Proza, Recensies

Wat achter glas lag

Al het blauw

Peter Terrin

Zijn we wie we denken te zijn, waar we horen te zijn? Wie of wat zijn we eigenlijk? Het zijn vragen die opdagen bij het lezen van de nieuwe roman van Peter Terrin. Al het blauw ontvouwt in vijf delen een liefdesgeschiedenis. Traag, minutieus en met aandacht voor het sprekende detail trekt Terrin de lezer onder in de kortstondige, broeierige liefde tussen de negentienjarige Simon en de twintig jaar oudere Carla. Hoewel het om een melancholisch herinneren gaat, vertelt Terrin het verhaal in de tegenwoordige tijd. Een opvallende keuze die niet alleen de spanning ten goede komt, maar ook instinctief juist aanvoelt, want zijn we ooit klaar met ons verleden?

In een Belgische provinciestad eind jaren tachtig ontmoet Simon Carla, een aantrekkelijke vrouw met Italiaanse wortels die de bar van het lokale zwembadcafé Azzurra bestiert. Simon hangt er elk weekend samen met zijn vriend Mark rond. Ze drinken veel, spelen biljart en verdwijnen in de muziek die uit de jukebox opklinkt. Het is op deze pretentieloze plek dat het vuur overslaat tussen Simon en Carla; twee zwijgzame figuren die ondanks het leeftijdsverschil een gevoel van onbestemdheid met elkaar lijken te delen. Ze ontmoeten elkaar op een moment in hun leven waarop dat leven ze benauwt als een slecht zittend kledingstuk.

Met Simon, Carla, maar ook nevenfiguren als Carla’s echtgenoot John en Simons vrienden Mark en Pieter, creëert Terrin gelaagde personages, zonder daarbij de psychologiserende toer op te gaan. Er zijn enkel signalen waarmee de lezer zelf aan de slag kan. Zo is de nog bij zijn ouders inwonende Simon van de ene dag op de andere gestopt met zijn studie en rijdt hij vaak zomaar wat rond in zijn rode Mazda. Dat geldt ook voor Carla, die een beladen verleden met zich meedraagt en vastzit in een huwelijk met John, een trucker die eigenaar is van Azzurra en voor haar zorgt, maar haar ook af en toe slaat. Met dat soort droge vaststellingen moet je het doen. Terrin laat verdere duiding achterwege, maar schept diepte door middel van zijn lucide stijl; hij spreekt in krachtige beelden. Dat blijkt meteen uit de openingsalinea van Al het blauw:

Het lichaam ligt midden op het lege parkeerterrein. Het ligt plat op de rug, met de armen gestrekt langs de romp, de voeten bij elkaar. Over de betonnen vlakte hangt het blauwe licht van de dageraad. Het is windstil.

De confrontatie met een onbepaald lichaam waarop koudblauw licht valt, te midden van een lege vlakte, lijkt wel een filmshot. Het lichaam tekent zich direct en onoverkomelijk af onder ons geestesoog, scherpt de zintuigen en injecteert suspense. In de tweede alinea vervolgt Terrin met meer onrustwekkende beelden waarmee hij het tijdskader van de vertelling oproept:

(…) stugge arbeiders aan een stakingspost, van betogingen in de hoofdstad waarbij men alles aan diggelen slaat. De impact van het waterkanon op volwassen mannen, traangas dat door gemaskerde betogers wordt teruggegooid, auto’s die in een, twee, drie worden omgekiept. De vakbonden verliezen hun aanzien en macht, de oude industrieën leggen het loodje.

