Proza, Recensies

Wat je denkt en niet zegt

De neef van Rameau

Denis Diderot

Ongetwijfeld was Denis Diderot (1713-1784) een van de veelzijdigste auteurs van de Franse achttiende eeuw. Hij leidde gedurende zo’n twintig jaar de redactie en publicatie van de grote Encyclopédie, waaraan hij ook talloze artikelen bijdroeg, en schreef daarnaast filosofische essays en dialogen (Le Rêve de d’Alembert), maatschappelijke beschouwingen, romans (Jacques le Fataliste), kunstkritieken (Salons), korte en lange verhalen, toneelstukken… Niet te verwaarlozen (en minder bekend) was ook zijn medewerking aan de Histoire des deux Indes van abbé Raynal, waarvoor hij uiterst radicale antikoloniale teksten produceerde. Diderot werkte ook als vertaler en was een buitengewone briefschrijver, zie de Brieven aan Sophie.

En dan heb je nog de raadselachtige en virtuoze dialoog Le Neveu de Rameau. Zoals andere belangrijke werken van Diderot verscheen dit niet tijdens zijn leven, en bovendien zweeg hij erover in zijn correspondentie – zodat er geen enkele zekerheid bestaat over de tijd van ontstaan; waarschijnlijk begon hij aan de tekst in 1761 of 1762, maar werkte hij er met tussenpozen aan tot diep in de jaren zeventig. De publicatiegeschiedenis is bovendien heel speciaal. In 1805 werd het werk door Goethe in het Duits vertaald als Rameaus Neffe, op basis van een dubieuze kopie; in 1821 verscheen een slechte Franse vertaling van Goethes versie, en in 1923 een verminkte Franse uitgave op basis van een andere kopie. Nieuwe en betere uitgaven volgden, en in 1890 werd een nethandschrift van Diderot ontdekt in een Parijs’ boekenstalletje. Pas van toen af kon Le Neveu echt goed gelezen worden, luidt het vaak, maar niettemin was de actieve receptie al veel vroeger begonnen. Rameaus Neffe trok de aandacht van de jonge wijsgeer G.W.F. Hegel, en al in 1807 gaf die er in enkele bladzijden van zijn Phänomenologie des Geistes (VI.B.I.a.) een interpretatie van die erg invloedrijk werd en bleef, tot op vandaag.

De neef van Rameau kreeg dus meteen een filosofische lezing, maar in verzameluitgaven van Diderots oeuvre wordt het vaak ondergebracht bij het literaire werk, de fictie zeg maar (bijvoorbeeld in het deel Contes et romans van de Pléiade-reeks). Zowel het een als het ander valt goed te verdedigen, en dit is niet het enige ‘onclassificeerbare’ boek van Diderot, maar dat gemakzuchtige etiket volstaat niet. De Verlichtingsspecialist Pierre Hartmann (1995) stelt dat Diderot hier zijn eigen theorieën (over opvoeding, persoonlijke verantwoordelijkheid, moraal…) als het ware onderwerpt aan de test of de proef van de literatuur, en zo bepaalde problematische kanten ervan aan het licht brengt. Je kunt spreken van een experiment: wat gebeurt er met mijn en andermans ideeën als ik die laat behandelen en incarneren door levend(ig)e personages? Volgens Hartmann exploreert de literaire tekst ook inzichten die de filosofie nog niet aankan, die haar nog ontsnappen, en wel om haar voor zelfingenomenheid te behoeden en ‘om er het kostbaarste deel van te redden, de kritische essentie en de subversieve portee’. Zo vormden economie en arbeidsverhoudingen voor de Verlichtingsfilosofie een’blinde vlek’ – maar dat doen ze niet voor de rare snuiter die ‘de neef van Rameau’ is.

