Zoveel meer dan biografietjes

Elf

Daniël Rovers

Elf: roman, zo vermeldt de psychedelische cover. Elf levens staat er op de titelbladzijde en die eerste pagina blijkt een betere omschrijving dan wat de flap belooft, want een echte roman krijg je hier niet. Daniël Rovers, bekend als essayschrijver, portretteert in zijn prozadebuut elf mensenlevens in evenveel verhalen die losjes bij elkaar gehouden worden door de setting: Brussel.

Soms duiken personages op in elkaars leven, maar het enige wat hen eigenlijk echt met elkaar verbindt, is dat ze allemaal vrienden zijn van de verteller. Die neemt zelf het woord in het twaalfde hoofdstuk, dat niet in de inhoudsopgave staat, en legt uit waarom hij het boek geschreven heeft. Tijdens een avondje met vrienden overvalt hem plots een snijdend besef: ‘ik zag, heel lucide opeens, de waarheid van deze avond in, namelijk dat alle aanwezigen aan tafel er over enkele decennia niet meer — nooit meer — zouden zijn.’ Om die onvermijdelijke vergankelijkheid tegen te gaan, schrijft hij hun biografie. Literatuur met een conserverende functie dus, een tekst als verzet tegen het verdwijnen, want wie op papier bestaat, overleeft — althans een tijdje.

De Belgische hoofdstad, waaraan Rovers in zijn essaybundel Bunzing al een invoelend stuk wijdde, staat bekend als een smeltkroes, en die multiculturele sfeer met zijn gezellige kanten, maar ook zijn negatieve aspecten, wordt perfect opgeroepen in het boek. Het is dan ook een bont gezelschap waarmee je kennismaakt in Elf: een homoseksuele pianist, een Hongaarse die voor de Europese Unie werkt, een Iraanse sans-papiers, een Amerikaanse danser, een Deense die liever in een wereldstad vertoeft dan in haar saaie geboortedorp en nog zes anderen. Eigenlijk zijn het allemaal hele normale mensen met herkenbare verlangens, zelfs diegenen die een uitzonderlijk leven leiden, zoals de zanger Daan. Tegelijk hebben ze ook allemaal iets excentrieks: de leraar Willy beslist plots om zijn job op te geven en enkel nog te lezen, Loza is een vrouwengek en Daan blijkt eigenlijk erg introvert.

Wat alle personages met elkaar gemeen hebben, is dat ze worstelen met relaties: de een wil zich niet binden, de ander heeft angst om een relatie aan te gaan, nog een ander raakt maar niet over de mislukking met de liefde van zijn leven, weer een ander brandt van verlangen naar een verhouding. En precies dat aspect van het bestaan blijkt ook het probleem van de verteller te zijn, want hoewel hij weinig over zichzelf prijsgeeft, één ding mogen we wel weten: het liep stuk met de vrouw van zijn dromen. Daar rechtstreeks over schrijven kan hij niet, zo blijkt wanneer hij probeert te noteren wat zij voor hem betekend heeft: dat levert maar een A4’tje op.

Via de levensbeschrijving van anderen kan hij echter wel uiting geven aan zijn gevoelens. De schrijver presenteert zich weliswaar als een biograaf, maar schrijft aan de hand van de levens van zijn vrienden ook zijn eigen verhaal. Wie goed leest, krijgt dus door de verhalen heen ook een beeld van de verteller, hoewel die schijnbaar op de achtergrond blijft. Anders dan in de muziekwereld, waar geldt: ‘Muzikanten dragen voor uit het eigen dagboeken, en het publiek vindt dat niet pathetisch’, is in de literatuur autobiografisch schrijven verdacht. Daarom dat het hoofdstukje over de verteller geen titel heeft en niet in de inhoudstafel staat. Zijn verhaal moet je reconstrueren aan de hand van dat van de erg uiteenlopende personages, die elk een facet van hem bezitten — daarom zijn het natuurlijk ook vrienden, want in kameraden herken je altijd ook (een deel van) jezelf. Op die onrechtstreekse manier, verstopt achter zijn personages, zijn karaktereigenschappen verdeeld over zijn romanfiguren, schrijft een auteur dan alsnog over zichzelf.

Die ingenieuze opzet, die meteen ook metaliteraire implicaties heeft, neemt niet weg dat de particuliere verhalen van de diverse personages op zich ook prettige lectuur opleveren. In een beperkt aantal pagina’s beschrijft Rovers telkens een aantal opmerkelijke gebeurtenissen en keuzes uit de levens van zijn figuren. Opvallend daarbij is dat hij geen lineair verhaal presenteert en ook vaak bewust nalaat om de causaliteit te expliciteren tussen bepaalde vermeldenswaardige belevenissen of meningen. Hij wil een leven bewust niet reduceren tot een opsomming van feiten en motieven, maar geeft gehoor aan de verzuchting van een van zijn personages (wat onderstreept hoe sterk het allemaal afsplitsingen zijn van de verteller), namelijk dat de biograaf ‘zich zou beperken tot enkele kenmerkende details, voorkeuren en hebbelijkheden.’ Die werkwijze maakt dat je als lezer wel een zicht krijgt op het leven van de romanfiguren, maar niet meteen een visie opgedrongen krijgt. Je zal zelf moeten uitmaken wat bepaalde opvattingen van de personages met hun keuzes te maken hebben. De interpretatie van hun handelen wordt dus zo open mogelijk gelaten.

