt als een echo uit een klassiek Merlyn-dal. Mijn oren zijn gespitst.

Als Dera de laaglandse frikken op de vingers tikt, en de literatuurmethodes die gedichten vooral behandelen als van de realiteit van de leerling losgezongen cryptogrammen, raakt hij vervolgens verzeild in een ingelast essaytje over een soort poëzie die, naar het altijd heeft geschenen, extreem van de gewone, buitentekstuele werkelijkheid afgewend was, de taalgerichte, autonomistische poëzie van een Hans Faverey. Dera weet, een stap verder zettend met inzet van secundaire literatuur, daarin een sterke referentiële component aan te wijzen, waardoor hij deze poëzie alsnog zou hebben moeten karakteriseren als cryptogrammatische geheimtaal die vooral geschikt zou zijn voor de welgeïnformeerde, nieuwsgierige en taalgevoelige lezer, en niet voor de gemiddelde, de gewone lezer, wie dat ook moge zijn, laat staan voor de middelbare scholier. Dera benadrukt dat de betekenis van een gedicht, of de betekenistoekenning aan een gedicht, in hoge mate afhankelijk is van de optiek van de lezer, van ‘de lens […] waarmee we naar een gedicht kijken’. Weer ben ik het met hem eens. De oren blijven gespitst.

Kritische poëzie

Dera gebruikt zijn Faverey-excursie als opstapje naar ‘de basisstelling’ van zijn boek: ‘dat poëzie een genre is dat zich verzet tegen het dominante spreken.’ En snel daarna klinkt de basis en de kern van zijn poëticale apologie:

Als poëziecriticus die vervreemding hoog in het vaandel heeft staan, zie ik het […] als mijn taak om steeds de vraag te stellen in hoeverre een gedicht de status quo bevestigt: neemt deze dichter de dingen zoals ze zijn, of wordt de geijkte manier van denken ondermijnd?

Die ondermijning, of vervreemding, heet hij terecht een verrijking van de ervaring van de lezer. En die verrijking is ‘het resultaat van goede poëzie’. Nu klapt er een oor om: zit het goede nu in de poëzie of zit het in de lezer? Ik kies, naar ik aanneem met instemming van Dera, voor beide opties. En ik lees met gespitste oren verder.

In het tweede hoofdstuk, ‘Anatomische aantekeningen’ (over de ‘zeggingskracht van vorm en medium’), staat Dera stil bij poëzie waarin de iconiciteit van het teken een rol speelt – hij besteedt vooral aandacht aan het betekenisdragende enjambement en de plaats van versregels in het numerieke midden van een gedicht. En verder gaat hij in op poëzie die niet via papier gedeeld wordt (die op straat en het internet te lezen is), poëzie die toch nog vaak via de bundel betekenis krijgt (ze kunnen slammen wat ze willen, die moderne dichters) en poëzie waarbij de (aard van) de uitgever ook van betekenis is (marginaal, zoals Liverse in Dordrecht, of regulier, zoals Querido, die toch ook weer lyrische bloemlezingen over liefde en rouw de wereld in helpt), bundels waarin de leesorde niet vastgelegd hoeft te zijn (al dan niet geëxpliciteerd door de dichter), terwijl ook de gedichten door de tijd heen door de dichter veranderd kunnen worden (varianten en variaties in de tekst en de samenstelling van bijvoorbeeld zelfbloemlezingen).

Antikapitalistische poëzie

Allemaal onderwerpen zo oud als de poëzie zelf, door Dera gepresenteerd in het kader van de alternativiteit van de hedendaagse poëzie; het op de werkelijkheid betrokken zijn van de poëzie speelt in dit hoofdstuk nauwelijks een rol. Dat onderwerp komt juist weer volop aan de orde in de daaropvolgende drie hoofdstukken, allereerst dat over ‘Poëzie en economie’. De interpretaties van Dera zijn – jammer genoeg, zou ik haast zeggen – zo sterk afhankelijk van zijn grote kennis van de betreffende dichters, oeuvres en specifieke tekst(fragment)en, dat ik zijn duidingen niet altijd volledig volgen kan. Iedere afwijking van een doorsneegedicht of -taaluiting ziet hij als blijk van een krachtige antikapitalistische systeemkritiek en daarbij strooit hij vrijgevig met naar aarts-neoliberale reclametaal overhellende retorische intensiveerders als ‘korte metten’, ‘grote mate’, ‘uitgesproken kritisch’ en zelfs ‘meest pregnant’. Ik moet nu dus wel al de door Dera aangedragen gedichten gaan lezen of herlezen. Met opnieuw gespitste oren.

Ecokritiek

In het volgende hoofdstuk, ‘Disturb the Universe’, staat de poëtische verbeelding van ‘de menselijke houding tegenover de natuur’ centraal, wat mij evenwel niet meteen duidelijk werd uit de ondertitel: ‘Poëzie, ecologie en natuurwetenschap’ (mijn cursivering; FS). Niet geheel begrijpelijkerwijs is er hier allereerst aandacht voor werk van Ter Balkt, die toch moeilijk tot de millennials gerekend kan worden. De rest van de teksten die Dera bespreekt, is wel typisch van deze eeuw, en hij weet er overtuigend de ecokritiek in aan te wijzen, meestal in combinatie met de experimenteel of in ieder geval ontraditioneel te noemen vorm – ik weet evenwel eigenlijk niet meer wat dat nog is, sinds ik Rodenko las die in Nieuwe griffels, schone leien (1954) de poëzie bijeenbracht, vanaf Gorter tot en met Lucebert, die hij allemaal tot een of andere vrijgevochten avant-garde rekent. Maar de ecokritiek is wel degelijk een nieuwe notie die met een eenentwintigste-eeuwse griffel sterker dan ooit is aangebracht op de aloude lei der poëzie.