 

Verhaal

Twee mannen ontmoeten elkaar in het Parijse Palais Royal (verzamelplek voor wandelaars, prostituees, spelers…), meer bepaald in het Café de la Régence. Het zijn kennissen, en ze converseren met elkaar als Lui en Moi, Hij en Ik; maar Ik is tevens de ‘verteller’, hij introduceert en situeert, zegt hoe Hij zich gedraagt, geeft bedenkingen – en schetst zo een portret van de tegenspeler en van zichzelf. Deze Ik is een filosoof die vaak veel weg heeft van Diderot, maar zeker niet met hem samenvalt – enerzijds omdat Diderot nu eenmaal de héle tekst geschreven heeft, anderzijds omdat Ik wat al te keurig denkt en oordeelt, tot op het geborneerde af. Hij is de titelfiguur, een neef (oomzegger) van de beroemde componist Jean-Philippe Rameau (1683-1764); zelf is hij op zijn beurt een begaafd musicus, die deels werkt als leraar en ook optredens geeft, maar toch vooral leeft van tafelschuimerij in rijke huizen – met alle wisselvalligheid van dien. Hij heeft echt bestaan, deze Jean-François Rameau (1716-1777), net als de andere personen die in de tekst ter sprake komen. Maar bij Diderot verschilt hij wezenlijk van zijn model, hij is werkelijk een fictief personage geworden; voor een gewone lezer zijn de historische overeenkomsten grotendeels irrelevant. Wél van belang is dat de neef aan huis komt bij en zelf behoort tot de tegenstanders van de philosophes, en dat hij als insider dat milieu afschildert op een extreem ongunstige manier. Diderots oorspronkelijke titel van het werk was alleen maar ‘Tweede satire’ (hij had inderdaad een ‘Eerste satire’ geschreven), en je zou dus kunnen veronderstellen dat de antifilosofen – via de neef – het object van de satire zijn. En ja, ze komen er abominabel uit, maar zo simpel is het toch niet.

De neef van Rameau heeft een heus verhaalverloop. De protagonisten ontmoeten elkaar, ze spreken met elkaar en de neef dóet ook van alles, en dan gaan ze weer uiteen. Bovendien krijgen we een centrale anekdote voorgeschoteld: de neef heeft een stommiteit begaan (namelijk: blijk gegeven van gezond verstand, iets gezegd dat over de schreef van de schone schijn ging) bij de lui die hem geregeld uitnodigden om te dineren, en daardoor lijdt hij inkomensverlies. We komen dat maar in stappen te weten. De neef voelt zich vandaag niet zo best (p. 12), hij begint te vertellen hoe dat komt (p. 24), maar het duurt dan nog bijna vijftig bladzijden voor we vernemen wat er juist gebeurd is, inmiddels zitten we al ver over de helft. Daarvoor, daartussen en daarna wordt uitgeweid over relaties en situaties die met het kernvoorval te maken hebben, maar ook over allerlei onderwerpen die er althans op het eerste gezicht amper mee verbonden lijken, zoals: de betekenis van het genie (dat vaak niet in zijn levensonderhoud kan voorzien), de praktijk van de neef als lesgever, zijn opvattingen over eerlijkheid, zijn levensdoelen, de oorzaken van zijn mislukking als componist, de opvoeding van kinderen (de zoon van de neef, de dochter van de filosoof).

Van de hak op de tak? Nee. Er zit weinig abrupts of geforceerds in de overgangen tussen verschillende thema’s, hoewel Ik gaandeweg meer vraagt om over iets anders te praten, over muziek in plaats van over morele kwesties, omdat de levensvisie en het cynisme van de neef hem ongemakkelijk maken of zelfs degouteren. Het is allemaal veel minder heterogeen dan het aanvankelijk lijkt. Gaat het in de grond niet voortdurend over hoe een niet geprivilegieerd mens aan de kost kan komen, en welke zedelijke normen hij daarbij moet hanteren? De filosoof is daar kieskeurig in, de neef daarentegen schrikt niet terug voor huichelarij, vleierij, kruiperij – met het liefst zo weinig mogelijk arbeid.

