Deel Facebook Twitter / X LinkedIn
Mensen zijn vervelend. Ze zijn druk, onvoorspelbaar, willen van alles van je. Schapen zijn dat niet. Ze houden hun mond, hangen de hele dag al gras etend wat rond, bieden je onvoorwaardelijke warmte.
Dat is hoe Eline denkt, het hoofdpersonage van Vacht! van Cobi van Baars – wier vorige roman De onbedoelden de shortlist van de Libris Literatuur Prijs behaalde. Hoewel Eline van der Veer (knipoog naar de gevoelige, dromerige Eline Vere?) zich fijner voelt tussen die schapen, heeft ze toch een kantoorbaan bij een archief dat gevestigd is in een voormalig klooster. Hier doet ze haar eigen ding: ze sorteert oude correspondentie van de vroegere zusters en probeert zich zo onzichtbaar mogelijk door de dagen heen te bewegen. In principe zou dat moeten kunnen: tussen de brieven, in de stilte, zou het net zo rustig kunnen zijn als in de wei.
Op het kantoor zijn er echter collega’s die Eline niet met rust laten. Ze benaderen haar op een vervelende manier, pesten haar zelfs. De roman opent met een pijnlijke scène waarin Eline te weten komt dat er een e-mail rond is gegaan waarin een collega haar Knotje noemt, naar aanleiding van de bol haar op haar hoofd waar ze veel aan friemelt. Elines reactie is verdrietig: in plaats van de collega te confronteren met het nare gedrag, doet ze alsof ze de mail niet las. Dat is niet de reactie van iemand die stevig in haar schoenen staat, die eenmalig met iets vervelends geconfronteerd wordt. Nee, dit is de respons van een verslagen persoon die ervan overtuigd is geraakt dat er niets meer te redden valt. En dus kruipt Eline weg en wendt ze zich tot de schapen, die wél te vertrouwen zijn. Dat doet ze door regelmatig de wei te bezoeken. Maar ook door de dag heen, door de beesten in haar verbeelding aan te spreken. Vacht! denkt ze als ze zich niet fijn voelt; komkomkom zegt ze tegen de kudde in haar hoofd die haar een gevoel van bescherming geeft.
Ondanks de pesterijen wil Eline graag bij de anderen horen. Ze past haar acties aan aan wat collega’s van haar zouden kunnen denken, maar het werkt niet: ‘Met Machtelds blik kijkt Eline naar wat ze heeft meegenomen. Drie sneetjes brood, een appel en een sjaal. Geen spullen waar iets van te vinden valt. “Eet jij tegenwoordig witbrood?”’ Er is zwaarder geschut nodig, want ze wil niet meer buiten de boot vallen op het moment dat de collega’s kletsen over hun weekendplannen. Dus verzint ze een relatie met haar buurman Jaap. Nu heeft ook Eline iets te delen – niemand weet dat ze in het weekend voornamelijk alleen thuis zit, zonder familie en vrienden. Nu is haar vrije tijd gevuld met etentjes en uitjes met Jaap.
De collega’s lijken het, ondanks enige scepsis, te geloven. Het verhaal is ook een reden voor de nieuwsgierige Machteld om dichterbij te komen. Daar is Eline niet van gediend: ze vindt Machteld maar een zweverig type, dat haar vermeende verbondenheid met de aarde opzichtig etaleert en zichzelf veel te serieus neemt. Dat levert komische passages op: de zelfbewuste Eline stelt zich namelijk door het hele boek heen voor wat onder anderen Machteld van haar denkt.
En terwijl Machteld Elines etswerk probeert te duiden, stelt Eline haar antennes af op Machtelds gedachten (wat waardevol dat Eline mij opzoekt en wat is ze resoluut, voor haar doen zeker, zou het dan eindelijk zo zijn dat ik haar vertrouwen heb gewonnen, ik en de chiromantie, nooit eerder heeft ze haar handen zo onbevangen blootgegeven, zou ze inmiddels inzien dat ik de tekenen op waarde heb geschat, zou ze eindelijk op het punt zijn geraakt waarop…).
Een citaat als dit creëert het beeld van een buitenstaander, maar wel een buitenstaander met veel zelfkennis over en inzicht in hoe ze overkomt op de mensen om haar heen. Deze manier van schrijven maakt de roman, die zwaar zou kunnen zijn door de pesterijen en afwijzingen, vaak grappig: niet alleen Elines acties en gedachten worden op een klungelige manier in beeld gebracht, ook de kantoorperikelen worden komisch belicht.
Eline houdt de leugen over haar relatie met buurman Jaap lang vol. Ze raakt verstrikt in het web van oneerlijkheden, moet steeds meer verzinnen om het beeld dat ze creëerde in stand te houden. Dat wordt nog lastiger als ze merkt dat de buurman een relatie heeft met iemand anders. Ze schrikt van het gekreun dat door de muren klinkt, verstopt zich, probeert hem te vermijden. Zulke scènes worden soms nogal barok verwoord, bijvoorbeeld wanneer Eline haar handen legt ‘tegen de enkelsteensmuur waar het verlangen doorheen blijkt te sijpelen als was het geperforeerd hardboard’. Hoewel de beelden her en der te vergezocht zijn, benadrukt de stijl ook de chaos, paniek misschien wel, in Elines hoofd.
Die chaos, in combinatie met Elines vermijdende gedragingen, creëert een wat kinderlijke sfeer. Het is moeilijk te geloven dat een volwassen vrouw op deze manier met de realiteit omgaat. Het roept, onvermijdelijk, ook de vraag op waarom haar gedrag zo is. Over Elines drijfveren komen we echter niet veel te weten. Ze heeft weinig familie en vrienden en had eerder een liefdevolle, ogenschijnlijk niet-problematische romantische ervaring waar ze vol weemoed aan terugdenkt. Verdrietig? Ja. Eenzaam? Ja. Maar er lijken geen onverwerkte trauma’s te zijn en op de problemen met de collega’s na is er weinig frictie.
Dat gebrek aan een verklaring voor Elines gedrag zou een tekortkoming kunnen zijn, maar dat is het niet. Met alle problemen die zouden kunnen spelen in dit boek en in het leven van het hoofdpersonage, is het verfrissend om te lezen over een vrouw die voornamelijk worstelt met het sociale nu en haar heil zoekt in de dierenwereld. Dit is geen roman die de grote misstanden in de wereld aan probeert te kaarten, dit is een roman die gaat over het kleine leed dat essentieel, onvermijdelijk is in het leven. En misschien wel juist daardoor blijft Vacht! dicht bij de kern van het menselijke bestaan.
Een signalement door Sjoukje Croux over Vacht! door Cobi van Baars.
Reacties
Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.