Proza, Recensies

Het verlangen om fatsoenlijk te zijn

Levenslang

Hans Fallada (vert. Bart van Kreel)

Bertolt Brecht en zijn paard

Het is ver gekomen wanneer een paard als geweten van de mensheid moet opdraven. Dat is precies wat Bertolt Brecht (1898-1956) doet in zijn gedicht ‘Oh Falladah, da du hangest (Ein Pferd klagt an)’. Het gedicht werd in 1919 geschreven en werd vooral bekend als lied, gecomponeerd door Hanns Eisler in 1932 – slechts enkele maanden voor de machtsovername van de nazi’s. In ‘Oh Falladah, …’ voert Brecht een oud, uitgeput trekpaard op dat door honger en extreme zwakte in de Berlijnse Frankfurter Allee instort. Terwijl de koetsier wegloopt om hulp te zoeken, stormen uitgehongerde buurtbewoners met messen uit hun huizen. Ze snijden stukken vlees van het nog levende paard. Dezelfde mensen nota bene die vroeger brood aan het paard gaven of het beschermden tegen de vliegen. Binnen tien minuten liggen alleen nog de botten van het arme dier op straat. In de laatste strofe volgt dan – typisch Brecht – de ‘moraal’ van het gedicht:

 

Daar vroeg ik me af: wat voor een verkilling

moet over deze mensen gekomen zijn?

Wie slaat daar zo op hen in

dat ze nu zo door en door verkild zijn?

Maar help ze dan toch! En doe dit snel!

Anders gebeurt er iets wat jullie niet voor mogelijk houden!

 

‘Oh Falladah…’ is, zoals de ondertitel aangeeft, een aanklacht van het paard, maar tegelijk ook een waarschuwing. De laatste regel klinkt nu, ongeveer een eeuw later, als een voorspelling van wat Duitsland eind jaren dertig, begin jaren veertig te wachten stond.

Brecht baseerde zich voor zijn ‘rollengedicht’ op Die Gänsemagd, een sprookje dat in 1815 door de gebroeders Grimm werd opgetekend. Daar is Falada (met één ‘l’ en zonder ‘h’) een sprekend paard dat door een boosaardige hofdame onthoofd wordt, maar toch de waarheid blijft verkondigen: ‘O wee, o wee, als dat jouw moeder wist, haar hart zou breken van verdriet.’

Ook Rudolf Ditzen (1893-1947) ging bij de Grimm-broers te leen toen hij op zoek was naar een literair pseudoniem. Voor zijn voornaam liet hij zich inspireren door ‘Hans im Glück’ (waarin de naïeve Hans in kwestie een goudklomp verruilt voor – uiteindelijk – twee stenen); voor zijn familienaam kwam hij terecht bij Die Gänsemagd. Rudolf Ditzen/Hans Fallada zag zichzelf blijkbaar als een auteur die – ondanks censuur, dictatuur en persoonlijke tragedies – de rauwe, ongezouten waarheid verkondigt. Het zou een profetische naamkeuze blijken te zijn: gedurende zijn hele verdere leven zou hij blijven balanceren tussen de naïeve hoop van Hans im Glück en de tragische, onthoofde waarheidsdrang van het paard Falada.

Hoe het ook zij, de vergelijking met Brecht dringt zich om meerdere redenen op. Net als Ditzen/Fallada lag ook Brecht overhoop met het Hitler-regime. Alleen was Brecht een paar weken na de machtsovername van de NSDAP al de grens met Denemarken overgestoken. Fallada heeft dit – ook  later – nooit gedaan. Dit zorgde niet alleen voor een bijwijlen onmogelijke spreidstand, het leverde hem ook behoorlijk wat kritiek op van collega-auteurs (en niet enkel vanuit linkse hoek). Misschien mede daardoor is Fallada in de Duitse literatuurgeschiedenis van de twintigste eeuw niet meer dan een voetnoot geweest. De academische wereld deed lange tijd ietwat neerbuigend over Fallada’s traditionele romankunst. Fallada behoorde eerder tot de traditie van de grote Duitstalige vertellers – Fontane, Remarque, Joseph Roth – dan tot die van de modernistische vernieuwers als Kafka, Musil, Döblin of Broch. Het is pas sinds een twintigtal jaar dat Fallada herontdekt werd – in Duitsland, maar bijvoorbeeld ook in de Angelsaksische wereld. In ons taalgebied was het Uitgeverij Cossee die tussen 2010 en 2018 een zevental boeken van Fallada (in een herziene of volledig nieuwe vertaling) uitbracht, waaronder Alleen in Berlijn (2010), Wat nu, kleine man? (2011) en De drinker (2012).  Fallada-vertaalster Anne Folkertsma schreef in 2015 een veelgeprezen biografie over Fallada’s stormachtige leven – een bestaan dat bol stond van drank- en drugsmisbruik, liefdesaffaires, financiële problemen, conflicten met het naziregime en gevangenisstraffen.