 

Gesprekspartners

In de ogen van de filosoof is niets kenmerkender voor de neef dan zijn veranderlijkheid, onsamenhangendheid, tegenstrijdigheid: ‘Niets verschilt zo van hem als hijzelf.’ Dat slaat op allerlei dingen: zijn uiterlijke verschijning (armoedig en ziekelijk, of ‘dik en welvarend’), zijn manier van spreken (hard en zacht), zijn intelligentie (dwaas en schrander), en ‘een mengsel van grootsheid en verachtelijkheid, van gezond verstand en krankzinnigheid’. Het karakter kent geen eenheid, het mist consistentie, en daarmee hangt samen dat de neef geheel op het hier en nu gericht is; hij ambieert om zonder problemen de dag door te komen – en ‘Het belangrijkste is om elke avond makkelijk, ongehinderd, prettig en overvloedig naar het toilet te gaan, stercus pretiosum [o kostbare stront]!’ Dat vraagt offers: ‘De deugd is ijskoud en in deze wereld moet je zorgen dat je je voeten warm houdt.’ De neef heeft dus geen enkel doel op lange termijn, niets groots om zijn kleine acties aan af te meten. Maar dat is toch slechts een halve waarheid, zoals blijkt als hij het over de opvoeding van zijn zoon heeft:

Goud is alles en zonder goud is de rest niks waard. In plaats van zijn hoofd vol te proppen met mooie stelregels […] zal ik dan ook, wanneer ik een goudstuk zou bezitten [,..], vóór hem gaan staan, dat goudstuk uit mijn zak halen en dat vol bewondering aan hem laten zien, mijn blik ten hemel richten en dat goudstuk voor zijn ogen kussen. En om hem het belang van die heilige munt nog beter te doen begrijpen zal ik hem […] duidelijk maken wat voor dingen je daar allemaal voor kunt kopen […]. En vervolgens stop ik dat goudstuk weer in mijn zak, loop trots heen en weer, trek mijn jaspanden omhoog, en klop met mijn hand op mijn vestzakje. En zo breng ik hem aan het verstand dat mijn zelfverzekerde houding te danken is aan dat goudstuk.

Rijkdom dus, dat is één, en die zou alleen kunnen dienen om allerlei vormen van genot te kopen, dat is twee: ‘waar moet iemand in godsnaam zijn geld anders voor gebruiken, als het niet is voor lekker eten, in goed gezelschap, met goede wijn, mooie vrouwen, alle soorten genoegens [amusements] en allerhande pleziertjes’? Ook hierbij denkt Rameau aan zijn kind, want ‘wat is een goede opvoeding anders dan een voorbereiding om zonder risico en zonder problemen te kunnen genieten van alle vormen van genot?’ (De herhaling genieten/genot komt niet uit de Franse tekst.) Meermaals beklemtoont hij dat zijn slechte opinies en eigenschappen en gedrag overeenstemmen met de maatschappelijke omgeving, ze ‘passen bij de zeden van mijn land’, ‘U hebt niet in de gaten dat ik op dit moment het grootste deel van de stad en van het hof vertegenwoordig.’ Dus mogen we nu al opmerken dat deze excentriekeling in feite een conformist is.

Aan het einde prijst de neef zijn overleden vrouw: ze kon zo goed zingen en ze was zo sexy en ze hielden zo van elkaar. Hij moet zowaar huilen bij de gedachte aan haar dood, maar dat is alleen om dat daarmee zijn ‘hoop op rijkdom’ vervlogen is: ‘Enkel en alleen daarvoor had ik haar tot vrouw genomen’, zij stond helemaal achter zijn ‘plannen’ – en bij die plannen hoorde kennelijk een vorm van prostitutie. Dus ook de ‘liefde’ valt onder het streven naar geld: ‘is het nou niet waar dat ik nog altijd dezelfde ben?’ Geen tegenspraak met de veranderlijkheid, want ‘Ik ben mezelf en ik blijf wie ik ben, maar ik handel en spreek zoals het te pas komt.’

