Reizen om te lezen: de verdeelde staat van Amerika

Reizen zonder John

Geert Mak

Op 23 september 1960 begon John Steinbeck aan een reis per auto door de Verenigde Staten: vanuit zijn woonplaats Sag Harbor, enkele kilometers ten noordoosten van New York City, zou hij eerst in het noorden New England aandoen, vervolgens zich westwaarts begeven om via Niagara Falls, Detroit, Chicago, ‘the Great Plains’ en Montana de westkust te bereiken. Vanuit Seattle zou hij dan door Oregon naar California rijden om daar oostwaarts en huiswaarts te keren via Austin, Houston en New Orleans. Steinbeck reisde met zijn hond, een poedel, en noemde het reisverslag naar zijn metgezel: Travels with Charley.

Was zijn literaire carrière eind jaren vijftig in een impasse geraakt, dan slaagde hij erin met het reisverslag zijn faam als groot schrijver opnieuw glans te geven: zijn reportage met de eraan gekoppelde reflectie over de staat van Amerika, werd met veel belangstelling onthaald; in 1962 kreeg Steinbeck de Nobelprijs voor literatuur. Vijftig jaar later reist Geert Mak hem achterna; hij neemt geen hond mee, maar wel, zo vernemen we terloops, zijn vrouw.

Reizen zonder Charley zou dan ook een aanvaardbare, zij het van weinig inspiratie getuigende titel voor zijn reisjournaal geweest zijn. In de plaats daarvan krijgen we als titel Reizen zonder John, niet alleen inspiratieloos, maar ook flauw en amechtig. Overigens klopt die titel niet, want John Steinbeck is op nagenoeg elke bladzijde metonymisch aanwezig, omdat Mak voortdurend naar hem verwijst, niet alleen naar zijn reisverslag Travels with Charley, maar ook naar de brieven die hij tijdens zijn tocht aan zijn vrouw Elaine schreef, en naar de romans die hem wereldberoemd gemaakt hebben, The Grapes of Wrath en East of Eden. Daarenboven controleert Mak onophoudelijk de juistheid van Steinbecks verslag: altijd opnieuw vraagt hij zich af of Steinbeck inderdaad die avond een praatje gemaakt heeft met enkele plaatselijke nachtbrakers dan wel of hij het zogenaamde gesprek met cafégangers verzonnen heeft, of Steinbeck inderdaad die nacht buiten geslapen heeft dan wel of hij in het plaatselijk hotelletje overnacht heeft. Blijkt dat Steinbecks verslag niet altijd met de feiten strookt. Of dat ertoe doet, laten we in het midden; vast staat dat het ons geen enkel begrip over het hedendaagse Amerika bijbrengt.

De talrijke citaten uit de geschriften van Steinbeck vormen geen obstakel, ze illustreren enkel hoe Mak te werk gaat. Mak kan nauwelijks een observator genoemd worden: in de plaatsen die hij aandoet, vertelt hij niet over wat hij waarneemt of meemaakt, maar hij herhaalt wat hij met betrekking tot die plaatsen bij Steinbeck en vele anderen gelezen heeft. Bij zijn bezoek aan Deerfield, één van de oudste nederzettingen waar de Pilgrim Fathers neergestreken zijn, verhaalt hij over het pionierende bestaan van de eerste kolonisten: hoe de Europeanen samenleefden met de autochtone bevolking, voornamelijk Irokezen, die hen niet als indringers en veroveraars behandelden maar als een nieuwe stam die een plaats zocht in ‘Native North America’, wat de Europeanen van de locale tuinbouwcultuur leerden (en vooral niet leerden), dat de Europeanen de ingewikkelde taal van de zogenaamde indianen (Mak schuwt dit woord niet) nooit hebben hoeven leren, omdat ze vanaf het eerste moment bij hen in het Engels terecht konden, hoe de inheemse bevolking geëlimineerd werd door uitheemse ziektes, zoals de pokken, en hoe het samenleven stilaan ontwricht geraakt is.

Mak vertelt graag de sage van de teloorgang der indianen: als hij Little Bighorn in Montana bezoekt, gaat hij niet alleen in op de historische veldslag waarbij duizenden indianen onder leiding van het legendarische opperhoofd Sitting Bull korte metten maakten met het zevende cavalerieregiment onder leiding van de populaire generaal George Custer, maar hij vertelt ook uitgebreid over hoe de presidenten in de eerste helft van de negentiende eeuw systematisch de ‘native Americans’ hebben bedrogen en verraden.

