Deel Facebook Twitter / X LinkedIn
Zelden ben ik met zulke tegenstrijdige verwachtingen en van tevoren opgedane indrukken aan een boek begonnen als aan Verre bergen en herinneringen. De titel was voldoende om bij weg te dromen, Orhan Pamuk heeft een reputatie als een van de grootste hedendaagse schrijvers en op de website van De Bezige Bij, die het boek in Nederlandse vertaling van Hanneke van der Heijden uitbracht, stonden al fraaie uittreksels van pagina’s waarop tekst en tekeningen in elkaar overgaan. De ontvangst bleek echter niet zo positief. Een recensie van de Engelstalige versie op de website van The New York Times wierp als conclusie zelfs de vraag op: ‘Is Orhan Pamuk’s Memories of Distant Mountains: Illustrated Notebooks, 2009-2022 the most embarrassing book published in modern times by a recipient of the Nobel Prize in Literature?’.
Peter Giesen, buitenlandredacteur van de Volkskrant, had dan weer een weinig vrolijke ervaring met de auteur. In zijn neerslag van hun ontmoeting vertelt Giesen hoe Pamuk hem, na een opmerking over de banaliteit van enkele passages in het boek, prompt de deur wees. Het deed de vraag rijzen of deze uitgave, een selectie pagina’s uit notitieboekjes waarin de auteur dagelijks getekend en geschreven heeft, voor Pamuk vooral een manier was om zijn ego te strelen, en voor de uitgeverij om diens status te gelde te maken, of dat het boek toch de reflecties over schrijverschap, landschap en herinnering bevatte waar ik op hoopte.
Sommige tekstfragmenten zijn inderdaad ontegensprekelijk banaal, alledaags en soms zelfs onbenullig (wat overigens wel vaker het geval is bij dagboeken en autobiografische geschriften). Toch is het niet moeilijk om Verre bergen en herinneringen als veel meer te zien dan een tussendoortje om de verkoop op te krikken. Ook enige ijdelheid is zeker op de pagina’s aanwezig – ook dat is niet nieuw in dit genre –, maar die zorgt in dit geval voor een boeiende, soms zelfs ontwapenende oprechtheid en kwetsbaarheid. Zou het kunnen dat Pamuks lichtgeraaktheid in verband met dit boek precies daarmee te maken heeft: niet met de succesauteur die zich betrapt weet op slordig haastwerk, maar met de schrijver op leeftijd die heeft geprobeerd om in een voor hem nieuwe vorm iets fundamenteels te delen over zijn praktijk en zijn poëtica?
Woord en beeld
De uitgave bundelt een selectie pagina’s uit notitieboekjes uit de periode 2009-2021, en verscheen voor het eerst in het Turks in 2022. Voor de Nederlandse versie werd, net als in het Turks, het originele formaat van de boekjes (8,5 x 14 cm) behouden: de scans staan in het midden van een dubbele pagina, in de witruimte errond is de vertaling van Hanneke van der Heijden uitgetypt. Ten behoeve van de leesbaarheid was dat overigens ook in de Turkse uitgave al zo. Leuk voor de Nederlandstalige lezer die een beetje Turks kan, of het zou willen leren: woorden die vaak terugkeren – ‘verre bergen’, ‘herinneringen’, ‘zwemmen’, ‘schrijven’ – kan je gaandeweg herkennen in de originele, handgeschreven tekst.
Een voordeel van een Nobelprijs winnen is wellicht dat je je financieel wel wat kan permitteren. En dus installeert Pamuk zijn schrijftafel door de jaren heen bij vensters met indrukwekkende uitzichten: de wijk Cihangir in Istanbul, de Prinseneilanden (ook deel van diezelfde stad), Goa, New York, het Griekse eiland Samos, Alexandrië. Die plekken keren terug in de tekeningen in het boek. Het zijn bijna zonder uitzondering landschappen: uitzichten getekend terwijl hij ernaar keek of op basis van zijn herinnering. Beelden uit het geheugen en beelden uit dromen.
De geselecteerde pagina’s zijn niet chronologisch gerangschikt, maar door Pamuk zelf ‘op gevoel’ – en toch ook in functie van een soort van boog, waarbij de centrale thema’s op de voorgrond treden en er gaandeweg metareflectie over de publicatie van de aantekeningen wordt geïntroduceerd. Tijdssprongen komen ook voor binnen eenzelfde pagina: soms heeft de auteur veel later nog iets bij een tekening geschreven en vice versa:
Als je jaren later met je pen (rood) weer naar die bladzijde teruggaat, dan kun je je die dag, die ruzie, die moedeloosheid niet eens meer herinneren. Kennelijk was ik destijds een ander mens. Eigenlijk ben ik iedere dag een ander mens.
