Interviews

Werkelijk en waarachtig. De literaire bekentenissen van Herman Brusselmans

Op 21 januari 2021 werd het literaire estafetteboekje Really and Truly: A Book of Literary Confessions geveild. In het werk gaven schrijvers als Virginia Woolf, Rose Macaulay en Hillaire Belloc telkens een antwoord op 39 vragen over hun literaire zielenroerselen. In deze interviewreeks vult De Reactor dit concept op een eigenzinnige manier in. Dit zijn de literaire bekentenissen van Herman Brusselmans.

Ieder mens heeft recht op twee levens, dat zegt de inmiddels vierenzestig jaar jonge mooie oppergod van de Nederlandstalige letteren. Het ene breng je door met anderen, het andere speelt zich af in je hoofd en hoef je niet noodzakelijk altijd aan de buitenwereld kenbaar te maken. Die opvatting dragen ook Herman Brusselmans’ personages uit, eenzelvige figuren die met meesterlijke ironie en gevoel voor slapstick van de dingen het hunne denken. Hij schrijft literatuur die de lach serieus neemt. Zijn werk is bedoeld om te entertainen. Maar ’s lands meest productieve auteur heeft gelezen en gezien dat er een groot spook door de Nederlandstalige letteren dwaalt: het heeft allemaal niets meer te betekenen. Zijn nieuwe roman Geschiedenis van de moderne literatuur wil de vinger op de zere plek leggen en Vlaamse en Nederlandse schrijvers altegader oproepen tot een polemiek.

 

  1. Altruïsme of egoïsme? Schrijf je voor de lezer of toch vooral voor jezelf?

Brusselmans: Ik moet me kunnen amuseren tijdens het schrijven. Het begint dus altijd bij mezelf, maar het is wel de bedoeling om zoveel mogelijk lezers te bereiken en te entertainen met een goed boek. Wanneer iemand me zegt dat hij goed heeft moeten lachen, dan ben ik toch altijd verguld. Maar met humor kom je toch altijd weer uit bij het feit dat smaken verschillen. Je kan uren zeiken over de precieze definiëring en proberen de technieken uit de doeken te doen, maar daar kom je nergens mee. Om mijn boeken goed te vinden moet je op een bepaalde manier denken zoals ik. In Vlaanderen zijn er zo geen honderdduizend mensen. In mijn laatste roman Geschiedenis van de moderne literatuur schrijf ik dat Esther Verhoef een goeie schrijfster is omdat ze dikke tieten heeft en een spannende leren broek draagt. Mensen die het niet snappen vragen zich af: is dat nu een criterium waarop je iemands literaire kwaliteiten beoordeelt? Of ze halen hun schouders op. Maar als lezer moet je in mijn onnozeliteiten meekunnen. Ik heb ooit ergens geschreven dat Annelies Verbeke te lelijk is om een goed boek te kunnen schrijven. Jeroen Brouwers – vroeger toch iemand met gevoel voor humor – heeft mij toen geklasseerd als een seksistische nitwit die maar beter zou stoppen met schrijven. Hij nam het te serieus.

 

  1. Volgens de Duitse filosoof Immanuel Kant geldt de morele plicht voor iedereen. Ook voor een schrijver?

Brusselmans: Ik heb geen morele plicht. Wie ben ik om mij superieur op te stellen en anderen te vertellen wat ze moeten doen? Mijn mening doet er totaal niet toe. Toen ik in 1991 voor het eerst bij Humo begon, was dat als invaller voor Tom Lanoye. Hij was op vakantie en ik nam zijn column over. Het eerste standpunt dat ik toen aan de lezers kenbaar maakte was dat Tom over alles een mening heeft en ik over niets. Dat is nog steeds zo. Dat relativistische past niet echt binnen de tijdgeest vandaag, dat weet ik wel. Tegenwoordig wordt van een schrijver verwacht om op verschillende manieren geëngageerd uit de hoek te komen. Ben ik woke of niet? Ben ik een antivaxer of moeten we de vaccinatie juist verplichten? Ik houd me met al die zaken niet bezig. Ik gebruik ze wel om een zekere ontregeling op te wekken. Het gaat bij mij altijd om de manier waarop ik het breng. Het draait om de taal.