Simons eerste ingrijpende liefde speelt zich af tijdens de grauwe jaren tachtig, een periode die wordt getekend door de angst voor werkloosheid ten gevolge van de privatisering. Pas dan zoomt Terrin in op de focalisator; het kleine jongetje dat bij het uitlaten van zijn pup het lichaam vanop een afstand ziet liggen. Wat hij op het parkeerterrein waarneemt is echter ‘te ver weg’, waardoor het voor hem, en ons, wazig en onleesbaar blijft. Een vaststelling die ook poëticaal kan worden beschouwd; doet Terrin niet net dát? Hij serveert aan de lezer sprekende beelden in een heldere stijl en precies dat accurate, die kristallijne zuiverheid, voedt de raadselachtigheid van zijn verhalen.

Het kleine jongetje besluit niet naderbij te gaan, niet deel te nemen aan de actie waartoe hij lijkt uitgenodigd. Misschien is het een grap, iets wat in scène is gezet in een wereld die onbetrouwbaar is? ‘Laat iemand anders er maar intrappen.’ Of lezen we hier een direct appel aan het adres van de lezer? ‘Is hij het doel van deze opvoering, is op hem, het publiek, gewacht?’ Door via het jongetje de deelname van de lezer te bevragen, lijkt het alsof de auteur de vierde wand [1] wil doorbreken, als dat al mogelijk zou zijn in een roman.

Het jongetje met de jonge hond duikt ook in de volgende delen van de roman op als was hij een spiegeling in miniatuur van het hoofdpersonage Simon. Ook Simon verkiest doorgaans de positie van toeschouwer, het leven overkomt hem, hij neemt slechts sporadisch zelf de regie in handen. Dat zowel het jongetje als Simon dingen laten gebeuren betekent niet dat ze er onverschillig tegenover staan. De gebeurtenissen werken wel degelijk op hen in, veeleer onbewust. Het zijn dergelijke onderhuidse spanningsvelden die de continue dreiging waarop de roman drijft doen aanzwellen.

Wie vertrouwd is met Terrins oeuvre kent zijn voorliefde voor afzijdige personages die het talent hebben om zich relatief onopgemerkt door de wereld te bewegen. Ze vragen zelf geen aandacht, maar kijken des te aandachtiger naar hun omgeving, naar de andere mensen die zich onbespied wanen en dus veel van zichzelf prijsgeven. Ook Carla kijkt bij voorkeur toe en is ingetogen, ze babbelt niet, ze praat en ‘(a)ls ze hard moet lachen houdt ze haar hand voor haar mond.’

Terrin kiest in Al het blauw voor een alwetend steeds verschuivend vertelperspectief, dat me enigszins deed denken aan het wervelende perspectief in Mrs. Dalloway van Virginia Woolf. Filmisch zou je Terrins geslaagd spel met perspectiefwissels ook kunnen noemen; de focus verschuift subtiel en naadloos van het ene blikveld naar het ander. Met Terrin kijken we naar de verschillende manieren waarop anderen naar de wereld kijken, nu eens wordt ingezoomd op een specifiek detail, dan weer verwijdt de lens om het landschap aandachtig te lezen of een breed-maatschappelijke perspectief te schetsen. Terrin laat zijn hoofdpersonage zelf ook in de buitenstaandersblik kruipen: ‘Simon ziet zichzelf rijden aan de andere kant van de weg, morgen. Hij schudt zijn hoofd en het beeld is ogenblikkelijk weer verdwenen.’ Knap hoe Terrin het oogpunt van de alwetenende verteller steeds verlegt, het houdt je als lezer geboeid en (want) deels in het ongewisse.

Die raadselachtige onzekerheid behelst ook de periode waarin het verhaal zich afspeelt. Terrin wekt de uitzichtloze, sombere jaren tachtig voornamelijk tot leven met muziek. Killing Joke, The Sugarcubes, The Cure, Elvis Costello, Pixies, enzovoort passeren de revue. Eighties pop en rock spelen bijna voortdurend als een tapijtje onder de gebeurtenissen door en activeren zo beelden die opgeslagen liggen in het collectief geheugen. Een naam als Margaret Thatcher valt bijvoorbeeld nooit, maar de associatie dring zich tijdens het lezen wel op.

