Proza, Recensies

Ironie en geluk

Uit het leven van een hond

Sander Kollaard

‘Is het mogelijk,’ vraagt de Nederlandse auteur Sander Kollaard in een essay dat in De Gids verscheen, ‘om fatsoenlijk over geluk te schrijven?’ Is geluksliteratuur niet het domein van het streekromannetje en de kitsch — en dus niets dat we met goed fatsoen literatuur kunnen noemen? Nochtans: Robert Walser, Konstantin Paustovski, Virginia Woolf: alle drie schreven ze, zegt Kollaard, elk op hun eigen wijze, verhalen die baden in een geluksgevoel. Het vraagt vaardige handen, maar dan is het ‘een onderwerp dat heel het leven tevoorschijn haalt uit een enkel moment ervan, zoals goede literatuur dat altijd doet.’

 

Uit het leven van een hond, waarmee Kollaard dit jaar de Libris Literatuurprijs won, is zíjn boek over het geluk. Het verhaalt een dag uit het leven van Henk van Doorn, een meest onopvallende held, een doodgewone man met doodgewone verlangens, maar wel een man ‘gedreven door levenslust’, door ‘de morele overtuiging dat het de moeite waard is, dat er waarheid en schoonheid ligt in het leven zelf, altijd en overal.’ Die levenshouding kan verrassen: zijn oudere broer is de weg kwijt in het leven en, in wat voor velen als een verlossing kwam, jong gestorven. Sinds de scheiding van zijn vrouw is Henk alleen, en op de dag dat wij hem ontmoeten, vertelt de dierenarts hem dat zijn hond, het enige wezen waarmee hij ‘zo’n vanzelfsprekend intiem contact’ had, niet lang meer te leven heeft. Toch leren we Henk niet kennen als een man die verpletterd wordt door het noodlot, of angstig in de leegte schreeuwt, maar als iemand die ‘ja’ zegt tegen het leven, ‘glimlachend om de vrije zaterdag die als een kind voor hem uit huppelt.’

 

Henks levenslust is echter niet het kinderlijke, ongearticuleerde vertrouwen in een altijddurende zomer, en is niet geput uit een geloof in ‘een heilsplan of bestemming’ die het leven zin geeft — hij is het kind van een gedesillusioneerde tijd, en herkent zich in ‘dat hondenverdriet, een onpeilbaar inzicht in de werkelijke stand van zaken (alles gaat voorbij).’ Het inzicht deprimeert hem niet, net zomin als het honden terneerdrukt: het is net de bron van hun ‘tomeloze levenslust.’ Het ogenblik ontleent zijn waarde aan zijn eindigheid, meent hij, en hij begrijpt het ontbreken van een verhaal dat hem vastlegt en betekenis geeft als een bevrijding: ‘Henk’ is misschien schimmiger en vloeiender dan hem lief is, maar het maakt dat hij zelf zin kan geven aan zijn leven, zijn eigen verhaal kan schrijven. ‘Met dank aan onze verbeeldingskracht spinnen we iets uit niets. Er was eens.’ Deze vrijheid komt met de aanmaning het eigen verhaal ‘vast te knopen aan de echte wereld’ zodat het niet ‘op drift raakt’: je moet dus ‘goed kijken’, ‘om te zien wat er werkelijk te zien is.’ Het levensinzicht dat Henk zich eigen heeft gemaakt opent hem naar de wereld, maakt hem ontvankelijk voor het ogenblik. Hieraan ontleent Henks ‘Lebensbejahung’ zijn impuls.

 

Is Uit het leven van een hond geslaagde geluksliteratuur? In een erg mooi essay, ook al gepubliceerd in De Gids, pleit de Nederlandse schrijver Daniël Rovers voor mededogen in de literatuur, voor ‘de morele inspanning’ van de auteur die zich niet verheven weet boven zijn personages. En Kollaard is wellicht op z’n sterkst wanneer hij de lezer weet te overtuigen van zijn oprechtheid: hij gelooft in Henk, en in Henks geloof in het leven. Wanneer de auteur een ironiserende distantie aanwendt, opent zich meteen een afgrond die ook de lezer vervreemdt van het personage en zijn wederwaardigheden. Net bij een geluksliteratuur die de ontvankelijkheid voor het ogenblik viert, dreigt deze vervreemdende afstand het geluksgevoel als geestesgespook te ontmaskeren — een ontmaskering die geluksliteratuur niet kan overleven.

 

Het is daarom des te opvallender dat Kollaard zowel op het niveau van de stijl van de individuele zin als op het niveau van de roman in z’n geheel voor een vorm kiest die Henks levensfilosofie dreigt te ondermijnen. Neem bijvoorbeeld het volgende fragment. Na een wandeling door de stad waarin hij zich verbaast over de veerkracht van het leven, dat altijd nieuwe vormen aanneemt, ‘most beautiful and most wonderful’, arriveert Henk bij de kaaswinkel:

 

In de winkel is het drukker dan op straat. Er staan drie vrouwen bij de vitrine. De vitrine laat zoals altijd een verrukkelijke overvloed zien. Henk voelt zich hierdoor gesterkt. De wellustige uitstalling impliceert niet alleen diep en vrijwel eindeloos genot, maar geeft hem ook een sensatie van veiligheid. Al die rijkdom, al die robuuste welvaart.

 

‘Geluk wordt zichtbaar in schitterende taal,’ schrijft Kollaard in zijn essay over geluksliteratuur. De monotone ritmiek van de zinsconstructies in dit fragment staat echter in dusdanig contrast met elke verrukking over de wellust en de weelde van de wonderbaarlijke wereld, dat ze haast de draak lijkt te steken met Henks levenslust. De zinnen vieren de ‘verrukkelijke overvloed’ niet, maar dammen hem in tot een mak kabbelend beekje waar we achteloos aan voorbijlopen. Eenzelfde ironiserend effect creëert Kollaard ook elders:

 

Achter de kassa zit de eigenaar te lezen. Bij de kinderboeken staat een vrouw in een jurk met een motief van afgehaalde druiventakjes. Mooi.

