Proza, Recensies

Het gezicht van de geschiedenis

Tussen heden en morgen

Jenny Erpenbeck (vert. Elly Schippers)

Wat maakt het werk van Jenny Erpenbeck zo aantrekkelijk? In de roman Tussen heden en morgen staan een paar zinnen die een mogelijk antwoord bieden.

 

Maar als ze slaapt, gaat hij graag naast haar bed zitten en doet hij een nieuwe poging om te doorgronden wat hem sinds enige tijd het grote raadsel van de geschiedenis der mensheid lijkt, namelijk hoe voorvallen, toestanden of gebeurtenissen die van algemene aard zijn – bijvoorbeeld een oorlog of langdurige hongersnood of een ambtenarensalaris dat niet wordt aangepast aan de voorthollende inflatie – het gezicht van een willekeurige persoon binnen kunnen dringen. Hier maken ze een paar haren grijs, daar hollen ze een paar lieve wangen uit tot de huid zich nog slechts over hoekige kaakbeenderen spant, de afscheiding van Hongarije leidt in het gezicht van een of andere vrouw, het kan ook zijn eigen vrouw zijn, misschien tot stukgebeten lippen. … Als iemand voldoende gezichten bestudeerde, zou hij rimpels, trillende oogleden of dof geworden tanden beslist kunnen herleiden tot de dood van een keizer, onterechte herstelbetalingen of een sterker wordende sociaaldemocratie.

 

Een man kijkt, in deze passage, naar zijn slapende vrouw en wat hij probeert te doen is onmogelijk. Rationeel, maar dan zo doorgedreven dat het iets magisch krijgt – deze echtgenoot is ambtenaar aan het Meteorologisch Instituut in Wenen, vlak na de Eerste Wereldoorlog – hoopt hij de geschiedenis te zien oplichten in het slapende gezicht van zijn echtgenote. Het is een bijzondere vorm van fysionomie of gelaatskunde – de pseudowetenschappelijke leer die stelt dat aan het uiterlijk van een mens diens persoonlijkheid af te lezen valt. Bij monde van haar personage geeft Erpenbeck een geschiedkundige wending aan dit al te menselijke verlangen om een ander te kennen op basis van wat we zien. Wat ze deze echtgenoot laat beoefenen is een soort van historisch-materialistische gelaatskunde: naar een medemens kijken en zien hoe een gezicht de sporen draagt van een tijdperk, en dan in het bijzonder van de maatschappelijk-economische processen, en van de manier waarop werk georganiseerd wordt, geld al dan niet circuleert, vrijheid, zelfbeschikking en kansen worden belemmerd of bevorderd.

Uit te proberen, morgen op het perron net voor de trein het station binnenrijdt, in de rij bij de bakker, kijkend naar het journaal of naar om het even welke gesproken mededeling op sociale media: waarin wordt, in dat gezicht dat ik voor me zie, dit historisch moment zichtbaar? Hoe kan ik de besparingen in de publieke diensten die sinds 2008 blijven toenemen, aflezen in de lichtpaarse kussentjes onder de ogen van die vrouw? Hoe zijn de opeengeklemde kaken en de knarsende tanden van deze jongeman het gevolg van de recente aankoop van allerhande vliegende gevechtstoestellen door de federale regering? En hoe laat de onzekerheid over zowat alle aspecten van het levensklimaat in de 75 jaar die deze eeuw nog voor de boeg heeft, zich aflezen in de meer dan bovengemiddeld knipperende ogen van die non-binaire tiener?

Het zijn dit soort vragen die het personage in Tussen heden en morgen zich stelt, en het zijn dit soort overwegingen die het oeuvre van Jenny Erpenbeck, geboren in Oost-Berlijn in 1967, niet alleen aantrekkelijk maken, maar ook belangrijk en singulier. Al haar romans zijn proefopstellingen om na te gaan welk verschil het maakt waar en wanneer iemand leeft. Ook in het Nederlands valt dat leesavontuur aan te gaan: het merendeel van Erpenbecks prozaboeken is vertaald, zij het dat het grootste deel van die vertalingen helaas niet meer in druk is. Tot voor 2024, toen het ‘succesboekKairos verscheen bij De Geus, werd Erpenbeck in het Nederlandse taalgebied uitgegeven door Van Gennep, maar dat fonds omvat al bijna een decennium lang geen fictie meer. Toch verschenen bij deze uitgeverij zes boeken in vertaling, van Erpenbecks prozadebuut Het verhaal van het oude kind (2003), oorspronkelijk gepubliceerd in 1999, langs Woordenboek (2007), Huishouden (2009) en de verhalenbundel Wolfskers (2009), tot aan Gaan, ging, gegaan (2016). Uit 2014 dateert Een handvol sneeuw, een vertaling door Elly Schippers van de roman Aller Tage Abend uit 2012, en het is deze uitgave die nu, door de vertaler herzien, door De Geus weer wordt opgepikt onder de andere, betere en minder sentimentele titel Tussen heden en morgen, hoewel de vraag gesteld mag worden waarom er niet gewoon gekozen is voor de meer getrouwe titel Alle dagen avond.

