Poëzie, Recensies

Vast zit je en je lacht

Waar is het lam?

Mustafa Stitou

We krijgen het niet cadeau, dit leven, we moeten er iets voor over hebben. Gelukkig hebben we veel van onze omstandigheden zelf in de hand. We werken om aan voedsel te komen, we bouwen huizen voor onderdak en verplegen onze dierbaren als ze ziek zijn. Eventuele indringers jagen we weg of schieten we dood. Helaas is daarmee niet alles gedekt. Tegen aardbevingen, vernietigende stormen en aanhoudende droogte hebben we weinig verweer, verdriet en eenzaamheid zijn onuitroeibaar en uiteindelijk sterven we en worden we vergeten. Wat zouden we ervoor geven om die rampen af te wenden? En vooral: aan wie zouden we dat geven?

Millennia geleden hebben we de goden uitgevonden, als instantie om aan te offeren wanneer de situatie waarin we verkeren ons doet vermoeden dat we bij iets of iemand in het krijt staan. Bij voorkeur offeren we niet onszelf, maar iets wat enigszins op ons lijkt en waarmee we een band hebben – want als je het na afloop niet zou missen, telt het niet. In het verre verleden moeten mensenoffers niet ongebruikelijk zijn geweest, maar in veel culturen werd als plaatsvervanger een dier genomen, een wezen dat ademt, kijkt en bloedt zoals wij, maar gelukkig niet kan praten.

Een van de meest aangrijpende episodes van het Bijbelboek Genesis markeert het moment waarop van mensenoffers werd overgestapt op het offeren van dieren. Abraham krijgt van God de opdracht zijn enige zoon Isaak te slachten. Hij vertrekt met de jongen, die nog van niets weet, naar het gebergte waar het moet gebeuren. Na enige tijd krijgt Isaak argwaan. ‘Vader,’ zegt hij, ‘we hebben vuur en hout, maar waar is het lam voor het offer?’ Abraham antwoordt: ‘God zal zich zelf van een offerlam voorzien, mijn zoon.’ En inderdaad, vlak voordat de vader zijn zoon de keel doorsnijdt, blijkt er een ram klaar te staan, die de plaats van Isaak inneemt. Hoe de verstandhouding tussen vader en zoon na dit incident was, vertelt de auteur van Genesis ons helaas niet. En als moderne lezer vraag je je af waarom God zich iets laat geven wat hij zelf verschaft heeft. Is dat niet wreed, zinloos en omslachtig? Maar Abraham plukt er de vruchten van, want God belooft hem ‘zo veel nakomelingen als er sterren aan de hemel zijn en zand op het strand langs de zee’, en zijn nakomelingen ‘zullen de steden van hun vijanden in bezit krijgen’. De traumatische gebeurtenis geeft de clan van Abraham dus het recht zich voortaan agressief op te stellen.

Hoe actueel is deze mythe? In zijn nieuwe bundel neemt Mustafa Stitou (1974) het offer van Isaak als uitgangspunt om na te denken over religie, familiebanden en de omgang met dieren. Dat zijn grote thema’s die verweven zijn met uiteenlopende aspecten van het leven. Waar is het lam? is dan ook, evenals Stitous eerdere bundels, ambitieus en veelomvattend. Het is zijn meest genadeloze werk tot nu toe, in de zin dat de lezer niet wordt gespaard. Je moet wel van steen zijn om niet door deze poëzie geraakt te worden.

De bundel telt vijf afdelingen en een epiloog. Stitou heeft nooit gekozen voor een specifieke vorm, ieder gedicht lijkt zijn eigen ritme, omvang en typografische gedaante te zoeken. De taal is doorgaans van een bedrieglijke eenvoud en directheid. Daarbij laat de dichter altijd verschillende stemmen aan het woord, als om te benadrukken dat de werkelijkheid vanuit diverse perspectieven benaderd kan en moet worden, waarmee uiteraard niet gezegd is dat je die ook allemaal moet omarmen. De vervreemding werkt echter verhelderend. Stitou toont, maar oordeelt niet. Bij alle verbazing, weerzin en afschuw die zo worden opgeroepen, klinkt ook altijd mededogen door. Dit is poëzie van grote wijsheid.

Het dilemma van het offeren komt pijnlijk aan het licht in ‘Offerdier’, een lang gedicht waarin de harteloze vertegenwoordiger (of promotiefolder) van een biotech-bedrijf een nieuw product aanprijst. Het gaat om een speciaal ontwikkelde ram die niet jammert, mak maar trots is en zich gemakkelijk laat vervoeren:

 

Het transport is geen probleem.

Hij kan gewoon mee op de achterbank.

Is er geen plaats? Knevel hem losjes

en laat hem plaatsnemen in de kofferbak;

uit eigen beweging zal hij de gewenste houding aannemen

op zijn zij liggend de knieën optrekken

zich verschikken tot hij past.

 

Mocht het dier op de dag van de slacht toch bang worden ‘terwijl je de spullen klaarlegt / de messen de emmers de teiltjes het touw’, dan kun je hem kalmeren met antistresskorrels. Hij weet wat er van hem wordt verwacht, uiteindelijk zal hij ‘sprakeloos op zijn rechterzij gaan liggen / de kop richting Mekka’. We willen, kortom, best een offer brengen, maar liefst zonder geconfronteerd te worden met een dier dat zich verzet, zoals we ook wegkijken van de bio-industrie en het doden van vijanden graag overlaten aan machines. Wat dat aangaat is het traditionele islamitische offerfeest vrij van hypocrisie: misschien is het slachten van schapen wreed, en in de ogen van niet-gelovigen volkomen zinloos, maar het gebeurt tenminste in alle openheid.