Het is een boek dat uitnodigt tot citeren, al is dat bij een beeld natuurlijk lastiger. Literatuur zoekt steeds naar manieren om – onder andere – beelden in woorden te vatten. Dat heeft Pamuk in zijn omvangrijke oeuvre altijd gedaan. In deze uitgave kiest hij ervoor om mét beelden op de relatie tussen beeld en tekst te reflecteren. Die relatie is belangrijk voor hem, wat onder andere te maken heeft met zijn levenslang gekoesterde droom om schilder te worden. Hij refereert er meermaals aan in tekstfragmenten en legt zodoende ook het ontstaan van dit boek uit. Op een dag in 2009, lang nadat hij op zijn tweeëntwintigste het schilderen heeft afgezworen om schrijver te worden, loopt hij een winkel binnen en koopt potloden, penselen, stiften, verf. Van dan af tekent en schrijft hij in notitieboekjes, één pagina per dag. Op die manier laat hij de schilder toe zonder de schrijver uit te bannen, schilder en schrijver moeten hun plek vinden op dezelfde pagina. Hij zou iemand willen zijn, schrijft hij, die zijn leven lang aan tekst en beeld denkt, en aan het geheel ervan op eenzelfde pagina. Een groot voorbeeld is William Blake, op dat vlak volgens Pamuk ‘natuurlijk de allergrootste’.
Kijken en schrijven hebben dus een complexe relatie: voor Pamuk is kijken een noodzakelijke voorwaarde om te kunnen schrijven. Het landschap prikkelt de verbeelding, maar niet altijd op dezelfde manier. Sommige landschappen sturen kennelijk een ander soort creatieve prikkel:
Boeken stel ik me eerst voor als beeld, een toneel. Op een andere manier lukt het me niet om me een voorstelling van de roman te maken… Ik moet naar plekken en landschappen die me helpen bij het verbeelden. Als ik zo’n landschap zie, dan begint mijn hoofd de roman die ik wil schrijven vanzelf samen te voegen met wat ik zie, met het landschap dus. – Dat lukt niet in ieder landschap. Van sommige landschappen krijg ik alleen maar zin om te tekenen.
‘Zin’ is één ding, fundamenteler wordt het als Pamuk gaat twijfelen aan de kracht van de taal. Hoewel woord en beeld vervlochten zijn, stelt hij bij momenten het primaat van het beeld vast. Af en toe schemert door zijn notities de nog niet helemaal verteerde spijt om het feit dat hij geen schilder is geworden. Het verlangen om een andere discipline te beheersen komt wel vaker voor bij kunstenaars, maar in combinatie met de inhoud van sommige van Pamuks notities kan daar ook een hiërarchie in worden afgelezen: het beeld is zuiverder dan (de omzetting naar) woorden. En ja, ook de schilder moet het beeld nog omzetten naar een ander beeld, maar volgens Pamuk zijn er dingen die wél getekend kunnen worden, maar niet beschreven. Dat verdict is specifiek voor dromen weggelegd: ‘Dromen kunnen niet verteld worden, alleen gevoeld… Het gevoel van een droom is alleen op papier weer te geven door een tekening te maken met waterverf.’ Als auteur botst Pamuk dus op een onmogelijkheid om dromen in woorden te vatten, maar hij ontdekt dat hij ze wel kan schilderen. Ofwel: om een bepaald gevoel over te brengen, botst hij op de grenzen van de taal, terwijl die van de schilderkunst nog niet bereikt zijn.
Zouden we daaruit moeten afleiden dat het beeld meer vermag dan het woord? Niet noodzakelijk. De geograaf Yi-Fu Tuan, die ook over het verband tussen landschappen en dromen heeft geschreven, gaat in zijn artikel ‘Thought and Landscape. The Eye and the Mind’s Eye’ (1979) bijvoorbeeld in op het gezegde dat ‘a picture speaks a thousand words’. Voor Tuan is dat waar, maar alleen omdat we over taal beschikken om visuele beelden met betekenis op te laden. Het kan dus wel ‘gemakkelijker’ zijn om een gevoel te vatten in een beeld dan in een tekst, maar als dat beeld er vervolgens in slaagt om een gevoel over te brengen, heeft dat voor Tuan toch opnieuw met taal te maken. Ook Pamuk lijkt in zijn notitieboekjes soms op zoek naar een manier om het verschil tussen beide op te heffen, met name in deze aantekening, die je zou kunnen lezen als een mysterieuze, voorzichtige conclusie: ‘achter de bergen uitkomen, en daar beseffen ze dan dat woorden en afbeeldingen één zijn. Dat is het geheim achter de verre bergen. Maar eigenlijk wisten ze dat al uit hun herinneringen’.
