Deel Facebook Twitter / X LinkedIn
In het voorwoord bij zijn bloemlezing Ander Proza (1978) beschrijft Sybren Polet (1924-2015) de experimentele, onconventionele onderstroom die de romantraditie al sinds haar begindagen vergezelt. Hij meent dat de schrijvers van zulk proza zich tot twee polen aangetrokken voelen: de absolute en de totale. Absolute schrijvers, zeldzamer onder de prozaïsten dan de dichters, streven naar zuiverheid in tekst: een in zichzelf besloten geheel dat geen openingen naar of elementen van de wereld buiten tekst bevat. Totaalproza, daarentegen, is een en al buitenwereld. Totaalteksten zijn vaak verzamelingen. Ongelijksoortige onderdelen worden op meer of minder coherente manier aan elkaar gesoldeerd tot een geheel dat de werkelijkheid spiegelt, aanvult of uitdaagt. In zijn bloemlezing schaart Polet onder anderen Van Marissing, Vogelaar, Vaandrager en zichzelf onder de noemer van totaal of onzuiver proza. De absolute teksten komen onder anderen van Van Doesburg, Krijgelmans en Michiels.
Polet is niet de eerste die heeft getracht experimenteel proza in kaart te brengen. In dezelfde inleiding haalt hij een citaat van Johann Gottfried Herder aan uit 1876, waarin die de mogelijkheden van de romanvorm schetst: ‘Wat het menselijk verstand en het hart maar interesseert, lijden en karakter, vorm en omgeving, kunst en wijsheid, wat mogelijk en denkbaar is, ja, zelfs het onmogelijke kan en mag in een roman voor het voetlicht treden […] De grootste onsamenhangendheid laat deze literaire vorm toe, want zij is poëzie in proza.’
Ander Proza is per definitie niet de norm: het komt tot stand door een kritisch onderzoek van de norm. Volgens Polet is zo’n ‘grensverkenning’ en ‘grensoverschrijding’ ‘wezenlijk van belang voor een levende, niet-atrofiërende literatuur.’ Lize Spit mag dan beweren dat moeilijk, plotloos proza schuld heeft aan de wereldwijde geletterdheidscrisis, de waarheid is dat er nauwelijks van dit soort niet-vermoeide literatuur verschijnt, vooral in prozavorm. Waar blijft, bijvoorbeeld, de literatuur die serieus ingaat op de gevolgen van het internet voor de taal? Die is er wel, denk aan N30 van Jeroen Mettes, flarf, dichters als Maxime Garcia Diaz, Merel van der Slobbe en Dominique De Groen: maar in alle gevallen gaat het om poëzie. Waar poëzie in het Nederlands taalgebied kennelijk nog de functie van een vrijplaats heeft, staan de zelfbeschikking en het experiment in proza veel meer onder druk. Toch denk ik dat de tijd rijp is voor een nieuwe bloei van de totaalroman, onder invloed van razendsnelle technologische ontwikkelingen. Ik ben het met Herder eens dat het romangenre daar van nature veel meer voor geschikt is dan de poëzie. De aanzuigende werking van een roman, de ruimte voor arabesken, het massa-appeal: het past perfect. Corpus Britney van Dominique De Groen is het eerste boek dat ik heb gelezen dat het digitale tijdperk en zijn manier van lezen vertaalt in vorm.
Een gids door de clickhole
Nu is het internet niet het onderwerp van Corpus Britney. Daar is het, grappig genoeg, te klein voor. De ambitie van deze debuutroman strekt veel verder: het moet een totaaltekst van het kapitalisme zijn. De Groen geeft een literair antwoord op de vragen waar politiek betrokken schrijvers van alle tijden mee worstelen: wat is dit voor wereld, hoe zijn we hier terechtgekomen, en waar is de nooduitgang? Met dit streven in het achterhoofd lijken die 479 pagina’s ineens tamelijk spaarzaam, zeker gezien het parcours dat De Groen aflegt in tijd en ruimte; we gaan van Schotland naar Virginia en Californië, van de kassa van een Tesco in 2012 via de chemische industrie in de negentiende eeuw naar het paleozoïcum. De dramatis personae zijn een bonte verzameling van menselijke en niet-menselijke organismen (pratend schaap, dansende schimmel), en een erudiet mineraal dat zichzelf voorstelt als ‘de knuffelsteen van Karl Marx’. Het moge duidelijk zijn dat er een hoop te lachen valt in Corpus Britney, maar dat is niet voldoende om losse fragmenten met elkaar te verbinden tot een betekenisvol geheel. De lijm zit ‘m ergens anders in.