De nadruk ligt vaak op de onbeschaamdheid van de neef. Hij kan vleien en liegen als het nodig is, maar hij speelt open kaart tegenover de filosoof, onder meer om te tonen dat hij in slechtheid aan de top staat… Ik kan het wel waarderen:

In dit alles zat veel wat je denkt en waarnaar je handelt maar wat je niet zegt. En dat is eigenlijk het meest opvallende verschil tussen mijn gesprekspartner en de meeste mensen om ons heen. Hij gaf de slechte eigenschappen toe die hij had, en die anderen ook hebben, maar hij was niet hypocriet.

Tegenover de zo exuberante figuur van de neef steekt de filosoof overigens maar schraal af, wat allereerst komt doordat hij in het gesprek veel minder zegt, en minder over zichzelf; vaak is hij slechts aangever. Hij lijkt het fatsoen te vertegenwoordigen, hij is niet bereid voor materiële welvaart zijn integriteit te verloochenen; en boven directe bevrediging verkiest hij wat op langere termijn het beste is. Maar waarom neemt hij de touwtjes van het gesprek niet steviger in handen? Zijn uitspraken doen vaak flets-moraliserend aan, en soms ook zelfgenoegzaam: ‘Ik kan alleen de waarheid spreken en, zoals u weet, slaat dat niet altijd aan.’; of: ‘er zijn mensen zoals ik, die rijkdom niet beschouwen als het allerbegeerlijkste op aarde: merkwaardige mensen’.

Op de wellicht beroemdste bladzijde van het boek staan de twee helden scherp tegenover elkaar:

Hij – […] goede wijn drinken, je tegoed doen aan heerlijke spijzen, genieten van mooie vrouwen, slapen in heerlijk zachte bedden. Daarbuiten is alles ijdelheid.

Ik – Wat? En de verdediging van je vaderland dan?

Hij – IJdelheid! Er is geen vaderland meer: ik zie van de ene pool tot de andere niks anders meer dan tirannen en slaven.

Ik – En je vrienden bijstaan?

Hij – IJdelheid! Heeft iemand ooit vrienden? En als je die hebt, moet je er dan ondankbare honden van maken? Kijk maar eens goed om u heen, meestal krijg je stank voor dank. Dankbaarheid is een zware last, en elke last is bestemd om afgeschud te worden.

Ik – Een plaats [état] innemen in de maatschappij en zijn plicht vervullen?

Hij – IJdelheid! […] Je plicht vervullen, waar leidt dat toe? Dat geeft jaloezie, onrust, vervolging. Is dat een manier om vooruit te komen? In het gevlij komen, potdorie! […]

En zo verder en zo meer. Is er een winnaar in de dialoog, wordt er op den duur een waarheid bereikt? Ik blijft al te algemeen en vlak, op enkele uitzonderingen na, en Hij mag dan verbluffen en overbluffen, hij heeft daarom nog geen gelijk. Bovendien zijn ze het soms eens, en de neef verwoordt meermaals ideeën van Diderot zelf, of hij zet de filosoof aan het denken, brengt hem tot toegevingen – en doet hem hard lachen. De discussie eindigt onbeslist, de lezer mag zelf tot een eindoordeel komen – als zij of hij dat kan en wil.

Intussen blijft het zo dat de neef professioneel een mislukkeling is, hoe komt dat? Hij geeft zelf verschillende verklaringen: geboren onder een verkeerd gesternte, te weinig talent in vergelijking met de groten… Maar meermaals verwijst hij ook naar zijn armoede: ‘Wat is dat voor een economisch systeem! [Que diable d’économie] Mensen die een overvloed van alles hebben, terwijl anderen, die net zo’n veeleisende maag hebben als zij, steeds maar weer honger hebben en niets te eten.’ De arme is gedwongen om bepaalde houdingen aan te nemen om anderen te bevallen, en: ‘hoe kun je ook iets voelen, hoe kun je naar het hogere streven, een treffend beeld schilderen, als je verkeert onder het soort mensen als degenen met wie je moet omgaan om in je levensonderhoud te kunnen voorzien, met al die gesprekken die je voert en die je moet aanhoren, met al die roddels’? De omgeving is kunstvijandig.

