Deel Facebook Twitter / X LinkedIn
Het verhaal van de gewelddadige verovering van grond en mensen is eeuwenoud. Even oud waarschijnlijk als dat van het ontstaan van machtige groepen die eerst de regio, later een continent en ten slotte de wereld hun wil konden opleggen en tegelijkertijd zichzelf en de anderen ervan trachtten te overtuigen dat ze daarvoor van Hogere Krachten, bijvoorbeeld god of de goden, het morele recht hadden gekregen. Deze morele of culturele superioriteit ging gewoonlijk samen met de behandeling van hun slachtoffers als tweederangsburgers, bannelingen of slaven, die duidelijk niet dezelfde rechten hadden als de kolonisatoren of ‘beschermers’.
De auteur van Het verhaal van Chirbet Chiz’a, die onder de schuilnaam S. Yizhar ongewild aan de basis ligt van de grote Hebreeuwse literatuur, schreef zijn gedetailleerde verslag over de vernietiging van het eveneens fictieve Palestijnse dorp Chirbet Chiz’a kort na zijn legerdienst in 1949. De eerste ‘etnische vervuiling’ van Palestina was nog maar net voorbij en de eerste Israëli’s konden daarvan overal nog de sporen zien. Het geweld dat voor deze verdrijving van de inwoners uit meer dan 400 Palestijnse dorpen gebruikt werd, kon in die tijd onmogelijk ontkend of verzwegen worden. Intussen is men erin geslaagd generaties jonge Israëli’s te laten geloven dat ze kunnen picknicken in nationale parken waar men op veel plaatsen ‘antieke’ ruïnes ziet liggen. Die kunnen met een minimale intellectuele inspanning zonder meer als de resten van recente Palestijnse dorpen of stadswijken worden geïdentificeerd.
Wie dit vandaag beweert, zoals de Israëlische organisatie Zochrot, kan zonder meer ongestraft van antisemitisme beschuldigd worden. ‘Zochrot’ is het Hebreeuwse woord voor ‘herinnering’ aan de Nakba, de catastrofe waarvan de Palestijnen in 1948 het slachtoffer waren. Omdat hier moeilijk ontkend kan worden dat deze catastrofe een vorm van ‘settler colonialism’ was en nog altijd is, moet dit drama in deze context geplaatst en begrepen worden. Het verklaart ook waarom dit verhaal van Yizhar niet langer tot de officiële canon van de Israëlische literatuur gerekend mag worden. Niet zozeer de aanklacht zelf is hier in het geding, wel de pijnlijke vragen die het oproept en de overtuigende wijze waarop de auteur twijfel in zijn bewustzijn laat doorsijpelen. Het begint met de vanzelfsprekende officiële versie: een door de Shoah getraumatiseerd volk moet zich verdedigen tegen een al tweeduizend eeuwen durend antisemitisme, dat zijn dieptepunt kende toen het naziregime alle Joden genadeloos wilde uitroeien.
Daarom kennen de soldaten in dit verhaal, de verteller inbegrepen, geen genade met hun vijanden, ook al wordt nergens beweerd dat het om de complete weerwraak zou gaan. Net zoals de nationaalsocialisten en hun handlangers de Europese Joden tot ondermensen of onmensen degradeerden, werden de Palestijnen veracht, temeer omdat ze niet in staat waren om terug te vechten. Hoewel het om een fictief dorp gaat, zijn de gesprekken volgens de auteur authentiek – en daarom ook zo schokkend:
Er was een tijd, toen we net waren begonnen de veroverde dorpen binnen te gaan, dat we nog zo kieskeurig waren dat we liever de hele dag bleven staan of lopen om maar niet te hoeven gaan zitten op de grond van het dorp, die geen akkergrond was, maar een rottende, misselijk makende laag vuil, waar generaties op gespuwd en gewaterd hadden en hun eigen uitwerpselen en die van hun koeien en kamelen hadden achtergelaten – die stoffige stukjes grond rondom de hutten, vergeven van de stank van het afval van krappe, armoedige menselijke onderkomens. Alles was er vies en iets oppakken was walgelijk – maar al diezelfde namiddag lagen we allemaal languit op die ziekmakende bepiste grond, op ons gemak, ons hart tegen alles gehard, nu en dan uitbarstend in gelach dat de ogen vertroebelde.
En zo gaat het maar door. Geen wonder dat ze de weinige dorpelingen die ze te pakken krijgen en op vrachtwagens duwen niet beter behandelen dan het vuil van de straat. Maar heel geleidelijk begint de auteur vergelijkingen te maken met scènes die hij van zijn verwanten had gehoord over andere razzia’s en gewelddadige verdrijvingen van gewone mensen uit hun huizen en woonplaatsen – uitgerekend die vergelijkingen die je vandaag niet mag maken met betrekking tot Gaza of de bezette gebieden. Toch kan je dit boek, dat bij verschijnen algemeen beschouwd werd als een pijnlijke maar accurate weergave van de gevolgen van de Nakba voor de meerderheid van de gewone Palestijnen, onmogelijk lezen zonder diezelfde akelige vergelijking te maken: hier worden de misdaden die de grootouders zo zwaar getroffen hadden door hun kinderen en kleinkinderen herhaald en nog maar eens vijftig jaar later overgedaan, alsof men nog altijd niet geleerd heeft dat dit verhaal nog lang niet ten einde is.
Correctie: waarom staat hier plotseling het neutrale ‘men’ en niet ‘alsof wij inderdaad nog altijd niets geleerd hebben’? Waarom beperken we ons, zoals mijn zionistische verwanten uit Duinkerke, tot het onrecht en het leed dat ‘ons Joden’ al eeuwenlang is aangedaan, of, zoals mijn Arabische vrienden, tot de misdaden van het kolonialisme en imperialisme? Waarom maken we daardoor elke poging tot dialoog tussen beide kampen onmogelijk, of verbergen we ons achter nietszeggende pseudo-Bijbelse platitudes als ‘de strijd tussen het Licht en de Duisternis’?
Dit verhaal eindigt niet met een aanklacht of verdediging van de zonet beschreven oorlogsmisdaden, maar hooguit met een ironische verwijzing naar de bijna religieuze opdracht die hier was uitgevoerd:
En als de stilte alles had ingesloten en door niemand zou worden verbroken, als ze zachtjes zou ruisen met wat voorbij de stilte is, dan zou God nederdalen naar het dal om het te doorzwerven en te zien of er inderdaad gedaan was naar het geroep dat tot Hem was gekomen.
Reacties
Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.