Hetzelfde scenario herhaalt zich bij het passeren van Detroit: Mak schrijft vaak verhelderende dingen over hoe deze stad in de loop van de twintigste eeuw uitgegroeid is tot de autostad van de wereld – ‘Motown’ met meer dan tweehonderd fabrieken voor auto’s, motoren en onderdelen – en welke rol de zwarten in die ontwikkeling gespeeld hebben. Alleen, hij besteedt daarbij meer bladzijden aan Henry Ford dan aan het Detroit van het eerste decennium van de eenentwintigste eeuw, nu de bevolking meer dan gehalveerd is en de stad in leegstand en krakerspanden wegzinkt.

De tocht eindigt in New Orleans, waar – zoals kan worden verwacht – het verhaal van tropische orkaan Katrina nog eens wordt overgedaan: hoe de regering en het leger nadat de dijken doorgebroken waren, geen sikkepit gaven om de mensenlevens in gevaar.

Nogmaals: Mak weet de interesse van de lezer te wekken, niet door eigen ervaringen op te dissen, maar door gezagsvolle bronnen te citeren. Het obligate Over de democratie in Amerika van Alexis de Tocqueville ontbreekt uiteraard niet op het appel. Verder put Mak uit Francis Fukuyama, John Lewis Gaddis, John Galbraith, Timothy Garton Ash, Tony Judt, Sinclair Lewis, Simon Schama, Howard Zinn en vele, vele anderen. Met hen constateert hij dat de traditionele ‘American way of life’, die wereldwijd miljoenen mensen bekoord heeft, als een zeepbel uiteengespat is: het machtige gevoel dat het leven niet door het noodlot maar door jezelf bepaald wordt, heeft decennia lang stand gehouden, maar ligt nu aan diggelen. Misschien is dat gevoel wel (zelf)destructief, want de droom dat je kunt opklimmen ‘from rags to riches’ ondersteunt en stimuleert het eigen zelfbeeld, maar levert weinig of niets op voor het collectief; sterker geformuleerd: uiteindelijk brengt die droom schade toe aan de handhaving van zo iets als een gemeenschap of samenleving. Wie dit doordenkt, begrijpt dat zwaarlijvigheid in de VS een maatschappelijk probleem geworden is.

Niet zonder ironie signaleert Mak dat Tocqueville al in de jaren dertig van de negentiende eeuw zijn verbazing uitsprak over de enorme hoeveelheden voedsel die de Amerikanen ‘op een of andere manier in hun keel weten te proppen’. De obesitas-epidemie heeft niet alleen met de slechte kwaliteit van het voedsel te maken, noch met de aanmoediging om de godganse dag te schransen, maar vooral met de onuitroeibare gretigheid waarmee Amerikanen zich alles wat voor hun ogen komt toe-eigenen. Op gelijkaardige wijze vinden vele Amerikanen het vandaag moeilijk om te accepteren dat natuurlijke grondstoffen niet onbeperkt voorradig zijn, dat ze m.a.w. uitgeput kunnen raken, en dat het daarom verkieslijk is om niet met een petroleum slurpende Cadillac te rijden.

Tegelijk weet Mak dat de VS niets meer illustreren dan het wereldwijde failliet van de politiek. Welke politicus verkondigt nog een geloof, tenzij de ideologie dat men te allen prijze moet winnen? Holle slogans als ‘we gaan ervoor’ trekken blijkbaar massa’s mensen aan die zich vooral niet willen afvragen ‘waar we nu precies voor gaan’. Meer dan ooit leven we in een schijnwereld: politici scheppen illusies die ze feiten noemen. Toch wordt de rekening ooit betaald, en uitgerekend dàt overkomt momenteel de VS.

De wereld waarin de VS gedurende zeventig jaar een uitzonderlijk dominante positie innamen, is niet meer. Het goede nieuws is dat we misschien evolueren naar een wereld waarin de machtsverhoudingen meer in evenwicht zullen zijn. Ook dit laatste inzicht ontleent Mak aan een boek: hij heeft wekenlang door de VS getoerd, maar hij heeft duidelijk meer geleerd uit lectuur dan uit zijn reiservaring.

Links

Atlas Contact, Amsterdam, 2012
ISBN 9789045021614
575p.

Geplaatst op 03/10/2012

Reacties

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.