De neef is dus een uitstekend musicus (en een belezen man) die, minstens ten dele uit noodzaak, de anderen moet amuseren: ‘Ik heb te maken met mensen die zich vervelen, ik moet ze laten lachen. En waar lachen de mensen om? Om belachelijke, dwaze dingen. Ik moet belachelijk en dwaas [fou] zijn.’ Over de ‘folie’ van de neef is veel geschreven, maar bovenal moet hij de dwaas of de gek spelen. De filosoof stapt nogal licht heen over de verplichtingen die armoede aan mensen kan opleggen, en neemt nogal grif aan dat de neef geen ‘waardigheid’ kan hebben.

 

Muziektheater

Bij twee punten in verband met muziek moet ik even stilstaan: waarom krijgen ze zo veel aandacht in een tekst die uiteindelijk toch over iets anders gaat?

Ten eerste, de neef spreekt uitgebreid over de Querelle des Bouffons. Dat was een publieke twist die vooral in de jaren 1752-1753 woedde en waarin de voorstanders van traditionele Franse (opera)muziek (zoals die van Jean-Philippe Rameau) bakkeleiden met die van de nieuwere Italiaanse muziek (zoals Pergolesi). Los van het artistieke aspect had deze Querelle een politiek karakter, want de ‘nationale’ Franse muziek stond geheel in dienst van de monarchie, en de andere partij bracht die band met de koning in gevaar. Tot die andere partij behoorde Jean-Jacques Rousseau, en in mindere mate ook d’Alembert en Diderot. De neef in Diderots tekst, die geen goede band heeft met zijn beroemde oom, blijkt een fervent verdediger van de Italianen – totaal anders dan de reële Jean-François. Waarom moet dat zo zijn, en dan nog op een moment dat de strijd niet erg actueel meer was? Een beetje simpel uitgedrukt: de neef (wiens opvattingen op die van Rousseau lijken) vindt dat gezongen muziek dicht bij de spreektaal en bij de uitdrukking van emoties moet blijven, en daar zijn de ‘Fransen’ niet goed in, ook de tekstschrijvers niet: ‘Eenvoudig spraakgebruik, de natuurlijke [communes] manier om uitdrukking te geven aan een passie […]. Dat vind je in de schreeuw van een dier of van een hartstochtelijk bewogen mens.’ Passie en natuur zijn de sleutelwoorden. En dan moeten we eraan denken dat de neef zelf iemand is die zijn natuur volgt, die zich zo weinig mogelijk laat binden door externe regels – en iemand die ‘eerlijk’ uitkomt voor wie hij is. Zo draagt de muziekdiscussie wel degelijk bij tot zijn portret.

Ten tweede, de neef spréékt niet alleen over muziek, hij is ook meteen een uitvoerder van muziek en theater. Tijdens het gesprek begint hij dikwijls aan pantomimes en performances, imitaties van mensen en gesprekken en concerten en opera’s (waarin hij alle rollen en instrumenten speelt). Hij gaat daar volledig in op, en presteert zo geweldig dat behalve zijn gesprekspartner ook de mensen rondom hen met verbazing en bewondering vervuld worden. Ten dele gaat het om illustraties bij zijn stellingen en beweringen, maar het zijn ook demonstraties in dienst van zijn snoeverij, zelfpromotie, reclame: kijk eens wat ik allemaal kan, vertel het voort, misschien wil iemand mij in dienst nemen – als leraar, of als entertainer bij feestelijke diners.