Wer einmal aus dem Blechnapf frisst (1934), de roman die dit jaar als Levenslang opnieuw vertaald werd door Bart van Kreel en gepubliceerd door Uitgeverij IJzer, behoort tot zijn meest compromisloze boeken. Het is een roman waarin de sociale blik van Fallada even scherp is als die van Brecht, tot nader order nog altijd een van de meest ‘politieke’ auteurs van de twintigste eeuw. Al kiest Fallada daarvoor – zo zal blijken – heel andere literaire middelen dan zijn generatiegenoot.

 

Wie eens uit het schaftje eet

Wer einmal aus dem Blechnapf frisst is de laatste roman die Fallada tijdens de Weimarrepubliek schreef. Hij werkte er meer dan drie jaar aan – een ongewoon lange periode voor een veel- én snelschrijver als Fallada. Redenen hiervoor waren onder meer financiële en persoonlijke problemen en de publicatie van zijn crisisroman Kleiner Mann – was nun? in 1932, die zou uitgroeien tot Fallada’s best verkochte werk. Over de turbulente ontstaansgeschiedenis van Wer einmal aus dem Blechnapf frisst is veel te doen geweest. Toen de roman in 1934 verscheen waren Hitler en zijn NSDAP al meer dan een jaar aan de macht. Dat maakte een wereld van verschil voor iemand die ervoor had gekozen om in Duitsland te blijven. Om aan een publicatieverbod te ontsnappen smukte hij enkele passages op en schreef er een voorwoord bij:

Met deze roman trapt de schrijver open deuren in: het zogenaamd humane strafstelsel, waarvan de even belachelijke, groteske als beklagenswaardige gevolgen op deze pagina’s worden beschreven, is niet meer. Terwijl de auteur bezig was met schrijven veranderde ook dit stuk Duitse werkelijkheid. (Vertaling: Anne Folkertsma, Hans Fallada. Alles uit mijn leven komt terecht in een boek.)

Met de nieuwe machthebbers was alles anders (lees: beter) geworden. Niet alleen Fallada’s uitgever Ernst Rowohlt was weinig opgezet met deze knieval voor het naziregime, ook collega-auteurs spaarden hun kritiek niet. Zo noteert Thomas Mann in maart 1934: ‘Om in Duitsland bestaansrecht te hebben moet een boek zijn menslievende geest in een inleiding verloochenen en met de grond gelijk maken.’ (vertaling: Anne Folkertsma). Toen Wer einmal aus dem Blechnapf frisst na de oorlog in 1946 in de Sovjet-bezettingszone werd gepubliceerd, schreef Fallada opnieuw een voorwoord. Deze keer zag hij zijn boek als zijn bijdrage ‘tot de humanisering van de mensheid – na twaalf jaar van verruwing’.

Wie meer wil weten over deze publicatieperikelen, kan onder meer terecht bij Fallada’s biografen en in Salatgarten, het halfjaarlijkse tijdschrift van het Hans-Fallada-Gesellschaft. Die context had ik ook graag in een voor- of nawoord gelezen bij de nieuwe vertaling van Wer einmal aus dem Blechnapf frisst. Behalve de beknopte, ietwat clichématig geschreven achterflaptekst krijg je als lezer geen extra duiding. Dat is jammer, want Fallada’s leven en werk vormen een fascinerende casus van de manier waarop schrijvers zich, al dan niet noodgedwongen, tot een totalitair regime verhouden. Hoewel je de roman ook perfect kan lezen zonder enige verduidelijking, had een korte toelichting de lezer zeker geholpen om die historische gelaagdheid vanaf de eerste pagina mee te nemen.

In een dergelijk voor- of nawoord zou bijvoorbeeld ook de eerste Nederlandse vertaler van Fallada’s roman, Nico Rost, aan bod kunnen komen. Hij publiceerde zijn vertaling al in 1934 onder de titel Wie eens uit het schaftje eet. Dat uitgerekend Rost – vertaler, communist, germanofiel, concentratiekampoverlevende en later auteur van het indrukwekkende Goethe in Dachau (1947) – zich over deze roman ontfermde, onderstreept hoe nauw Fallada’s werk verweven is met de politieke en intellectuele geschiedenis van de twintigste eeuw.