De grens tussen dood en leven wordt zelfs gevierd als een spel, want in een van de gedichten vist grootvader de longen van het offerdier uit het teiltje met de organen,

 

bracht de luchtpijp naar

zijn mond en blies:

de longen zetten uit

alsof ze ademhaalden.

 

Meer dan ooit laat Stitou in deze bundel echter zien wat het met je doet als je probeert afstand te nemen van tradities die door je familie nog gerespecteerd worden. Er is sprake van een vader die het besnijdenisritueel van zijn zoon al niet meer als vanzelfsprekend beschouwt en als ‘een bange Abraham’ de kamer verlaat, waarna de operatie natuurlijk toch gewoon doorgaat. Maar een generatie later bewegen volwassenen die het geloof van hun ouders al dan niet expliciet vaarwel hebben gezegd zich vol ongemak te midden van leeftijdgenoten die nog vasthouden aan de overgeleverde patronen. ‘Je kunt niet zijn zoals hij,’ zegt de dichter tegen zichzelf, maar het zou onbeschoft zijn uitnodigingen van verwanten af te slaan, dus je doet lachend alsof je lacht, terwijl je een zekere paniek onderdrukt. In een ander gedicht wordt een dichter die een gastles op een middelbare school verzorgt, ingewreven dat hij een verrader is:

 

Een stuk of wat veertienjarige vmbo-scholieren

op een zwarte school, zoals dat heet – maar ineens

een rechtbank. Voor jouw gevoel dan hè. Ze willen weten

of je ze verraden hebt. Ze willen weten

of je je ouders verraden hebt.

 

Het is iets instinctiefs, constateert de dichter, ze ruiken gewoon dat je een verrader bent. Het is duidelijk dat de vragen van de pubers, die zelf waarschijnlijk net zo ongelovig zijn, deze gastdocent benauwen omdat hij zich inderdaad schuldig voelt, hoezeer hij ook afstand heeft genomen van het oude geloof.

Die ambivalentie spreekt ook uit gedichten waarin een moeder wordt beschreven. Zoals het geval is bij alle gedichten waarin Stitou intieme situaties oproept, is er geen ik aan het woord, maar probeert de spreker distantie te scheppen door je te gebruiken. De moeder zit op haar knieën deeg te kneden voor het brood dat het grote gezin moet voeden, terwijl haar kind, dat blijkbaar in de weg liep, op een keukenstoel zit vastgebonden. De kleuter constateert dat hij zijn moeder helemaal voor zich alleen heeft, want de rest van het gezin is niet thuis. ‘Glimlachend kijkt ze op. / Nee, ze is niet boos meer. Helemaal / voor jezelf heb je haar. Vast zit je en je lacht.’

In het laatste gedicht bezoekt de zoon zijn inmiddels bejaarde moeder. Hun gesprek wordt onderbroken door een wekker in de vorm van een moskee, die oproept tot gebed. Onmiddellijk trekt zij zich terug in een hoek van de kamer om zich aan haar religieuze plicht te wijden. Dit is de laatste strofe:

 

Gebaard heeft ze je, opgevoed, een vreemde zien worden,

maar losgelaten nooit en jij haar evenmin; ongeduldig

blijf je wachten, kinderlijk, verongelijkt, haar onverdeelde

aandacht wil je, overtuigd dat dood is dood.

 

Dit ongemak is een constante in Waar is het lam?, en dan dus niet alleen tussen mensen die geacht worden iets met elkaar te hebben – bloedverwanten, geliefden, voormalige geloofsgenoten – maar ook tussen mens en dier. Dat ongemak slaat wel heel sterk over op de lezer bij het lange gedicht dat de vierde afdeling van de bundel vult. Een ik vertelt over zijn omgang met een wezen waarvan in eerste instantie niet duidelijk is of het om een kind of een dier gaat. Geleidelijk ontdek je dat hij zijn leven deelt met een aap, een chimpansee waarschijnlijk, die niet alleen als zijn dochter fungeert, maar ook als zijn minnares. Hij zorgt goed voor haar, ze heeft leuk speelgoed, ze bladert graag door een boek met foto’s van exotische vogels, en soms ‘blinddoek ik haar terwijl / we luisteren naar geluidsopnames / van dieren in het wild’. Toch blijft ze een vreemde, zeker wanneer ze tot ontzetting van haar eigenaar vogels gaat doden. Nee, hij heeft geen greep op haar, sterker nog, het lijkt wel alsof zij, als God, hem naar haar evenbeeld heeft geschapen. In de slotregels kijken ik en zij naar de weerspiegeling van hun gezichten in een regenplas. Zodra zij in de gaten heeft dat het zijn gezicht is wat ze ziet, begint ze als een kind wild in het water te stampen, en zo vernietigt ze ‘vrolijk dansend haar evenbeeld’.

Het onderscheid tussen mens, dier en god blijkt arbitrair te zijn. In de derde afdeling staat het lange gedicht ‘Pantheon’. De vele goden die daarin figureren, gedragen zich als mensen. Ze leiden problematische, treurige levens, en gaandeweg lijkt het besef door te dringen dat ze totaal overbodig zijn en zich beter zouden kunnen afschaffen. Zou dat lukken? Waar is het lam? laat zien hoe onwaarschijnlijk dat is.

De Bezige Bij, Amsterdam, 2022
ISBN 9789403176116
96p.

Geplaatst op 23/08/2022

Tags: Abraham, Dieren, familie, Genesis, Isaak, Mustafa Stitou, Offers, Religie, Waar is het lam?

Categorie: Poëzie, Recensies

Naar boven

Reacties

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.