Dat schrijvers de polsslag van de tijd willen voelen en daar dan een roman over schrijven, op zich heb ik daar niks op tegen, maar het gaat daarbij toch altijd om periodes. Periodes gaan voorbij. Steeds sneller trouwens. De kans is groot dat je roman al voorbijgestreefd is wanneer hij uitkomt.

 

  1. Welke schrijver zou je graag van zijn voetstuk willen stoten?

Brusselmans: Niemand. Ik ken totaal geen jaloezie in mijn metier. Maar in de Nederlandstalige letteren zitten we wel met een groot probleem. Het stelt allemaal niets meer voor. Het is zelfs zover gekomen dat boek.be, de organisatie die in Vlaanderen zo ongeveer alles regelt wat de literatuur aangaat – van boekenbeurs tot schrijverssubsidiëring – failliet gaat. Literaire tijdschriften? Stuk voor stuk uitgestorven. Nu ja, dingen als Het liegend konijn bestaan nog wel, maar wat ben je met een tijdschrift met tien abonnees dat om de zes maanden drie gedichtjes publiceert? Zelfs iets debiels als literaire cafés, ze zijn allemaal verdwenen. Dat vind ik spijtig. Zo werden ideeën uitgewisseld en polemieken uitgelokt. Schrijvers sloegen op elkaars – al dan niet spreekwoordelijke – muil en daar werd dan een artikeltje over gepubliceerd. Het publiek werd erin meegesleurd en iemand kon op het idee komen om van die mensen een boek te lezen. Het zijn allemaal schakeltjes in de ketting, maar die ketting is verdwenen. Met mijn roman Geschiedenis van de moderne literatuur wil ik de vinger op de zere plek leggen. Ik wil een polemiek opwekken. Ik zeg dat je goed kan schrijven omdat je dikke tieten hebt? Kom jongens, pak mij maar terug.

De literatuur moet opnieuw iets gaan betekenen. Je hebt natuurlijk wel figuren die reacties opwekken en op zichzelf een reclame vormen voor de literatuur. Ilja Leonard Pfeijffer, bijvoorbeeld, met zijn uiterlijk alleen al en zijn gezeik over zijn Stella. Arnon Grunberg is ook zo iemand. In Vlaanderen heb je Tom Lanoye, die absoluut in elke top tien van om het even welke periode uit de Vlaamse literatuurgeschiedenis thuishoort. Dat soort mensen heb je nodig. Aandachtstrekkers zijn belangrijk omdat ze een milieu, zaak of probleem bespreekbaar maken. Maar tegenwoordig lijkt iedereen vooral de ideale schoonzoon of schoondochter te willen uithangen. Peter Terrin, Christophe Van Gerrewey, dat zijn doodbrave jongens. Welke boeken ze ook schrijven, zij gaan de literatuur nooit een spuit heroïne geven. Ondertussen zitten de uitgeverijen te hopen op een nieuwe Milleniumtrilogie of een Vijftig tinten grijs waar ze een honderdtal andere boeken mee kunnen financieren, waarvan er dan gemiddeld – een officieel cijfer naar verluidt – 247 exemplaren worden verkocht.

Niet dat er de afgelopen jaren niets van waarde is verschenen – De hoogstapelaar van Wessel te Gussinklo en Ilyas van Ernest van der Kwast vind ik geweldige boeken. Maar een roman uit de jaren twintig van de eenentwintigste eeuw die de tijd nu eens echt bij de lurven heeft en al wat er speelt met een lach en een traan op tafel legt? Ik vind hem niet.

 