Hoewel het hier om belangrijke (kunst)filosofische ideeën gaat, is Elf toch nooit theoretisch of zwaar op de hand. Met dezelfde lichtheid waarmee hij poëticale kwesties in deze roman aan de orde stelt, formuleert Rovers ook maatschappijkritiek. Haast terloops gaat het over de veiligheidsproblematiek in Brussel, het communautaire gehakketak in België of het lot van de illegaal. Heel vaak is ironie daarbij het wapen. Meer dan eens heb ik moeten gniffelen en zelfs hardop lachen — Elf is dan ook een veel geestiger boek dan de als hilarisch verkochte romans van Robert Vuijsje (Alleen maar nette mensen) of Herman Koch (Het diner). Grappig zijn bijvoorbeeld de homofobe reacties van Mauro’s schoonbroers op diens andersgeaardheid, bijtend is de cynische beschrijving van de Belgische posterijen, lachstuipverwekkend de analyse van de Ikeafilosofie.

Meer dan eens winden de personages zich behoorlijk op over grotere en kleinere zaken, waardoor het boek vol zit met scherpzinnige observaties en scherpe statements over wat er zoal fout loopt. Op die momenten komt de essayist in Rovers naar boven en dat is een grote troef van dit boek. Elk van de hoofdstukken heeft immers ook een essayistische kracht. Ondertiteltjes zoals ‘over zelfbeschikking’, ‘over nachtmerries’ of ‘over ijdelheid’ en ook het motto van Montaigne, de uitvinder van het genre, wijzen al op het feit dat dit boek ook gelezen wil worden als een verzameling persoonlijke overpeinzingen. Aan de hand van anekdotisch materiaal uit het leven van de geportretteerde kameraden wordt telkens ook een bepaald fenomeen beschreven en geïllustreerd.

Elf is een bijzonder amusant en intelligent boek. Op het eerste gezicht is het een verzameling knotsgekke avonturen van een stel dertigers en veertigers in de hoofdstad, dat rond relaties en vriendschappen draait, een beetje zoals de onvolprezen VTM-serie Jess. Wie echter verder kijkt dan de gebeurtenissen op verhaalniveau, vindt nog verschillende lagen en ziet dat dit boek zoveel meer biedt dan biografietjes. Door te spelen met de grenzen tussen werkelijkheid en fictie — het personage Daan gelijkt niet enkel op de Music Industry Awards winnende Daan Stuyven, maar heeft ook zijn cv met die muzikant gemeen, Antoon doet de job die Rovers zelf jarenlang aan de Vrije Universiteit Brussel uitoefende, verschillende figuren dragen de namen van collega’s uit de redactie van Yang — stelt Rovers het autobiografische karakter van literatuur ter discussie en reflecteert deze tekst meteen ook op zichzelf. Met behulp van ironie stelt hij dan weer een aantal maatschappelijke problemen aan de kaak, en zijn essayistische talent zorgt voor mild filosofische bespiegelingen. Komt nog bij dat Rovers een briljant stilist is die zich soepel, eloquent en geestig uitdrukt, al heeft hij een enkele keer wel eens de neiging om iets al te mooi te willen verwoorden, zoals in deze flauwe vergelijking: ‘Een goederenferry voer als een verlichte kerstboom de haven binnen.’

Behalve hier en daar wat poëtiserende formuleringen, is dit een prachtig debuut. Razend goed geschreven en aanstekelijk verteld, bij momenten oprecht ontroerend en vol quotes met aforistische kracht. En ondanks het hippe onderwerp — dertigers op zoek naar hun leven — en de hippe vorm, gebaseerd op episodefilms zoals Coffee and Cigarettes, niet modieus, maar modern. Een van de beste debuten die ik de laatste jaren las.

DE LEESWOLF

Overgenomen uit De Leeswolf, jaargang 16 (2010), nummer 2 (maart).

Links

Wereldbibliotheek, Amsterdam, 2010
ISBN 9789028423312
159p.
Bestellen: clk.tradedoubler.com/click?a=1724103&p=67859&g=17297694&epi=1001004007525139 p.

Geplaatst op 10/03/2010

Deel:

Reacties

  1. Marc Reugebrink

    ‘Een goederenferry voer als een verlichte kerstboom de haven binnen.’ — nee hoor, Carl, dat is een prima vergelijking in een passage die zich op oudejaarsavond afspeelt…

    Beantwoorden

  2. Xavier Roelens

    Ik vind het wel mooi hoe de bespreking opent met de melding dat het geen ‘echte roman’ is, maar dat de rest van het stuk toch vooral het gebruik van een unificerende term rechtvaardigt, zodat ‘verhalen’ een minder toepasselijke stempel had geweest dan, toch maar, ‘roman’.

    x

    Beantwoorden

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.