Landschap en herinnering
In de relatie tussen woord en beeld (en meer bepaald landschap) speelt zo ook het geheugen een rol. Pamuks benadering van het landschap echoot een centraal punt uit Simon Schama’s beroemd geworden Landscape & Memory (1996). Verre bergen en herinneringen is een langgerekte illustratie van de wellicht meest geciteerde passage uit dat standaardwerk: ‘landscape is the work of the mind. Its scenery is built up as much from strata of memory as from layers of rock.’
Anders dan Schama werkt Pamuk het verband niet theoretisch uit. Hij doet het meer op affectief niveau, aan de hand van kleine formuleringen, die haast aforistisch en soms parabelachtig klinken. De meeste van zijn observaties of beweringen over de driehoek landschap, verbeelding en herinnering zijn ook niet nieuw. Op een paar passages na, die nadrukkelijker met het oog op publicatie geschreven lijken omdat ze duidelijk een rol vervullen in de structuur van het boek, blijft het een verzameling van flarden. In de notitieboekjes worden geen ideeën en concepten uitgewerkt; ze bieden plaats voor eerste aanzetten, terugblikken op ouder werk en acute bedenkingen bij een schrijfproces dat zich in andere schriften afspeelt.
Of het nu gaat om opsommingen van plekken waar werd gezwommen of films die zijn gezien, die flarden worden vooral interessant in de manier waarop ze elkaar opvolgen en in hun interactie met de afbeeldingen. De afgebeelde landschappen ‘zijn’ er soms gewoon, als achtergrond of context, misschien vormden ze het uitzicht van de plek waar Pamuk heeft gezeten toen hij de aantekeningen in zijn boekje krabbelde. Soms wordt er juist heel nadrukkelijk naar verwezen: welke plek het is, hoe laat het was toen hij erover uitkeek, of de tekening de werkelijkheid goed weergeeft, of hij ze ter plekke of pas achteraf gemaakt heeft. Soms roept het landschap een specifieke sensatie bij hem op:
Dit landschap herinnerde me aan iets anders wat ik met de dichter Ka deel. MENEN dat het landschap dat ik voor me zie een herinnering is. Of precies andersom: menen dat herinneringen MIJN VERBEELDING zijn! Herinnering en Verbeelding zijn allebei een moment – een afbeelding. Ik was daar wel, maar of dat in een droom was of in het verleden, dat weet ik niet. Ik beleef het nu als het verleden…
‘De dichter Ka’ is de protagonist uit Pamuks roman Sneeuw (2011). Dat Pamuk naar dat personage verwijst in relatie tot een tekening van een landschap, duidt erop dat de thema’s die hem in Verre bergen en herinneringen interesseren ook in zijn andere boeken aan bod komen. Ik heet Karmozijn (1998), waarin een hele reeks hofminiatuurschilders wordt opgevoerd, gaat bijvoorbeeld dieper in op de relatie tussen landschappen en schilderkunst. De roman die het meest aanwezig is – omdat Pamuk eraan werkte tijdens een groot deel van de periode waaruit de geselecteerde notities stammen – is overigens Dat vreemde in mijn hoofd (2016). Voor wie dat boek gelezen heeft, werpen zijn aantekeningen wellicht een boeiend licht op het schrijfproces en resultaat. Daarbij is onder andere een opmerking die tegengewicht biedt voor het idee van de geniale schrijver: zijn partner Asli krijgt de artistieke credits voor een radicale ommezwaai van de structuur van de roman, en zonder haar, schrijft hij, had hij Dat vreemde in mijn hoofd waarschijnlijk zelfs nooit afgekregen.