  1. Vanitas betekent zowel ijdelheid als leegheid. Zou je nog schrijven als elk boek anoniem werd gepubliceerd?

Brusselmans: Ik denk het eerlijk gezegd niet. Vroeger ongetwijfeld wel. Ik heb lang beweerd dat ik op een onbewoond eiland met een stokje in het zand gedichtjes zou schrijven, maar die tijd is voorbij. Het heeft niets met ijdelheid te maken, maar wel met – excusez le mot – vermoeidheid. Ik kan het allemaal nog maar moeilijk opbrengen. Ik heb drie columns per week, vier per maand en ik publiceer ieder jaar op z’n minst twee boeken. Daarnaast doe ik veel dingen voor televisie, waarbij je soms dagenlang moet wachten op een shot van drie seconden. Het zal wel een periode zijn waar ik door moet – misschien heeft het ook met die hele corona te maken – maar tegenwoordig voel ik me lamlendig. Wat ook speelt is dat ik de laatste maanden aan het worstelen ben met een roman over mijn jeugd, Theet 77. Ik heb al wel eens eerder met een boek geworsteld, maar nog nooit in deze mate. Ik kondig dat boek al een tijdje aan, maar voor het eerst denk ik: waar ik nu over wil schrijven hebben de mensen geen zaken mee. Ik vind het ook moeilijk om alles dertig à veertig jaar later weer op te rakelen. Het doet me te veel zeer. Dus ik vrees – nu ja, eigenlijk kan het me niet zo veel schelen – dat het boek er toch niet zal komen.

 

  1. Ben je gedisciplineerd in je schrijven?

Brusselmans: Ik moet er vooral plezier in hebben. Ondanks het feit dat het niet zo vlot met mijn volgende boek doe ik het nog altijd graag. Mijn columns schrijf ik in het weekend en op donderdag begint het meestal al wat te borrelen. Het uur voor ik begin met schrijven word ik wat onrustig. Het gebeurt dat ik denk: ‘ik trek het niet’ en dat ik me echt afvraag wat ik nu in godsnaam weer eens zal moeten gaan verzinnen. Maar dan lukt het altijd toch weer wel. Als ik ga zitten om te schrijven, heb ik altijd wel tenminste een flard van een idee. Het nadenken vooraf begint in de zetel, op het toilet of op de moto. Je hebt schrijvers die hun roman al helemaal in hun kop hebben zitten. Ze moeten hem alleen nog opschrijven. Zo werkt het voor mij niet.

Verder houd ik van vastigheid. Ik leef heel gestructureerd. Alles kent zijn juiste plaats en zijn juiste moment. De bestanden op mijn computer breng ik volgens eenzelfde naamgeving onder in mapjes en ik begin elke dag op hetzelfde tijdstip met schrijven aan mijn bureautje in de hoek van de woonkamer. Ik heb ooit eens een laptop gekocht met de gedachte om op café of restaurant te schrijven. Ik heb het geprobeerd, maar dat ging gewoon niet.

 

  1. Heiligt het boek de middelen, zijn opofferingen in je persoonlijke leven per definitie de moeite waard als het boek daar beter van wordt?

Brusselmans: Vroeger, toen ik dertig à veertig jaar was en met de fles whisky op tafel tot zes uur ’s morgens zat te schrijven, dacht ik: hier kan in geen geval een kind bijkomen. Het zou te veel in de weg hebben gezeten van wat ik doe. Dat is nu anders. Ik ben ouder geworden. Zou je me vroeger hebben gevraagd om met alles te stoppen, dan was het antwoord voor honderd procent ‘nee’ geweest. Nu is dat – financiële overwegingen daargelaten – nog zeventig procent. Maar dat is voor een andere job niet anders, hè. Ik ben drieënzestig. Iemand die voor zijn werk honderd vliegtuigen per jaar neemt, zal het er op die leeftijd misschien ook niet meer voor overhebben. Met pensioen zal ik waarschijnlijk niet gaan, maar het tempo van twee boeken per jaar ga ik allicht niet meer aanhouden.

 

  1. Herlees jij je eigen werk weleens?

Brusselmans: In totaal zes keer. Ik lees het twee keer na en breng correcties aan, daarna bekijk ik de redactie van Lena en de redacteur, dan de drukproef en ten slotte lees ik de versie die zal worden uitgebracht. Daarna niet meer. Ik ga er echt geen roman van mezelf uit 1984 bij pakken. Af en toe toont Lena me wel iets dat ik vroeger heb geschreven en daar kan ik wel eens om gniffelen, maar verder gaat het niet. Er zijn gewoon te veel boeken die ik nog niet gelezen heb. Misschien klinkt het ijdel om te zeggen, maar ik ben helemaal niet ijdel.

  1. Megalomaan, ijdel, hautain … weinig schrijvers staan erom bekend bescheiden te zijn. Dicht jij jezelf weleens genialiteit toe?