 

Fatsoenlijk zijn

Alle historische context ten spijt blijft de belangrijkste vraag wat voor roman Wer einmal aus dem Blechnapf frisst eigenlijk is. Overtuigt deze tekst bijna een eeuw later nog altijd? En is hij werkelijk, zoals de achterflap van Levenslang belooft, ‘nog altijd actueel’?

Het hoofdpersonage in Fallada’s roman is Willi Kufalt, een ietwat onopvallende boekhouder die wegens verduistering en valsheid in geschrifte tot vijf jaar cel werd veroordeeld. De eerste twee hoofdstukken van Levenslang beschrijven de laatste dagen van Kufalt in de gevangenis – een leven dat Fallada zelf als ex-gedetineerde goed kende. De gevangenisdirecteur geeft Kufalt kort voor zijn vrijlating nog wat extra raad mee:

U moet zichzelf zien als iemand die lang ziek op bed gelegen heeft. U moet weer leren lopen, stap voor stap. Wie lang op bed gelegen heeft, heeft eerst een stok nodig bij het lopen, of iemand die hem helpt en ondersteunt.

Kufalt heeft er aanvankelijk goede moed in. Hij wil in de eerste plaats anständig (fatsoenlijk) zijn. Alleen: dat opnieuw leren lopen is gemakkelijker gezegd dan gedaan. Eenmaal vrijgekomen trekt hij naar de grootstad Hamburg, waar hij in een opvangtehuis voor voormalige delinquenten werkt als adressenschrijver. Wanneer hij de pesterijen en vernederingen van de corrupte directie en het personeel niet meer kan verdragen, start hij met enkele andere voormalige gevangenen een eigen bedrijfje op. De zaken gaan goed, tot hun opdrachtgevers te weten komen dat Kufalt en co nog maar net uit de gevangenis ontslagen zijn. Steeds opnieuw lijkt Kufalt zijn leven op de rails te krijgen, totdat zijn verleden hem weer inhaalt. Dat patroon zal zich gedurende de hele roman blijven herhalen:

Maar nee, het zijn gemankeerde, aangeslagen mensen, behept met het gevoel dat ze het op een normale manier nooit meer kunnen redden, dat ze nooit meer gewoon kunnen slagen in de burgermaatschappij. Randfiguren zijn het, elk gerucht, elke politieman of rechercheur, elke brief, elke ex-medegevangene, elke hulpverlener vormt een bedreiging, praten in je slaap kan je verraden – en het ergste van alles: hun eigen ik vormt een bedreiging. Hun zelfvertrouwen, het geloof in zichzelf zijn ze kwijt. Wat begon met een strafbaar feit werd in de gevangenis erger en na hun vrijlating was het onlosmakelijk met hen verbonden. Eenmaal gevangenisvoer, staat voor levenslang.

Of zoals Kufalt enkele bladzijden verderop in de roman zegt: ‘Ik was een gevangene, ik ben een gevangene, ik zal altijd een gevangene zijn.’ Daarmee is ook de titel verklaard. Wie eenmaal uit het schaftje eet, draagt het stigma van de gevangenis levenslang met zich mee. Niet de straf zelf, maar de onmogelijkheid om eraan te ontsnappen vormt het eigenlijke onderwerp van Fallada’s roman.

Even lijkt het de goede kant op te gaan wanneer Kufalt – opnieuw zoals Fallada zelf – als abonneewerver voor een Noord-Duitse streekkrant behoorlijk geld verdient en verloofd raakt met de dochter van een glazenier. Wanneer hij echter ten onrechte van diefstal wordt beschuldigd, wordt zijn verleden andermaal opgerakeld. Zijn verloving wordt verbroken, hij verliest zijn baan en hij vlucht opnieuw naar Hamburg. Daar rest hem nog één uitweg: Kufalt wordt een echte crimineel. ‘Van nature’, zo schrijft Fallada, ‘was hij geen misdadiger; hij was zo geworden, had geleerd dat te zijn.’