Al het blauw is geen gloomy roman, zoals De Bewaker bijvoorbeeld; het onwezenlijke hangt hier evenzeer samen met de gekte van het voorjaar, de belofte van de zomer, de passionele verliefdheid waar Simon en Carla zich aan overgeven. Als Simon aan de slag gaat als verkoper van duistere spaarproducten van een louche verzekeringsfirma die werkt met een piramidesysteem, dringt de economische realiteit zich weer meer naar de voorgrond. Dat gebeurt echter nooit concreet, maar in een waas eigen aan de onvatbare manier waarop geld- en kapitaalstromen op onze levens inwerken en ze sturen.

Terrin weet het gevoel van economische vervreemding al te vatten in zijn onheilspellende openingsbeeld: het lichaam ligt op een parkeerterrein dat hoort bij een verlaten fabrieksgebouw. Door de leegte van het terrein op te laden met sporen van vroegere menselijke aanwezigheid maakt Terrin ze nog leger. Hij creëert wat de Britse schrijver en filosoof Mark Fisher in zijn monografie The Weird and the Eerie (2016) beschrijft als ‘an emptied- out monotony, a minimal, quasi-abstract space that is de-peopled but still industrialised and commercialized.’ Ook verderop in de roman verwerkt Terrin een gelijkaardige aanwezigheid van het afwezige. Wanneer Simon alleen in de auto zit begint zijn radio uit het niets INXS te spelen; dat wat hij dacht dat stilte was, was in feite ‘het suizen van het laatste stuk lege magneetband’.

 

Suizende stilte

Terrin schenkt grote aandacht aan het zintuiglijke, hij registreert de fysieke werkelijkheid van de wereld waarin zijn figuren bewegen nauwgezet: ‘Buiten steekt de wind op, een zacht geruis hangt in de toppen van de bomen. Hij legt het foldertje op een bank.’ De wereld wordt opgeroepen door intense gewaarwordingen van zien, horen, tasten… maar niet interpretatief ingevuld. ‘Samen kijken ze naar het verloop van de kleuren aan de hemel, terwijl het tuintje langzaam, tot de rand van de omheining, volloopt met duisternis.’ Kijken, met volle aandacht en overgave, en ‘proeven van het licht’ staan centraal.

Terrin is naast schrijver ook kunstfotograaf en dat tekent zich af in zijn schriftuur, waarin het ene gestileerde beeld volgt op het andere. In Al het blauw is dan ook een mooie rol weggelegd voor de fotograaf Pieter, een homoseksuele dertiger die eigenzinnig in het leven staat: ‘De man trekt zich nergens wat van aan. De wereld is van iedereen, dus ook van hem, en telkens als ze Pieter bezig ziet, ook een beetje van haar.’ De erotiek van het kijken krijgt in deze nevenplot een ambigue invulling, van de blik gaat immers ook macht uit. Kleine rituelen, eigen aan de handelingen van de verliefde, koppelt Terrin ook aan de blik en het verlangen macht uit te oefenen via die blik. Zo is Carla ervan overtuigd dat ze door de letter a van Azzurra op het vensterglas moet kijken, al is het ‘nog nooit gebeurd dat zijn rode auto verschijnt als ze op de jukebox leunt en door de a kijkt. Maar niet kijken is onmogelijk.’ De letter a op het glas is een opgeladen fetisj.

Naast het kijken en de lichtinval is er een opvallende aandacht voor glazen wanden en bij uitbreiding de wijze waarop het licht erdoor breekt. De nadruk op het materiële, het tactiele, het sensorische zet de ruimte in Al het blauw onder spanning en transformeert ze bijna tot een soort bevreemdende hyperruimte. De raadselachtigheid blijkt sterk verknoopt met de verhoogde aandacht voor het realistische detail. Net door scherp te stellen op het detail baden de scènes in een vreemde waas.