Brusselmans: Weet je wie de genieën zijn? De mensen die telefoons uitvinden, ervoor zorgen dat er drinkbaar water uit de kraan komt en dat het licht aangaat wanneer we op een knopje drukken. Kunstenaars zijn geen genieën, ook niet legendarische figuren als Jimi Hendrix of pakweg een James Joyce. Bèta-wetenschappers, mensen die we hoogstwaarschijnlijk niet kennen, dát zijn de geniale mensen.

Wellicht zijn ze er wel, hoor, de schrijvers die thuis voor de spiegel staan en zeggen: ‘En de Nobelprijs voor literatuur gaat dan nu naar Dimitri Verhulst. Dank u wel!’ (lacht). Maar weet je wat het is? Iedereen die creatief bezig is, doet dat toch vooral tussen zijn eigen vier muren. Als je geregeld in milieus verkeert van mensen die ergens om geroemd worden, merk je dat alles veel meer met onzekerheid dan met ijdelheid te maken heeft. Hoe succesvol iemand ook is, eigenlijk weten ze toch ook niet hoe het zit.

 

  1. Stel, ergens in een geheime kluis zit een harde schijf met al je ongepubliceerde werk: fragmentjes, …

Brusselmans: Ik heb zo’n zestigtal kisten waarin ik alles bewaar. Niet alleen manuscripten, maar ook interviews uit de TV Familie van 1993, bijvoorbeeld. Zelf kijk ik er nooit in. Niet dat ik me ervoor schaam, maar ik denk wel dat ik ervoor ga zorgen dat ze niet publiek worden. Of misschien moet ik ze aan het Letterenhuis in Antwerpen afstaan en laten verzegelen voor een jaar of veertig. Ik weet dat Joost Zwagerman in Nederland zijn archieven voor veertigduizend euro had afgestaan. Als ik erin zou slagen om die kisten samen te brengen – ze staan overal een beetje verspreid – in een camionette te laden, naar Antwerpen te brengen en daar dan veertigduizend euro voor te krijgen. Waarom niet?

  1. Als de literatuur een religie is, welk boek heeft jou dan bekeerd?

Brusselmans: Ik noem altijd De avonden van Gerard Reve en The Catcher in the Rye van J.D. Salinger, maar dat zijn boeken die ondertussen van iedereen zijn geworden. Ik ben ook beïnvloed door schrijvers die na mij begonnen zijn. American Psycho van Bret Easton Ellis is een roman die ik zelf geschreven zou willen hebben. Als De avonden mij een schop in het veld van de literatuur heeft gegeven, dan heeft American Psycho mij los in de winkelhaak gekopt.

  1. Pandemische toestanden dwingen je tot een levenslange quarantaine. Je mag wel een boek meenemen. Welk boek kies je?

Brusselmans: American Psycho van Bret Easton Ellis dus, of A Confederacy of Dunces van John Kennedy Toole. Het is een fantastisch tragikomisch boek. De titel verwijst naar een uitspraak van de Engelse dichter Alexander Pope: mijn leven wordt bepaald door een samenzwering van idioten. De ontstaansgeschiedenis is overigens nogal bizar. Toole was met zijn manuscript gaan leuren bij een veertigtal uitgeverijen, maar werd telkens opnieuw afgewezen. Hij voelde zich daardoor zodanig een loser dat hij zichzelf heeft verhangen. Nadien is zijn moeder met het manuscript van uitgeverij tot uitgeverij gegaan, tot ze het uiteindelijk aan een klein universiteitsbibliotheekje verkocht heeft gekregen. Vervolgens heeft dat boek gans Amerika veroverd.

Laat ik een top drie samenstellen en er Billy Liar van Keith Waterhouse aan toevoegen. Het gaat over een gast die bij een begrafenisondernemer werkt. Hij leeft volledig in zijn fantasie, liegt tegen iedereen en verzint zaken als dat zijn verloofde het ideale droommeisje is, terwijl het in werkelijkheid om een of ander dik kalf gaat. Dat vind ik echt een geweldig boek.