Verder is het citaat over de dichter Ka een typische passage die veel waarheid bevat, maar niet echt wordt uitgelegd en bij nader inzien ook niet helemaal waterdicht is. Met de woorden ‘precies andersom’ stelt Pamuk het landschap toch juist gelijk aan verbeelding? Hoezo, en met welke implicaties? Elders schrijft hij: ‘Het is fout om naar een landschap te kijken zoals je naar een afbeelding kijkt. Je moet naar een afbeelding kijken zoals je naar een landschap kijkt.’ Het is een intrigerende uitspraak, waarop echter niet wordt doorgegaan. Zulke losse eindjes voelen in het geheel van de publicatie echter niet per se als slordigheden, in de specifieke vorm van het boek zijn ze zelfs een rode draad.
Herinnering en verbeelding
Het format met de scans zorgt voor directheid, maar beperkt bijgevolg ook de mogelijkheden om nog in te grijpen door tekst toe te voegen of te corrigeren. ‘Een roman schrijven is je dingen herinneren en je dingen verbeelden,’ luidt het ergens. Die bewering roept geen weerstand op, maar anderzijds ook weinig nieuwe inzichten. Dus jazeker, af en toe bekruipt je het verlangen naar een volgehouden redenering of uitgewerkte argumenten. Maar: net zo goed is wat je in je hand hebt al de uitgewerkte vorm, een schikking van woord en beeld die, naarmate je blijft bladeren, mondjesmaat meer van zichzelf prijsgeeft en tegelijkertijd de lezer uitnodigt om zelf na te denken. Landschappen gaan op elkaar lijken, dagen worden inwisselbaar. Zijn het dezelfde bergen, of alleen dezelfde ogen die gekeken hebben, dezelfde handen die ze tekenden? Betreft het de herinnering aan eenzelfde landschap op steeds andere momenten? Of zijn de afgebeelde landschappen de beeldende neerslag van een herinnering? Sluiten die twee opties elkaar wel uit?
De verre bergen uit de titel zijn wellicht de belangrijkste sleutel tot Pamuks ideeën (maar zeker ook: affecten) over herinnering en verbeelding. Het is in die zin betekenisvol dat de verre bergen op heel wat van zijn tekeningen samenvallen met de contouren van de Prinseneilanden: plekken waar hij in zijn jeugd veel tijd heeft doorgebracht. De afstand krijgt op die manier een temporele dimensie. In het algemeen gaat er daarnaast op ruimtelijk vlak iets onbereikbaars uit van verre bergen. Bovendien belemmeren ze de blik op de horizon, waarachter iets verborgen ligt dat ongezien blijft, maar die een locus of object van een onduidelijk verlangen wordt. In een van de meest directe passages over de reden om een boek te willen maken over landschappen, heeft Pamuk zelf het over ‘het romantische gevoel’ dat het landschap bij hem oproept, en over hoe kijken naar het landschap hem gelukkig maakt – om er meteen aan toe te voegen dat hij zelf niet weet waarom dat zo is.
Op metaniveau is de gehele compositie van Verre bergen en herinneringen een meanderend antwoord op zijn eigen vraag. Kijken is aanstekelijk, en nadenken, verbeelden en herinneren zijn dat ook. Samen leiden ze naar ‘het grootste geluk’, een formulering die in zijn notitieboekjes vaker terugkeert:
Een tafel voor een raam zetten, aan die tafel, met voor me een landschap, nadenken over een roman en alles buiten het landschap en de roman vergeten, dat is het grootste geluk… Het koele weer, de koude zee; de grenzeloze stilte… insecten… vogels… De wereld is klaar om de roman te betreden.
Pamuk geeft al tekenend en schrijvend blijk van een bijzondere gevoeligheid en ontvankelijkheid voor onze omgeving en gedachten. Te midden van banaliteit weet hij uit alledaagse dingen een hoop schoonheid te puren. Zo wordt ook deze bundel van schetsen en flarden een wereld waarin je wil blijven ronddolen en waarnaar je wil terugkeren, een universum waarin het gelukkig toeven is. De Nobelprijswinnaar geeft een stukje van zichzelf bloot, maar raakt vooral aan algemene kwesties rond landschap en herinnering, woord en beeld, schilderkunst en literatuur, tekenen en schrijven, kijken en verbeelden. Hij hoeft zich niet te schamen – integendeel: Verre bergen en herinneringen biedt een intrigerende, lichtvoetige en poëtische aanvulling op enkele van zijn belangrijke lezingen, die een tamelijk klassieke opvatting van schrijverschap en literatuur reproduceren. De ideeën zijn dan misschien grotendeels dezelfde, in verhouding tot de verre bergen worden ze vele malen interessanter.
Een recensie van Verre bergen en herinneringen van Orhan Pamuk door Lennert De Vroey.
Reacties
Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.