In gedachten hoort hij Ryckaert van Methodologie, daarnet. Een man met een lange ringbaard die heen en weer loopt op de verhoging voor het bord, soms een stift uit de goot vist om een woord op te schrijven dat je niet kan lezen als je niet hebt geluisterd. Simon denkt aan de krullenbol van het meisje voor hem, ze zit wat lager, blonde en veerkrachtige krullen, pas gewassen. Hoe hij in het wijde kapsel staart dat het zonlicht vangt. Hij voelt de dreunende verveling veroorzaakt door Ryckaert, dan, ineens, staat zijn besluit vast. Een inleiding is er niet. Een schakelaar wordt overgehaald.

De insteek van deze scène herinnert aan Terrins vorige roman Patricia, waarin een vrouw haar leven achter zich laat, zonder aankondiging, zonder expliciterende duiding. Ook in Simons geval zet de afwezigheid van een oorzaak de beleving onder spanning. Causaal denken werkt geruststellend, het suggereert verklaarbaarheid, terwijl de afwezigheid ervan ongemakkelijk stemt. De schakelaar in Simons hoofd wordt overgehaald, zelf weet hij ook niet precies waarom: ‘Misschien komt het door haar krullen. Misschien komt het door zijn gestaar diep in die werveling van blonde haren. Een glimp van een andere wereld, iets wat hij herkent, of zich lijkt te herinneren. Iets waar hij meteen, nu, naartoe moet.’

Voor Simon en Carla volstaan de bekende, vertrouwde concepten en uitgangspunten niet langer. Daarin vinden ze elkaar, ze herkennen het verlangen naar een wereld buiten de hun omringende realiteit. En zoals al gebeurde in vroegere verhalen van Terrin kunnen ook deze personages niet anders dan vluchten, kiezen voor de grote verdwijntruc naar een onbekende wereld waar alles nog openligt: ‘where the streets have no name’, naar het nummer van U2 dat als een motief in de roman speelt.

Hij lijkt niet alleen van de stad en het meisje weg te rijden, maar ook van het leven dat voor hem gereserveerd is, een huis in een rustige straat, een tuin met hoge dennenbomen, een gezin misschien.

Het begrip ‘unheimlich’ valt in dit geval letterlijk te interpreteren, want Simon en Carla zijn niet ‘thuis’, ze voelen zich vreemd binnen het vertrouwde. De vervreemding tekent zich het scherpst af binnen de huiselijke omgeving, in het ‘achthoekige glas’ waaruit Simon tijdens een verkoopgesprek bessensap drinkt, in de ‘ondefinieerbare brokjes Wesley’ die opklinken uit de afslaande babyfoon, de non-gesprekken met zijn moeder over ‘receptjes voor zomerse dagen’ tijdens het afwassen. Al is er aan liefde en zorgzaamheid in Simons gezin geen gebrek en begrijpt zijn moeder hem misschien nog best wanneer woorden afwezig blijven.

Simon rookt een laatste sigaret, Rocky dommelt op zijn schoot. De schokkende herinnering aan het omhelzen van zijn moeder. Voor het eerst zij in zijn armen, haar vrouwenlichaam. Hij kijkt om zich heen. De keuken, tien jaar geleden uitgebouwd en ingericht, lijkt al verouderd. Het licht boven de tafel is gelig en zwak. Alles staat op zijn plaats, het koffiezetapparaat, de fruitmand. Alles is brandschoon. Het is aandoenlijk. De plantjes op de vensterbank zijn groen. De zeep ligt ijsblauw in het bakje. De vaatdoek hangt gevouwen over de waterkraan.

De nadruk op de realistische wereld zorgt voor een schaalgevoel, een barometer waaraan je gebeurtenissen kan afmeten en waaruit blijkt dat Simons wereld eenvoudigweg niet verenigbaar is met die van zijn ouders, die vol goede bedoelingen voor hem een sleutel-op-de-deur woning van ‘Hellebuyck’ (what’s in a name) dromen. De onmogelijke versmelting van zijn universum met dat van zijn ouders veroorzaakt geen conflict, wel verhevigt het een gevoel van plaatsloosheid bij het hoofdpersonage.