  1. Hoeveel lof verdient de redacteur?

Brusselmans: Sowieso redelijk veel lof. Een redacteur is voortdurend met verschillende boeken tegelijkertijd bezig en dat is niet vanzelfsprekend. Ze moeten ook bij wijze van spreken de Van Dale vanbuiten kennen en alle spraakkunst die er op de markt is tot in de puntjes beheersen. Maar in alle bescheidenheid moet ik wel zeggen dat ik in de loop der jaren mijn manuscripten, met medewerking van mijn partner, telkens zo heb aangeleverd dat er niet veel werk meer aan was. Het gaat dan om komma’s op de juiste plaats zetten of een zeldzame typefout. Ondertussen kan ik het me ook permitteren om te zeggen: blijf met jullie poten van mijn manuscript af. Mijn uitgever Mai Spijkers is wel zo handig om mensen op mijn boeken te zetten die in mijn denkwereld meekunnen. De laatste jaren waren dat overigens bijna altijd vrouwen. In het verleden heb ik weleens redacteurs en redactrices gehad bij wie ik al vanaf het eerste contact aanvoelde: dit gaat niet werken. Ze namen het te serieus. Een bewust verhaspelde of dialect-achtige zin corrigeren ze, omdat die grammaticaal niet correct is. Alle respect voor zo iemand, ongetwijfeld is die heel geschikt om De naam van de roos te redigeren, maar niet mijn bullshit.

  1. Schrijven is stelen zegt men. Heb je weleens iets – een idee, een formulering of iets anders – van een andere auteur gestolen?

Brusselmans: Voor zover ik het weet niet. Ik streef er in elk geval naar dat elke zin die ik opschrijf nog nooit eerder is geschreven. Een roman moet je niet beginnen met ‘het regende’. Dat geldt trouwens ook voor titels. Iemand die een boekenwinkel binnenstapt en iets nieuws zoekt gaat zich toch laten leiden door titels, eerste zinnen en de cover. Ik denk er dus altijd wel goed over na. Ik heb ooit enorm veel boeken verkocht met Het mooie kotsende meisje en dat was zelfs geen roman, maar een verhalenbundel. Op de boekenbeurs kwamen ze me dan enthousiast vertellen: mijn lief heeft vorige week ook gekotst!

 

  1. De vorm of de inhoud?

Brusselmans: De vorm. Daarmee bedoel ik de manier waarop. De stilistiek. Hoewel er in mijn boeken veel meer plot zit dan vaak wordt beweerd, blijft de vorm voor mij het belangrijkste. De taal is in mijn boeken een personage.

 

  1. Poëzie of proza?

Brusselmans: Poëzie vind ik papierverspilling. Meestal toch. Een paar jaar lang heb ik wel een lievelingsdichter gehad: J.H. Leopold, een rare pipo uit het einde van de negentiende eeuw. Hij heeft een klein oeuvre nagelaten, maar hij was een zeer vormtechnische dichter die heel gestructureerde en rijmende gedichten schreef. Verder kan ik Delphine Lecompte en Jules Deelder wel waarderen. Zijn gedicht ‘Gewetensvraag’ is mijn lievelingsgedicht: (citeert) ‘De dief schoot eerst, maar Biggles was hem voor!’

  1. De waarheid of de leugen?

Brusselmans: De waarheid is voor in de krant. De leugen vind ik literair veel interessanter. Je kan er veel meer kanten mee uit. De waarheid kan je niet verzinnen. Er komt geen fantasie bij kijken. De basis van alles wat ik doe is een spel met de lezer. Het is fictief autobiografisch. Je kan er natuurlijk geen percentages op kleven, maar laten we zeggen dat zestig à vijfenzestig procent verzonnen is. Het blijft een creatie. Net zoals Frits van Egters niet Gerard Reve is, val ik niet samen met de ik-figuur of Louis Tinner. Maar je moet het wel in je hebben om dat soort personages te maken. Het kernwoord is amusement – en daar zeg ik altijd bij dat Dostojevski ook amusement is. Ik heb er plezier in om zowel een lezer in Groningen als in Kortrijk te doen denken: what the fuck is dit? Sommigen zullen na één bladzijde denken: deze bullshit hoef ik niet. Anderen zeggen: yes, van deze pipo wil ik alles lezen.