Aanvankelijk blijft het bij een relatief onschuldige roofoverval op een geldkoerier, gepleegd met een voormalige medegevangene. Maar naarmate zijn verbittering groeit en hij zichzelf steeds minder als volwaardig lid van de samenleving beschouwt, verdwijnen ook zijn morele remmingen. Tegen het einde van de roman slaat hij in de donkere straten van Hamburg jonge vrouwen bewusteloos om hun handtas te stelen. Triest dieptepunt is de diefstal van het spaargeld van zijn vijfenzeventigjarige hospita, met wie Kufalt nochtans een oprecht vriendschappelijke band had opgebouwd. Het meest verontrustende daarbij is dat de lezer die ontwikkeling nauwelijks als een schok ervaart. Fallada heeft Kufalts ondergang zo zorgvuldig opgebouwd dat zijn gewelddadige ontsporing bijna onvermijdelijk lijkt. De terugkeer naar de gevangenis voelt als de tragische voltooiing van een proces dat al met zijn eerste veroordeling in gang was gezet. De gevangenismuren blijken uiteindelijk niet alleen de samenleving tegen de misdadiger te beschermen, maar ook de misdadiger tegen de samenleving.

Het laatste hoofdstuk van deze roman heet dan ook niet toevallig ‘Oost west, thuis best’. Een nieuwe gevangenisstraf van zeven jaar ervaart Kufalt paradoxaal genoeg als een bevrijding. En zo eindigt deze omgekeerde Bildungsroman op een wel heel ironische manier:

Fijn om weer thuis te zijn. Geen zorgen meer. Bijna net zoals vroeger, bij vader en moeder. […] ‘Heerlijk, zo’n leven. Ik ben echt weer thuis.’

De gevangenis, die Kufalt had moeten voorbereiden op een terugkeer in de samenleving, is uiteindelijk de enige plek waar hij zich nog geborgen voelt. Fallada’s aanklacht richt zich daarmee niet zozeer tegen de gevangenis, maar tegen een samenleving die hem elke mogelijkheid ontneemt om iets anders te worden dan wat zij in hem blijft zien.

 

Klassieke verhalenverteller

Fallada zocht het niet in stilistische bravoure of formele experimenten. Hij was geen Alfred Döblin, wiens modernistische montageroman Berlin Alexanderplatz (1929) enkele jaren eerder werd gepubliceerd en die thematisch opvallende overeenkomsten vertoont met Wer einmal aus dem Blechnapf frisst. Ook Döblins hoofdpersonage, Franz Biberkopf, is een ex-gevangene die na zijn vrijlating wanhopig probeert een fatsoenlijk bestaan op te bouwen, maar telkens opnieuw wordt ingehaald door zijn verleden en uiteindelijk terugvalt in de criminaliteit. Waar Döblin zijn verhaal echter vertelt in een caleidoscopische montage van krantenkoppen, straatgeluiden, reclameteksten en innerlijke monologen, kiest Fallada voor een veel klassiekere vertelvorm. En waar Döblin vooral de chaotische dynamiek van de moderne grootstad wil vatten, richt Fallada zijn blik op de morele en psychologische erosie van zijn hoofdpersonage.

Fallada’s kracht daarentegen ligt in een haast feilloos observatievermogen, een groot psychologisch inzicht en een zeldzaam vermogen om gewone mensen onder uitzonderlijke maatschappelijke druk invoelbaar te maken. Zijn proza is helder en ogenschijnlijk eenvoudig, maar achter die eenvoud schuilt een schrijver die als weinig anderen wist hoe vernedering, schaamte en armoede langzaam bezit kunnen nemen van een mens. Willi Kufalt is daarvan een uitstekend voorbeeld. Hij wordt geen misdadiger door één dramatische beslissing, maar door een geleidelijke opeenstapeling van vernederingen en mislukkingen.

Fallada was een geboren verhalenverteller. Zijn proza wordt bovendien gedragen door prachtig geschreven dialogen, die misschien wel tot de beste behoren die de Duitstalige literatuur uit het interbellum heeft voortgebracht. Ze klinken nooit literair bedacht, maar putten uit spreektaal, dialect en Bargoens. En het moet gezegd: ook in de Nederlandse vertaling blijven die ritmiek en directheid grotendeels behouden zonder daarbij te vervallen in een al te nadrukkelijk en voor mij als ‘Vlaming’ niet altijd even goed begrijpbaar Noord-Nederlands idioom. Over de titel Levenslang ben ik minder enthousiast. Van de typisch ‘Falladiaanse’ beeldspraak uit Wer einmal aus dem Blechnapf frisst blijft weinig over. De Nederlandse titel is zo algemeen dat hij evengoed op de cover van een doorsnee thriller had kunnen staan.