 

Oplichtend blauw

De andere wereld waar Simon en Carla naar verlangen wordt gesymboliseerd door ‘al het blauw’ dat achter het glas ligt. In zijn essay over het kortverhaal ‘The door in the wall’ van H. G. Wells heeft Mark Fisher het over de functie van doorgangen tussen de bekende en de beloftevolle raadselachtige wereld: ‘The centrality of doors, tresholds and portals means that the notion of the between is crucial to the weird.’ Het verlangen naar de oplichtende wereld voorbij de deur in het verhaal van Wells, of voorbij het gordijn in het cinematografisch werk van David Lynch, wordt ingevuld door wat ‘daar aan de andere kant van het glas’ lag bij Terrin. Al het blauw is door de hand van god in Italië uit de zee geschept, het is goddelijk, het werkt betoverend: ‘the world beyond the door is certainly enchanted’. Achter het glas baadt de weerschijn van de verhevigde gewaarwording, een glinstering van een leven dat de parameters van de alledaagse ervaring overstijgt.

De vaste gasten druppelen binnen, de avond valt en het café verdubbelt in omvang door de reflectie in de grote zwarte ramen. Het blauw verlichte water ligt roerloos in het donker achter de tussenwand, monumentaal en raadselachtig.

In de duisternis van het café reflecteert de droomplek waar niets van Simon en Carla wordt verwacht. In de blauwe gloed van het rimpelloze zwembad kunnen ze buiten de tijd en hun dagelijkse realiteit vallen. Voor Simon en Carla is de gedroomde wereld van hun idylle niet minder reëel dan de werkelijkheid waarin een trucker-echtgenoot klappen uitdeelt. Taal is de sleutel tot het verwerkelijken van de illusie, dat laat Terrin zien wanneer hij Simon de verkaveling laat verkennen waarin zijn ouders hem graag zouden planten.

Hij begeeft zich op een perceel, trapt het onkruid aan de kant, baant zich een pad. Na een meter of tien houdt hij halt. Hij probeert zich een beeld te vormen van de woonkamer die hier zal komen. Een bankstel, een haard, een televisie. Hij draait zich om naar de straat en kijkt uit het raam.

In de laatste zin wordt het verbeelde gerealiseerd en is hij er al, de hocus-pocus van taal blaast de dagdroom leven in. ‘Hij wil met woorden de gebeurtenis afbakenen en vastleggen en waar maken.’ Maar ook het omgekeerde is waar, want wat geen vorm gevonden heeft in woorden is niet gebeurd. ‘Als hij er niets over zegt heeft het vreemde voorval bij de fabriek, met de man of vrouw op de grond, niet plaatsgevonden.’

De verheven blauwe binnenwereld waarin de geliefden zich verschalken, is echter niet vrij van de dreiging van buitenaf. Op een avond wordt hard, herhaaldelijk op de buitendeur geklopt, een andere keer schroeft ‘een vaag voorgevoel’ de spanning op, en de romance van Carla en Simon blijkt niet bestand tegen de banaliteit van een tweepersoonsbed in een slaapkamer. ‘Ze horen bij elkaar in de Mazda of in de betovering van het nachtelijk zwembad of in het keukentje van Azzurra of hoog in de duinen in de wind.’ ‘Al het blauw’ wordt aldoor bedreigd door ‘the wretchedness of that return to the grey world again’, de deprimerende, economische realiteit van bouwpercelen, studiekeuzes en jobs.