Genderdiversiteit

Het vijfde hoofdstuk gaat over poëzie en gender aan de hand van lezingen of voorstellen voor interpretatie van dwarse gedichten van Annemarie Estor, marwin vos, Anne Vegter, Maartje Smits, Marieke Lucas Rijneveld en Radna Fabias. Dera geeft hier bijvoorbeeld een interessante en scherpe analyse van de (rol van de) gender trouble in Kalfsvlies, Rijnevelds debuut uit 2015. Daarbij krijgen twee toenmalige recensenten een flinke tik op de vingers. Vooral Arjan Peters van de Volkskrant maar ook Janita Monna van Trouw verwijt hij dat ze de identiteitscrisis van het lyrisch subject ‘verzwijgen’ en Rijneveld zo ‘een identiteit als non-binair auteur’ ‘ontnemen’. Dera struikelt hier over zijn eigen schaduw, omdat hij niet erkent dat hij anno 2021 beter geïnformeerd is geraakt over dit soort complexe en sensitieve onderwerpen dan die recensenten zes jaren eerder misschien konden zijn. In een terugblik op de poëziekritiek van 2015 in de Revisor (een van de bronnen waaruit Dera de stukken put die hij in dit boek heeft samengevoegd) verschilt hij reeds van mening en interpretatie met Peters, maar hij heeft het dan zelf ook nog niet over ‘de verwachtingspatronen en gendernormen waaraan [de ik-figuur] niet kon voldoen’ maar slechts over ‘de verwachtingspatronen waaraan het meisje [sic] niet kan voldoen’. De zinsnede dat de moeder van de ik-figuur ‘de genderidentiteit van het kind dus letterlijk geweld aandeed’ ontbreekt nog in zijn brontekst. Dat de ik-figuur zich ‘[t]egenover haar vader […] nog altijd niet vrouwelijk genoeg’ voelt, laat Dera in de actuele bewerking van zijn Revisor-stuk wijselijk achterwege; de kwalificatie ‘identiteitscrisis’ uit 2015 is anno 2021 ‘gender trouble’ geworden, en van een ‘lesbische thematiek’ is nu, terecht, ook geen sprake meer. Kortom: Dera zelf had destijds nog evenmin als Peters en Monna in de peiling hoe het precies zat met de duidingsmogelijkheden van de poëzie van (toen nog) Marieke Rijneveld. Het had hem gesierd als hij deze persoonlijke ontwikkeling niet verstoken, maar getoond had, en duidelijk had gemaakt dat de identificatie van (nieuwe) thema’s en accenten in poëzie, of in cultuur in het algemeen, zo vanzelfsprekend nog niet is, maar sterk afhankelijk van het tijdgebonden maatschappelijk-culturele denkkader waarbinnen je als lezer al dan niet bewust je lectuur verricht en dat het daarom nodig is de poëzie (steeds weer) opnieuw en in nieuw licht en door een bijgeslepen lens te beschouwen. Nu stelt hij stoer en streng: ‘Als poëziecritici zo’n nijpende thematiek niet vaststellen [namelijk dat de wereld een puinzooi wordt als er geen ruimte voor diversiteit of variatie is] […], dan doen ze de kracht van het genre tekort. En wordt de poëzie van Rijneveld verkleind tot iets wat ze niet was.’ Dat Dera vergeet zelf een boetekleed om te slaan, vind ik des te meer opmerkelijk omdat hij op tal van plaatsen in zijn beschouwingen juist wel de ruimte neemt om aan te geven dat interpretaties en associaties, ook die van een criticus, persoonlijk gekleurd en dus beperkt zijn, of juist op productieve wijze dwars kunnen zijn.

Poëzie op school

Het laatste hoofdstuk besteedt Dera aan een mogelijke bron van het voortetterende beeld van die ouderwetse lyriek: de middelbare school, meer in het bijzonder de lesmethodes voor literatuuronderwijs in de bovenbouw van havo en vwo. De schoolpoëziecanon is – afgaande op wat Dera daarover in zijn boek meldt – nog steeds heel wit, westers, mannelijk, heteroseksueel en marmeren-navelstarend. Daar komt nog bovenop dat scholieren vooral onderricht krijgen in het aanwijzen en benoemen van los van elkaar getrokken, traditionele poëziekenmerken, zonder dat er aandacht is voor de implicaties ervan voor de betekenis van de tekst als geheel en voor de referenties aan de echte werkelijkheid, en dan met name die werkelijkheid waar de leerlingen zelf deel aan hebben en waar ze ideeën over zouden kunnen ontwikkelen en formuleren, mede aan de hand van de alternatieve poëzie die Dera in de voorgaande hoofdstukken heeft besproken. Gelukkig slaat hij zijn lessenaar niet plat met een voorgekookte methode millennialpoëzie-voor-hedendaagse-scholieren. Met Poëzie als alternatief reikt Jeroen Dera docenten een voorbeeld aan van hoe het lezen van poëzie en hoe het poëzieonderwijs ook kan, anders kan, beter kan: meer kritisch, meer persoonlijk, meer interactief, meer open, meerkantig.

 

Een recensie van Poëzie als alternatief van Jeroen Dera door Fabian Stolk.

Wereldbibliotheek, Amsterdam, 2021
ISBN 90 284 5197 1
190p.

Geplaatst op 27/01/2022

Tags: Poëzie, poëzieanalyse, poëziekritiek

Categorie: Essays, Recensies

Reacties

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.