In ’Meine Ahnen’ (‘Mijn voorvaderen’), een kort essay van Fallada dat door Anne Folkertsma integraal in haar eerder aangehaalde biografie werd opgenomen, gaat hij dieper in op zijn favoriete auteurs. En dat zijn, op Knut Hamsun na, allemaal negentiende-eeuwers: Flaubert, Tolstoj, Dostojevski (‘Ik voel me nauw verwant met deze roekeloze duiker in de afgronden van de menselijke ziel’), Jean Paul en Jeremias Gotthelf. Dit is geen toeval: Fallada is een schrijver die met anderhalf been in de negentiende eeuw stond. Toch is het al te gemakkelijk om hem weg te zetten als een achterblijver in een tijd van literaire experimenten. Zijn romans mogen dan klassiek zijn opgebouwd, ze zijn onmiskenbaar geworteld in de moderne wereld van de Weimarrepubliek, met haar economische onzekerheid, sociale ontworteling, bureaucratische instituties en psychologische breuklijnen. Zijn romans lezen als negentiende-eeuws realisme (met een alwetende verteller, een lineaire opbouw, een sociale thematiek en een empathische karaktertekening), maar beschrijven een wereld waarin de vanzelfsprekendheden van het negentiende-eeuwse realisme juist verdwenen zijn. Daarnaast is Fallada zelfs op formeel vlak minder traditioneel dan vaak wordt aangenomen. Zo permitteert hij zich in Wer einmal aus dem Blechnapf frisst af en toe opvallend modernistische ingrepen. Het laatste hoofdstuk begint bijvoorbeeld met een parabelachtige flashback (waarin we Kufalt en zijn ouders herkennen), meteen gevolgd door een in juridisch taalgebruik opgestelde opsomming van de door Kufalt begane misdrijven (inclusief een schema met de strafmaat). Is het overdreven om hierin een echo van Döblins montagetechniek te zien?

 

Actualiteit

Ik moet bekennen dat ik geen Fallada-lezer ben. Ooit heb ik Kleiner Mann – was nun? gelezen, al herinner ik me daar maar weinig van. Ik moet ook toegeven dat Levenslang me aanvankelijk niet helemaal kon overtuigen. Fallada vertelt met een bijna boekhoudkundige precisie (Neue Sachlichkeit, nog zo’n etiket dat je op Fallada kan kleven). Geldbedragen, huurprijzen, lonen en andere praktische details passeren voortdurend de revue. Ze dragen ongetwijfeld bij aan het documentaire karakter van de roman, maar halen soms ook de vaart uit het verhaal. Hetzelfde geldt voor de strakke chronologie. Fallada volgt Kufalt stap voor stap, zonder grote sprongen of ellipsen, waardoor sommige episodes zich langer uitstrekken dan voor de spanningsopbouw strikt noodzakelijk is.

En toch begon ik Fallada’s uitvoerige beschrijvingen gaandeweg anders te lezen. Juist de opeenstapeling van op het eerste gezicht banale gebeurtenissen maakt voelbaar hoe Kufalts ondergang zich niet voltrekt door één noodlottige beslissing, maar door een eindeloze reeks kleine vernederingen, maatschappelijke uitsluiting, armoede en mislukte pogingen om opnieuw te beginnen. De roman ontleent zijn overtuigingskracht uiteindelijk minder aan zijn plot dan aan die trage, haast onontkoombare accumulatie.

Moet je Levenslang gelezen hebben? Ja, en lees eventueel aansluitend Döblins Berlin Alexanderplatz als aanvulling of als tegenstuk, zo u wilt. Het Brecht-citaat waarmee deze bespreking begon, zou daarbij als motto kunnen dienen voor beide romans. En daarin ligt precies de actualiteit van Fallada’s boek: het gaat niet enkel over het gevangeniswezen of over de vraag wat er gebeurt wanneer een samenleving mensen reduceert tot hun fouten en hun geen mogelijkheid meer biedt om opnieuw te beginnen. Het gaat ook over de Kälte waarnaar Brechts paard verwijst; de kilte van een samenleving waarin medemenselijkheid en solidariteit eroderen, en waarin de voedingsbodem ontstond waarop het nazisme kon groeien. Juist daarin schuilt de blijvende kracht van Fallada’s roman: hij laat zien hoe gevaarlijk het wordt wanneer een samenleving haar vermogen tot mededogen verliest.

Uitgeverij IJzer, 2026
Vertaald door: Bart van Kreel
ISBN 9789086843305
400p.

Geplaatst op 22/09/2026

Tags: Alfred Döblin, Bertolt Brecht, Gevangenis, Hans Fallada, Nazi-Duitsland, Weimarrepubliek

Categorie: Proza, Recensies

Naar boven

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.