 

Staren naar het blauw

De combinatie van bevreemding en verboden liefde maken van Al het blauw een echte pageturner, al wil je als lezer ook vertragen om van Terrins stilistische gave te genieten. Een grote technische zuiverheid gekoppeld aan een koel-objectieve blik en oog voor het specifieke detail levert talige pareltjes op: ‘De gloeiende schaamte brandt zich moeiteloos een gat door de tijd.’ Eenvoudig en trefzeker. Daarin herinnert Al het blauwaan Monte Carlo, een zinderende novelle met een onvergetelijke openingszin: ‘Het vuur is nog geen vuur’.

Terrins talent voor het precieze detail draagt ook bij aan de uitwerking van zijn personages. Door zijn accurate woordkeuze laat Terrin de lezer de mysterieuze Simon toch ietwat naderen. In een gesprek met zijn vriend Mark over het stopzetten van zijn studie en de reactie van zijn ouders – of liever het uitblijven ervan – zegt hij ‘dat zijn vader eerst nadenkt voor hij spreekt, en terwijl hij dit zegt denkt hij, leugenaar.’ In het woord leugenaar onthult zich zijn identiteit. Wie of wat Simon is, ligt ingebed in het feit dat zijn moeder het niet zo erg vindt, dat het integendeel bij haar de hoop sterkt dat hij in een verkaveling in de buurt zal blijven wonen. De ogenschijnlijk ongenaakbare Simon schaamt zich op dat moment om wie hij is en kiest voor de verhullende leugen.

Ook bij John, de echtgenoot van Carla, weet Terrin een tipje van de sluier te lichten door een veelzeggend detail. Tijdends een overpeizing van zijn huwelijk met Carla en haar afwezige stiltes laat Terrin hem ‘een gummibeertje’ in zijn mond gooien. In dit achteloze, aandoenlijke gebaar dat tot twee keer toe herhaald wordt, breekt zijn hele menszijn door. De kleine macho John, met zijn foute uiterlijk, ‘een zwart kransje om zijn puntige schedel en een zwart hoefijzer om zijn mond’, en zijn expressieloze blik, harde stem en ironische houding, is een personage voor wie je geen sympatie voelt, maar dat uiteindelijk wel op je begrip kan rekenen. ‘Hij rijdt slachtafval naar het vilbeluik’, kan Carla geen kinderen schenken en heeft nooit aangeleerd hoe hij zijn frustraties of verdriet kan ventileren. Ondanks zijn losse handjes en hoge bullebakgehalte is ook hij een slachtoffer.

Dankzij de boeiende personages, de geslaagde perspectiefwissels en Terrins prikkelende stijl staat Al het blauw garant voor een intense leeservaring. Al het blauw is onmiskenbaar Terrin, maar toch ook weer anders. Het is zowel een talige als visuele trip, werelds en onwerelds tegelijkertijd, het vertelt een intiem, melancholisch verhaal op een bijna zuiver, afstandelijk wijze. Al het blauw doet verlangen naar ‘al het blauw’, een glimp van het goddelijke gedurende één ogenblik. Achteraf zal het lijken alsof twee levens elkaar kort schampten, zoals de auto’s in de aanrijding uit de epiloog, voor ze de richtingaanwijzer aanzetten en elk een andere richting uit rijden. Maar ook wat kennelijk geen impact heeft gehad, vormt een onmiskenbaar deel van wie of wat we zijn: ‘In haar achterhoofd daagt een verre herinnering, aan liggen op de grond en staren naar het blauw, aan het gevoel op te stijgen in een duizelingwekkende vrijheid.’

 

Recensie: Al het blauw van Peter Terrin door Liesbeth D’Hoker

 

[1] In 2013 schreef Terrin het toneelstuk AQUA AZZURRA voor het gezelschap Barre Weldaad, hoewel de toneelvoorstelling in grote mate verschilt van de huidige roman vormde deze al een prille verkenning van het thema van de ingrijpende passionele liefde tussen Simon en Carla.

 

De Bezige Bij, Amsterdam, 2021

Geplaatst op 10/05/2021

Categorie: Proza, Recensies

Reacties

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.