Proza, Recensies

Water en gas op alle pagina’s

De Duchampcode

Ludo Menten

Het is een hele klus om van De Duchampcode elk woord gelezen te krijgen. Het Frans wordt hier en daar onvertaald gelaten. De langste passages bestaan uit minutieuze beschrijvingen van kunstwerken of van de verbouwing van een huis. Een aanzienlijk deel van de roman is ronduit saai en irritant. Bijna alles vormt een dwaalspoor en heeft op het einde niets te betekenen. Er zijn echter ook hilarische dialogen, koortsige pogingen om een ingebeeld anagram op te lossen, gênante briefwisselingen, creatieve verdraaiingen van woorden, pakkende familiemomenten en interessante vormexperimenten. Het geheel is meer dan zijn delen: we mogen getuige zijn van een groeiende obsessie zoals ze zich in de realiteit afspeelt – saai, saaier, saaist, met slechts af en toe een doorbraak. Dit boek verdient onze aandacht, niet ondanks maar omwille van zijn vervelendheid. De Duchampcode is een boek dat je niet moet lezen, maar waar je tijd mee moet doorbrengen.

Aandacht als generositeit

Een ‘tijdservaring’. Zo denkt Louis Gabriëls, verteller en hoofdpersonage van Ludo Mentens eerste roman, ook over de kunst van Marcel Duchamp (1887-1968). Wanneer hij een boekje over de Franse dadaïst cadeau krijgt, begint voor hem een meer dan tien jaar lange obsessie die je gerust een ziekte mag noemen. Het gaat hem niet over het baanbrekende karakter van werken als La mariée mise à nu par ses célibataires, même (1915-23) of L.H.O.O.Q. (1919). Louis, eveneens beeldend kunstenaar, is slechts geïnteresseerd in één ding: het grote geheim van Duchamp naar buiten brengen. Dat geheim zou Duchamp postuum hebben onthuld in het werk Étant donnés: 1° la chute d’eau, 2° le gaz d’éclairage (1946-66), dat een jaar na zijn dood voor het eerst werd tentoongesteld. Volgens Louis hield de kleine Marcel er met zijn zus Suzanne een pervers liefdesritueel op na: tijdens het masturberen inhaleerde hij haar scheten en zoog hij haar urine op. Na even zoeken blijkt dat zusterlijke ‘gas’ en ‘water’ in al zijn werk verstopt te zitten. En Duchamp lijkt dat te bevestigen: ‘EAU ET GAZ À TOUS LES ÉTAGES’, schrijft hij op een emailplaat.

Met zijn ‘Dirty Mind’-knop aangeschakeld probeert Louis de ‘étant donnés-verstopspelletjes’ tussen broer en zus bloot te leggen. In de lijnen van een kunstwerk zoekt hij gespreide benen en een neus in profiel. Van de titels vermoedt hij dat het schunnige anagrammen zijn. Sommige woorden moet je lichtjes anders uitspreken: ‘copyright’ als ‘co-pee-right’ (‘co-plas-recht’), ‘Rrose Sélavy’ als ‘Arrose Cel à vie’ (‘Besproei [Mar]cel voor het leven’). Afkortingen zoals L.H.O.O.Q. of M.E.T.R.O. moeten letter per letter gelezen worden om er de ware toedracht van te ontdekken: respectievelijk ‘Elle a aspiré eau au cul’ (‘Ze heeft water opgezogen aan haar kont’) en ‘Aimé tes airs-eaux’ (‘Gehouden van je luchten-wateren’). Zelfs Duchamps verhuizing naar Buenos Aires (‘goede luchten’) was volgens Louis niet geheel toevallig.

Meer en meer begint Louis het ook bij andere kunstenaars te zien: eerst bij Duchamps familieleden, dan bij tijdgenoten als Picasso en Picabia (wiens oogziekte volgens Louis door de ontvangst van vrouwelijk ‘water’ verklaard kan worden), vervolgens bij alle kubisten, heel wat dadaïsten en surrealisten, en ten slotte bij de Fumistes en de Hydropathes, voor wie het allemaal een ‘Grap van Cézanne’ zou geweest zijn – om het dan weer bij Courbet te zien, en Ingres, en Rodin, en Lucas Cranach de Oude met zijn Adam-en-Eva-schilderijen… Hoe valt te verklaren dat dit nooit naar buiten is gekomen? Een complot natuurlijk. Louis vermoedt dat iedereen – Duchamp, Suzanne, vrienden, kennissen, collega’s, verzamelaars, onderzoekers en alle andere Fransen – dit geheim al eeuwenlang verzwijgt. En dan vooral het geheim dat wat voor andere kunstenaars en schrijvers een grap was, voor Duchamp een teken van ‘echte liefde’ voor zijn zus betekende. Alles wat ons over Duchamp wordt voorgehouden is een ‘afleidingsmanoeuvre’, denkt Louis.

‘Moet ik dan de hele kunstgeschiedenis van de twintigste eeuw herschrijven?’, vraagt Louis zich halverwege af. Daar lijkt het wel op. Tussendoor komt het echte leven wel eens om de hoek kijken, maar dat blijft altijd beperkt. Alleen het huis dat hij met zijn echtgenote Jeanne verbouwt, krijgt nog onverdeelde aandacht. Als die aandacht er is, is die echter iets om jaloers op te zijn. En dat is meteen, ondanks alle frustratie die de lezer ervaart, het waardevolste aan het boek: al richt ze zich op de verkeerde dingen, hier wordt nog écht aandacht geschonken. Aandacht als generositeit, zoals Simone Weil het wilde.