 

In het laconieke ‘mooi’ —verderop volstaat een al even laconiek ‘ook prachtig’— verschrompelt Henks houding van ‘Lebensbejahung’, zijn aansporing ‘goed te kijken’, tot weinig meer dan het zelfbedrog van een moeë man die alles al gezien heeft.

 

De kloof tussen vorm en inhoud gaapt echter het meest vervaarlijk in de vertelinstantie die Kollaard hanteert om ons door Henks dag te leiden. Deze verteller zoemt niet alleen voortdurend om Henk heen, zijn denken en doen becommentariërend (‘Hij heeft het niet in de gaten, maar hij glimlacht, en dat komt door de herinnering aan […]’), maar springt nu eens jaren vooruit (‘Zo zal het gaan’), voert ons dan weer decennia terug in de tijd (‘Nu we toch terug zijn in 1968’), en springt zo nodig ook bij om ons kond te doen van wat anderen in de tussentijd overkomt (‘Daarom is het heel bijzonder dat ze aan Henk denkt’). Voortdurend moet de verteller tussenbeide komen, ons bij de hand nemen, verklaren wat deze of gene zag en dacht, bijsturen en corrigeren, de lezers instrueren en wijzen op wat zij moeten zien, opdat zij de betekenis van het moment toch maar niet verkeerd zouden begrijpen. Kollaard vertrouwt de lezer niet, of beter: hij wantrouwt de fundamentele onbepaaldheid en ambiguïteit van het moment die het verhaal dat hij wil vertellen dreigen te ontregelen, zijn moraal onderuit halen.

 

De sturende rol van de verteller is absoluut cruciaal in een sleutelscène in Uit het leven van een hond. Op het verjaardagsfeestje van zijn nichtje Rosa, die net zeventien geworden is, vinden Henk en Rosa elkaar op haar kamer, en dronken vallen ze samen op haar smalle bed in slaap. Opdat er voor de lezer geen enkele dubbelzinnigheid zou ontstaan over de situatie waarin ‘die grote man en dat tengere meisje op het eenpersoonsbed’ verkeren, schakelt de verteller bij het vertellen ruw over van Henk naar Rosa: ‘Ze heeft […] een paar glazen wijn gedronken en voelt de verrukkelijke roes van de alcohol […] en ziet ook daarom niets anders dan het vermakelijke tafereel van haar favoriete oom die teder een houten paardje tegen de borst drukt.’ Te allen prijze moet vermeden worden dat de lezer kan vermoeden dat het pubermeisje geïrriteerd zou zijn over die oude, dronken man die ze in haar kamer vindt, rommelend tussen haar spullen, wie weet wat aan het doen. Dit is, insisteert de verteller, een onschuldig, zelfs gelukkig tafereel, beslissend ook in het leven van Henk en Rosa: hier komen ze elkaar pas echt nabij, hier ontstaat een intieme band die een leven lang overeind zal blijven. ‘Rosa zal bij hem zijn als hij sterft, stokoud […]. Ze zal het zweet van zijn gezicht deppen, ze zal hem via een rietje te drinken geven, ze zal zachtjes zijn kale schedel krabbelen.’ (Zoals Henk de kop van zijn hond krabbelt, hem te drinken moet geven met een spons, bij hem zal zijn als hij sterft: de ten einde lopende relatie tussen Henk en zijn hond spiegelt zich in de relatie die ontstaat tussen Rosa en Henk.)

 

De perspectiefwisselingen die Kollaard hanteert bij het beschrijven van deze scène, van Henk naar Rosa en weer terug, van het heden naar de toekomst en weer terug, palen de betekenis af, ontnemen het moment van de oude man en het jonge meisje dronken in het smalle bed de ambiguïteit die er anders onvermijdelijk aan zou kleven — en alleen op die manier, ontdaan van zijn meerduidigheid, kan het moment zijn plek innemen in een beschrijving van Henks dag die baadt in een geluksgevoel. Alleen omdat de verteller bevrijd is van de momentane blik van Henk, kan hij aan het einde van de dag antwoorden op de vraag hoe Henks dag zich ‘het beste laat beschrijven’: ‘als een vorm van catharsis misschien, een reinigende ervaring.’ De verteller zal zichzelf weliswaar terugfluiten (‘Laten we simpelweg vaststellen dat het etmaal zo langzamerhand afloopt. Laten we dus nog één keer kijken —goed kijken natuurlijk— en het daar verder bij laten’), het slecht de kloof niet die Kollaard heeft uitgediept tussen Henk en ons. Vanuit Henks perspectief is de betekenis en de kleur die de dag hier aanneemt fundamenteel ontoegankelijk. Hij schrijft niet zelf zijn verhaal, zoals hij meent. Zijn verhaal wordt voor hem geschreven, elders, buiten zijn eigen weten om, en hoe goed hij ook kijkt, hoe ontvankelijk hij ook is voor het ogenblik, hij zal zelf nooit kunnen zien wat er —willen we de verteller geloven— werkelijk te zien is.

 

Het is een ironische omkering van het geloof waaruit Henk zijn levenslust put. Voor geluksliteratuur misschien wel de omkering te veel.

 

Recensie: Uit het leven van een hond van Sander Kollaard door Matthias Somers

2020

Geplaatst op 20/10/2020

Tags: Geluksliteratuur, Sander Kollaard, Uit het leven van een hond

Categorie: Proza, Recensies

Reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.