 

Hoongelach

Laten we even afstand nemen. In 1935 schreef de Hongaarse marxistische denker Georg (György) Lukács een opstel over Balzacs roman Illusions perdues (1843). Hij meende dat Balzac hier een nieuw subgenre schiep, de desillusie-roman. Niet dat desillusie over maatschappelijke voorstellingen in oudere moderne fictie geen rol gespeeld had, maar het ging dan veelal om de verstoring van resterende feodale illusies, terwijl nu de burgerlijke idealen zelf tot schietschijf werden:

Het tragische hoongelach over de hoogste ideologische producten van de burgerlijke ontwikkeling zelf, de tragische zelfontbinding van de burgerlijke idealen onder de druk van hun eigen economische, kapitalistische basis, wordt voor het eerst in deze roman van Balzac omvattend, in zijn totaliteit vorm gegeven. Alleen Diderots onsterfelijke meesterwerk De neef van Rameau kan als ideologische voorloper van Verloren illusies gelden.

Het woord ‘hoongelach’ wordt door Hegel gebruikt in verband met De neef van Rameau. De neef is, in een heel vroeg stadium, iemand die spottend wijst op de ware spelregels van de groeiende nieuwe maatschappij, en op het feit dat je die regels moet volgen om het ergens te brengen. Naast hem slaat de nog illusievolle filosoof een zwak figuur, hij kan maar een particuliere realiteit naar voren brengen, een soort voorbeeld, en dat staat dan – zo citeert Lukács Hegel – ‘tegenover de algemene werkelijkheid van het omgekeerde doen van de gehele reële wereld, waarin dat voorbeeld dus slechts iets volkomen uitzonderlijks […] vormt – en het er-zijn van het goede en het edele presenteren als een enkele anekdote […] is wel het bitterste wat erover gezegd kan worden.’ (cursivering Lukács, vert. Willem Visser, licht gewijzigd.) Toch blijft Lukács de aanwezigheid van de illusies bij Diderot en Balzac noodzakelijk vinden, omdat ze de mogelijkheid van een andere maatschappij openhouden, ze geven te kennen dat de menselijke geschiedenis toch niet kan of mag eindigen in de ellende die iemand als de neef ten gehore brengt.

Lukács sluit dus met eigen accenten aan bij Hegel, en bij Marx (die zelf in een brief aan Engels Hegels visie samenvatte). Doet het hierboven aangehaalde fragment over de ‘ijdelheid’ van alles ook niet sterk denken aan het eerste deel van het Communistisch manifest? (‘Alles wat op standen en het bestaande berust verdampt; al het heilige wordt ontwijd en de mensen worden ten slotte gedwongen hun positie in het leven, hun wederzijdse betrekkingen, met nuchtere ogen te bezien.’ – vert. Hans Driessen.) Maar Hegel, Marx en Lukács beperken zich tot globale opmerkingen over Diderots dialoog. Zijn hun inzichten wel bestand tegen een serieuze tekstanalyse? Ik constateer dat verschillende hedendaagse kenners van Diderot en de Verlichting tot conclusies komen die er min of meer mee verwant zijn. Zo is er, naast de al genoemde Hartmann (een bijzonder rijk artikel), Paolo Quintili (2016), die de neef uitroept tot ‘de mens van de toekomst’, ‘onze tijdgenoot’: ‘Hij is niet de mens van zijn tijd in verval, maar de apostel van de toekomstige rede van de handelaars en financiers, en de politici die zich verkopen aan de meest biedende. […] Dit monster, verstoten, uitgelachen en gemarginaliseerd door zijn medemensen, een verachtelijke parasiet, […] regeert aan het begin van de eenentwintigste eeuw staten en continenten, bijna de hele planeet.’ En Gerhardt Stenger (2017) : ‘Al laakt de filosoof de immoraliteit van de rijken, de menigte heeft respect voor hen. De neef van Rameau kondigt niet de juichende overwinning van de Verlichting op haar tegenstanders aan, maar integendeel de maatschappij van Balzac, waarin het geld de wetten, de politiek en de zeden domineert.’ Jacques D’Hondt (2004) zegt het zo: ‘De schande van de gefrustreerde hebzucht [van de neef] zal plaats maken voor maatschappelijk succes.’ En hij noemt een fundamentele beperking van Diderot: nergens wordt er gesproken over de herkomst van de rijkdom, over het werk van de werkers. Ook D’Hondt ziet Balzac als een vervolg op de neef – en mij spijt het dat ik hier niet kan tonen hoe frappant de gelijkenissen soms zijn tussen de achttiende-eeuwse filosoof en de negentiende-eeuwse romancier.