Mijn personages zijn loners die voor een groot stuk in hun eigen hoofd leven. Ze fantaseren de boel bij elkaar. In je gezicht zeggen ze het ene, terwijl ze bij zichzelf denken: stomme eikel. Een gevolg daarvan is dat je weinig ruimte hebt voor andere personages. Misschien zou je dat wel als gefundeerde literaire kritiek kunnen aanvoeren: bijna al mijn boeken hebben eigenlijk maar één hoofdpersonage. Je hebt wel het droommeisje, de vrouwfiguur, maar zij is bijna altijd weg of ligt te slapen. Ik voel me zelf ook aangetrokken tot mensen bij wie je een heel ander innerlijk leven kan vermoeden dat ze niet noodzakelijk altijd aan de buitenwereld kenbaar maken, zelfs niet aan hun geliefden. Ik vind dat iedereen het recht heeft om twee levens te leiden: het leven dat je deelt met andere mensen – op je werk, in je relatie, et cetera – en een innerlijk leven waarbij je de dingen eventueel niet zegt, maar wel denkt.

Als schrijver kan je niet honderd procent in het ware leven staan. Je stopt te veel tijd in het verzinnen, het creëren en dat doe je alleen. Wanneer je op een kantoor werkt, ben je continu bezig met andere mensen. Als je schrijft is dat altijd op jezelf. Zelfs als er vijf mensen rond je schrijftafel zouden staan kijken, moet je het nog steeds volledig zelf doen. Bij de meeste beroepen kan je wel zeggen: ‘shit, waar moet dat dan staan?’ en iemand die er meer verstand van heeft dan jij zal je zeggen: ‘eigenlijk moet het hier staan’. Als schrijver moet je het altijd zelf uitzoeken. Iemand kan wel over je schouder meelezen en suggereren dat je een alinea verzet of het ene woord door een ander vervangt, maar het is toch niet hetzelfde.

 

  1. Heb je weleens genoeg van het schrijverschap?

Brusselmans: Nee, daarvoor is het een te goed leven. Je kan het thuis doen. Af en toe word je betaald om buiten te komen, op te treden en wat mensen te ontmoeten. Als ik ergens kom word ik meestal wel in de watten gelegd. Ik moet me ook niet kapotwerken. In mijn professionele leven ben ik zeer geprivilegieerd, dat weet ik.

 

  1. Wat schuift dat eigenlijk, dat schrijven? Kan je ervan leven?

Brusselmans: In de krant hebben ze me weleens de beffende miljonair genoemd, maar eigenlijk valt dat allemaal best mee. Ik heb vooral veel gespaard en ik leef redelijk sober. Ik zou me dus een groter huis kunnen permitteren dan dit appartement, maar daar heb ik geen zin in. Lena en ik zitten hier goed. Laten we zeggen dat ik zou kunnen stoppen met schrijven. Van mijn romans alleen zou ik vandaag kunnen leven als een postbode of een verpleegster. Eind jaren negentig, begin tweeduizend was dat als een directeur van een middelgrote fabriek.

 

  1. Schrijven over seks is berucht technisch uitdagend. Hoe sta jij daar tegenover?

Brusselmans: Doe het zo weinig mogelijk. Het is allemaal al eens eerder gedaan. Zelfs toen Markies de Sade zijn boeken schreef, stond alles al in de klassieken. Ik heb er wel een soort clichématig patent op, natuurlijk, maar wat ik doe is totaal van de pot gerukt. Ik lach er een beetje mee. Een serieuze seksscène schrijven vind ik zowel inhoudelijk als stilistisch volstrekt oninteressant.

  1. Over een eeuw zijn alle schrijvers verdwenen. Is de wereld er slechter aan toe? Zijn schrijver met andere woorden belangrijk?

Brusselmans: Ik zou niet kunnen leven in een wereld vol feiten en waarheden zonder dat daar de fantasie van kunstenaars tegenover staat. Net zoals muzikanten, filmmakers of pakweg dansers hebben we schrijvers nodig omdat ze ons uit de dagelijkse werkelijkheid tillen. Of hun verzinsels je nu doen lachen, triestig stemmen of geestdriftig maken, ze zijn in elk geval entertainend.  Dat hebben we absoluut nodig. De waarheid is zelden entertainend, tenzij je haar op een fantasievolle manier bij elkaar verzint.

 

  1. Heb je verder nog iets te bekennen?

Brusselmans: Ik zou toch graag mijn kop pas neerleggen als ik mijn honderdeneerste boek heb geschreven.

 

Herman Brusselmans

Foto door Anton Roelant (c)

Interview door William Roelant

Geplaatst op 24/11/2021

Categorie: Interviews

Reacties

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.