Veel totaalproza kenmerkt zich door een zekere verwantschap met de knipselmap: fragmenten gevonden tekst – of tekst met onzekere herkomst – staan naast elkaar. Achterin Corpus Britney vinden we een indrukwekkende bronnenlijst, vol wetenschappelijke boeken, blogposts en films, maar de techniek die De Groen gebruikt om die stukken buitenwereld om te vormen tot elementen van een vertelling, is bij mijn weten nieuw. Het doet me denken aan een spel dat ik – generatiegenoot van De Groen – als tiener op de schoolcomputers speelde. Daarop kon je natuurlijk alleen educatieve websites bezoeken, dus bedachten we een manier om ons te vermaken met Wikipedia. Het doel was om in zo min mogelijk stappen van de ene pagina te komen naar de andere, die er niets mee te maken had. Probeer bijvoorbeeld maar eens van vogelspinnen naar Candide te komen. Hoe breder je algemene kennis is, hoe beter je bent in dit spel. Iedere stap in dat proces levert een wereld aan informatie, waar je steeds dieper in weg kan zakken, want achter elke link gaat weer een rijkdom van kennis schuil. De beste manier om dat spel te spelen is niet per se om het te voltooien, maar om kennis op te doen waarvan je niet wist dat je er nieuwsgierig naar was. De vele arabesken in Corpus Britney voelen als links waarop je steeds maar door blijft klikken, terwijl je jezelf steeds dieper ingraaft in een clickhole. Een gids in dit moerasland van informatie, en een centrale figuur in het boek, moet niet alleen over eindeloze nieuwsgierigheid beschikken, maar ook het doel voor ogen houden, en in het beste geval geprivilegieerd inzicht hebben in de connecties tussen de feiten. Malayney Melkzuur beschikt over al die kwaliteiten. Als bijwerking van een vage slaappil hallucineert ze over het verleden. Geesten van uitgebuite arbeiders, onteigende keuterboeren en heksen bezoeken haar zo vaak dat ze besluit van de nood een deugd te maken en zich te profileren als paranormaal detective. Zo krijgt Malayney ook te maken met de onvoltooide zaken van de levenden. Een Amerikaanse software developer huurt haar in om zijn verdwenen vriendin te vinden, een B-horroractrice die sprekend op Britney Spears lijkt en haar naam deelt met een mysterieus personage uit het levenssimulatiespel The Sims: Bella Goth.
De terugkeer van het offerlam
Wat heeft Britney Spears te maken met de chemische industrie van negentiende-eeuws Glasgow? Niets, natuurlijk, behalve dat in het pad dat loopt van een wildgroei aan plantenleven 200 miljoen jaar geleden, via de kolonisering van Noord-Amerika, naar Oops, I did it again, alles met alles te maken heeft. Het interessante van Corpus Britney is niet zozeer wat de auteur je allemaal vertelt, maar hoe ze er erin slaagt om zoiets enorms te vertellen als het verhaal van het kapitalisme. De literaire techniek die ze hiervoor verzonnen heeft, heeft iets weg van een link: er zijn objecten in het verhaal die doorgangen vormen naar andere verhalen, waardoor elementen aan elkaar geregen worden zonder dat er sprake is van continuïteit in plaats, tijd of personages. Die objecten noemt De Groen soms ‘portalen’. Het kunnen letterlijk doorgangen zijn, tunnels of grotten, het kan gaan om doors of perception zoals psychofarmaca, digitale portalen zoals apps en virtuele omgevingen, maar ook letterlijk magische objecten. Ik heb vaker een verhaal gelezen waarin iemand in een waterput valt en in een andere wereld terechtkomt, maar nog nooit een boek waarin dit tientallen keren gebeurt.
Gaat dit boek over wat Britney Spears te maken heeft met het einde van het kapitalisme? Ja. Laat Corpus Britney ons, de mensen in de wereld buiten het boek, de weg naar dat einde zien? Voor zover literatuur dat kan, en dat is: een beetje. De Groen heeft het vaak over het moment waarop Spears in een kapsalon met een tondeuse haar blonde haren afscheert. Op de achterflap van het boek prijkt een citaat uit het boek Fame (2010) van Tom Payne: ‘When she was halfway through, like a monk with a mullet, she turned to her audience, some of whom had cameras ready, and smiled a sustained smile.’ Vergelijk dit met de regels uit de bundel Offerlam (2020): ‘Niemand wenst het offerlam kwade dingen toe / per se / maar iedereen wil haar zien rillen / gestript van haar volmaakte vacht.’ Maar, beloofde de dichter in dezelfde bundel, het offerlam will be back. De Groen laat het einde van het kapitalisme zien zoals een kunstenaar dat doet: met een metafoor. Met elk slachtoffer van het brute economische systeem wint de mogelijkheid van een andere wereld aan macht in de verbeelding van een revolutionair subject. In deze roman is dat niet alleen een klasse, maar een hybride eenheid van mens, dier, plant en mineraal: alles wat uitgebuit is om zijn vermogen tot (re)productie verenigt zich om op te komen voor haar eigen voortbestaan op haar eigen voorwaarden. Net als Britney, die zich na jaren misbruik bevrijdde van de curatele van haar vader. Dat verhaal is nog niet afgelopen, en het grotere verhaal, dat over hoe mensen op aarde leven, evenmin. Ook niet in het boek. De portalen van De Groen leiden niet naar de toekomst: ze tonen ons onderdrukte stukken verleden en heden, die door onze werkelijkheid spoken. De rest is aan de werkelijkheid buiten het boek.
Reacties
Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.