Er zijn natuurlijk heel andere manieren om naar Diderots onuitputtelijke tekst te kijken, maar een politiek-sociale aanpak (erkenning van ongelijkheid en uitbuiting, triomf van het eigenbelang, verval van morele of humanistische waarden ten voordele van ruilwaarde …) lijkt toch wel een van de vruchtbaarste mogelijkheden. En dan zien we inderdaad duidelijk dat de neef, de filosoof en Diderot het ook over ons hebben. Wij vinden het misschien afgezaagd om te roepen dat alles om geld draait, we verkiezen misschien meer gecompliceerde formuleringen om het te zeggen, maar het blijft er niet minder waar om. Enrichissez-vous, dan verdwijnen al uw problemen! En hoe vaak wordt ons niet, en almaar drammeriger in de laatste decennia, voorgehouden dat we zonder uitstel moeten genieten? Er zijn nu zeker mensen die zich met recht kunnen beklagen over de coronamaatregelen, maar worden de meest luidruchtige tegenstanders niet juist gemotiveerd door verlies aan geld en genot? En ten slotte, de neef als amuseur, iemand die de zot uithangt, daarbij moet ik denken aan de spelprogramma’s met Bulderlachende Bekende Mediafiguren die ik zie passeren op de tv: het amuseurschap is nu een pretindustrie op grote schaal, en volgens het dominante discours moeten we haar bedienaren zelfs als ‘cultuurdragers’ beschouwen – die oeioeioei toch ook zo erg te lijden hebben onder de coronabeperkingen.

De filosoof vindt het maar een ongelukkige zaak dat de neef ‘nog altijd dezelfde’ is. En dan besluit de neef de dialoog: ‘Ik hoop dat ik nog zo’n jaar of veertig zo ongelukkig mag blijven. Wie het laatste lacht, lacht het best.’ Alweer zinnen om hard over na te denken, vooral de tweede. Wellicht is dit een mogelijke lezing: ik ben nu nog een zonderling, ‘un original’, maar dat zal veranderen; mijn tijd is nog niet gekomen, maar hij komt.

 

Uitgave

Hannie Vermeer-Pardoen heeft de tekst voorzien van een degelijk nawoord en beknopte maar nuttige aantekeningen. Haar vertaling leest doorgaans erg vlot en treft de juiste toon, maar er zijn nogal wat fouten en slordigheden. Al ondermijnen die de betekenis van het geheel niet, ze zorgen wel voor ergerlijke haperingen bij het lezen. Ik noem er enkele om te tonen wat ik bedoel:

– Op p. 31 zegt Hij: ‘Ik heb iets opzij kunnen leggen, en dat is dan mooi meegenomen.’ Op zich lijkt dat helder, maar tussen beide zinnetjes had moeten staan: ‘De tijd is voorbijgegaan’; daardoor gaat ‘dat is dan mooi meegenomen’ vreemd klinken, en kun je dus de (anders vrij idiote) reactie van Ik begrijpen: ‘Bedoelt u dat het weg is?’, waarop Hij ontkennend antwoordt en uitleg geeft.

– Ook op p. 99 is een zinnetje weggevallen, met onduidelijkheid tot gevolg. Na ‘we huilen en we lachen onbekommerd’, r. 9, staat: ‘Point d’esprit, point d’épigrammes, point de ces jolies pensées.’, en dáárbij, niet bij het huilen en lachen, sluit de volgende zin aan: ‘Dat staat te ver af van de eenvoud van de natuur.’

– ‘Ik heb het u al eens gezegd, wij worden niet serieus genomen [nous sommes sans conséquence]’ (p. 67) refereert aan p.24: ‘veroorloofde ik me een vrijheid die geen consequenties had, want die heb ik zelf ook niet [car moi, je suis sans conséquence]’. In het Nederlands kun je dat verband niet zien; toegegeven, ‘sans conséquence’ maakt de vertaling lastig.