Afdalen zonder schade

Het blijft wel, zoals gezegd, een frustrerend verhaal. Opnieuw en opnieuw geeft Louis toe aan dezelfde dwangneurose. Alles wordt omgebogen om in zijn theorie te passen. Met een confirmation bias van jewelste rekt hij op, vervormt hij, ziet hij vooral wat hij zelf wil zien –tot grote ergernis van zijn omgeving. Hoe dan ook, de frustratie blijft (in mijn geval toch) steeds gericht tegen Louis, nooit tegen het boek. Ludo Menten heeft een doolhofroman geschreven waar alle doodlopende paden ook gewoon écht verloren tijd zijn geweest – maar dat nemen we de dwaaldenker kwalijk, niet de auteur. Het maakt van de passages die wél in het leven verankerd zijn een soort omgekeerd escapisme. Het is een verademing wanneer de Dirty Mind-knop even niet aanstaat of wanneer Louis weerstand ondervindt

Behalve dan wanneer Louis van ene Armand een veeg uit de pan krijgt. Louis zou de sacrale kunst van Kandinsky (ja, die deed het dus ook) en daarmee de expertise van Armands vrouw Dorothée bevuilen. Dat is dan weer overdreven. Want hoe het ook zij, Louis’ ‘visuele onderzoek’ is en blijft van het naïefste type. De Duchampcode schrijft het laatste hoofdstuk van de onschuldige rabbit hole. Vanuit het vervelende doch ongevaarlijke tunneldenken van hobbyisten hebben we allemaal een samenzweringsdenken zien opkomen dat de maatschappij in zijn geheel vijandig gezind is. De meest ontvlambare onderwerpen (klimaat, corona, Oekraïneoorlog) worden aangesneden, maar Louis laat zich er niet door verleiden. Is hij de laatste die kon afdalen zonder schade aan te richten?

‘Waarom postuum?’, vraagt Louis zich in het begin af. Na meer dan tien jaar komt daar een antwoord op: ‘Vraag: hoe doorsta je de tand des tijds? Antwoord: met een postuum plan. Niet door gewoon te leven. Daar ga je alleen maar dood van.’ Het antwoord op de initiële vraag is zelf de grote vraag geworden – of heeft zich onthuld als de vraag waar het altijd al om ging: hoe doorsta je de tand des tijds? Niet onlogisch dat die opspringt, gezien alles wat er voor Louis in de tussentijd veranderd is: hij verloor zijn ouders en een broer, overleefde twee hartoperaties en een herseninfarct, werd impotent… Duchamp had hem het antwoord gegeven waar hij zelf de vraag nog voor moest vinden.

Puzzelen maar!

Tijdens die zoektocht leren we Louis kennen als een verwoede puzzelaar en verbouwer. Als lezer zitten we heel dicht op zijn huid. Elk pad dat hij inslaat, maken we mee op het ritme waarop Louis het ervaart. Zelden worden zijn bevindingen samengevat; we moeten er allemaal doorheen, geen enkele gefaalde denkpiste mag overgeslagen worden. Ondanks deze documenterende stijl, die in de eerste plaats de ultieme saaiheid van Louis’ bezigheden reflecteert, zijn er ook passages die zijn denken op een interessante manier weergeven. Zo vat hij op een gegeven moment een documentaire samen in telegramstijl, of komen we in één lange, bezwerende trek te weten hoe moeilijk het is om een lange lat boven de schuifdeur van een douche te schroeven. Tel daar de vele grappige en enkele ontroerende momenten bij op en je hebt een roman die toont dat totale verveling op deze wereld onmogelijk is.

Op het einde krijgt alles een meta-gehalte, want na een website in drie talen, een bijhorend boek, een tentoonstelling, een sprookje, het begin van een roman, een scenario, cursiefjes en een epiloog, begint Louis te schrijven aan het boek dat we aan het lezen zijn. Dit metaspel omhult ook de naam op de cover met mysterie. Wie zit er achter het pseudoniem Ludo Menten? Alles wijst op iemand woonachtig te Mechelen: zijn hoofdpersonage verhuist naar Mechelen en ik heb gesigneerde exemplaren van De Duchampcode in de Mechelse boekhandel De Zondvloed gevonden (en nergens anders!), waar ook een boekvoorstelling plaatsvond (en nergens anders!). Het boek is opgedragen aan Hilde Lauwers en die naam is wellicht niet verzonnen, want in Mechelen wonen al zeker twee vrouwen met die naam. Achterin bedankt de auteur een heleboel mensen, jammer genoeg alleen bij voornaam genoemd, maar wel gepaard per koppel wanneer het om koppels gaat. We hebben de étant donnés… puzzelen maar!

Uitgeverij IJzer, Utrecht, 2025
ISBN 9789086843091
543p.

Geplaatst op 21/02/2026

Tags: Geschiedenis, Kunst, kunstenaars, kunstenaarschap, Literatuurkritiek, Marcel Duchamp

Categorie: Proza, Recensies

Naar boven

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.