– p. 63: ‘merkt niet dat we gewoon een stelletje aantrekkelijke lijven [un peloton d’agréments] zijn’; de ‘we’ slaat op één persoon, en de vertaling moet iets zijn als ‘een hoop charmes’.

– p. 73 (Na bestraffende woorden): ‘We gingen eten, maar de vinnige opmerkingen ontgingen me niet. [je n’en perdis pas un coup de dent]’ Dat laatste slaat op het eten, niet op de opmerkingen.

– p. 126: ‘lofrede op [apologue de] de mier en de mierenleeuw’ moet iets zijn als ‘apoloog’ of ‘fabel’ van…

En zo is er meer. De lezer moet zelf weten hoeveel belang zij of hij daaraan hecht, misschien ben ik een zeurkous. Er zitten in de tekst ten slotte nogal wat gedachtesprongetjes en ellipsen die de vertaling onzeker kunnen maken, soms is een werkwoordstijd of een voegwoord cruciaal; enkele dingen heb ik zelf nog altijd niet door. Maar in elk geval: lees dit boek, en herlees het, en nog eens, voor mijn part in alle talen die u enigszins kent. (De oudere Nederlandse versie van N. Lijsen is zeker ook nog bruikbaar. Was het niet beter geweest die eens zorgvuldig te herzien? Maar zo werkt het niet in vertalersland, om mij duister blijvende redenen.)

Op het voorplat van de uitgave prijkt de afbeelding van een zeventiende-eeuws Vlaams schilderij, De roker, toegeschreven aan Adriaan Brouwer. Een slechtere keuze is moeilijk denkbaar. Wanneer deze bespreking verschijnt ligt er waarschijnlijk al een nieuwe Diderot-vertaling in de winkel: De droom van d’Alembert en andere wijsgerige geschriften, van dezelfde vertaler en dezelfde uitgever. Ik kijk ernaar uit, met de hoop dat er geen reproductie van Het Lam Gods op staat. En dan nog dit: je vindt op het internet een interessante Frans-Engelse editie van De neef van Rameau, vertaald door Kate E. Tunstall en Caroline Warman, met inleiding en uitvoerige annotatie in het Engels door de filosofe Marian Hobson, én met een aantal illustratieve muziekfragmenten.

IJzer, Amsterdam, 2020
Vertaald door: Hannie Vermeer-Pardoen
ISBN 9789086842179
153p.

Geplaatst op 11/05/2021

Tags: De neef van Rameau, Denis Diderot, Georg Lukács, Georg Wilhelm Friedrich Hegel, Hannie Vermeer-Pardoen, Honoré de Balzac, Muziek

Categorie: Proza, Recensies

Reacties

  1. luc michiels

    Waw, wat een promotie voor dit werk en voor mij een eye-opener , een straffe uitnodiging om het filosofisch en maatschappelijk discours van de 18de eeuw te herontdekken

    Beantwoorden

  2. Hedwig Billiet

    Een zeer gedegen en informatieve recensie, die mij zin doet krijgen om alvast Diderots ‘Jacques le Fataliste’ eindelijk nog eens uit mijn boekenkast te halen. Voor ‘Le neveu de Rameau zal ik wel een van die onvolprezen betaalbare Franse pockets opsporen, want als er mij iets ergert, is het wel het gebrek aan eindredactie , die wel compleet wegbezuinigd lijkt in de uitgeefwereld. Worden er eigenlijk nog wel boeken zonder (vertaal)slordigheden, zet- en andere fouten uitgegeven?. Maar ja, het draait wellicht inderdaad om geld en ‘snelheid gepaard aan efficiëntie’ in een krimpende (papieren) boekenmarkt.. Heel onmodieus maar moedig van Joris, om toch nog eens naar auteurs als Hegel, Marx, Engels en Lukacs te verwijzen overigens.

    Beantwoorden

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.