 

Chemisch experiment

De historische en maatschappelijke omstandigheden waarin Erpenbeck haar personages plaatst, zijn soms op het spectaculaire af. Het verhaal van het oude kind is gebaseerd op wat zij zelf meemaakte toen ze zich, als experiment, op 27-jarige leeftijd liet inschrijven op een middelbare school in Berlijn zonder dat haar klasgenoten haar bedrog doorhadden; Woordenboek gaat over een jong meisje dat overbeschermd wordt opgevoed in een fictieve Zuid-Amerikaanse dictatuur, iets wat Erpenbeck, mutatis mutandis, ook overkwam als geprivilegieerd kind van ouders die deel uitmaakten van de culturele elite in Oost-Duitsland; Huishouden is het verhaal van een huis ten noorden van Berlijn dat in de loop van de twintigste eeuw plaats biedt aan twaalf verschillende levens; in het verhaal ‘Siberië’ keert een moeder terug uit het gelijknamige strafkamp, om meteen de nieuwe vriendin van haar man bij de haren uit het huis te slepen; Gaan, ging, gegaan gaat over een gepensioneerde academicus die paniekerig de laatste decennia van zijn leven ziet aanbreken en besluit contact te zoeken met een aantal Afrikaanse vluchtelingen; en Kairos is een politieke liefdesroman, waarin de teloorgang van een relatie tussen een jonge vrouw en een oudere man gelijk oploopt met de laatste jaren van het communistische Oost-Duitsland.

Als in een chemisch experiment mensenlevens laten reageren met maatschappelijke gebeurtenissen en evoluties – dat is wat Erpenbeck doet, om uiteindelijk vast te stellen dat wat zich in de reageerbuis bevond al bij aanvang door en door historisch bepaald was. Tussen heden en morgen is de meest rechtstreekse uiting van haar methode, enerzijds omdat deze roman bestaat uit vijf boeken waarin inderdaad dezelfde proefopstelling keer op keer hernomen wordt met licht andere reactiestoffen, maar anderzijds ook omdat de uitkomst van ieder experiment steeds de dood betreft van het hoofdpersonage. Telkens sterft dezelfde vrouw, maar ze doet dat telkens op een ander moment in de twintigste eeuw, om daarna ook telkens weer in een intermezzo opnieuw tot leven te worden gewekt.

In het eerste boek gaat dat als volgt: een kind van een Joodse moeder en een katholieke vader sterft, nog geen jaar oud, helemaal aan het begin van de twintigste eeuw in Brody in Oekraïne, in het midden van de winter, vermoedelijk door wiegendood. Omdat de vrouwelijke hoofdpersoon van Tussen heden en morgen, die zoals alle andere personages naamloos blijft, al op de eerste bladzijde sterft, gaat het eerste boek vooral over haar ouders, en hoe het hen vergaat in de eerste decennia na het overlijden van hun kind. Hun huwelijk overleeft het niet, en in een voor haar boeken typische passage laat Erpenbeck de moeder een status quaestionis opstellen, die aanspraak maakt op algemene geldigheid:

 

Ze had altijd gedacht dat het er bij de vereniging van twee mensen om ging een grens te overschrijden die je met niemand anders overschreed, de wereld achter je te laten en vanaf dat moment alles met elkaar te delen. Nu ziet ze dat die grens niet vastligt en in tijden als deze verschuift. Ongemerkt is de grens naar binnen geschoven en scheidt hem nu weer van haar.

 

De man vertrekt via Ellis Island naar Amerika; de vrouw gaat werken als verkoopster en begint een affaire met een officier die geregeld in de winkel langskomt – of ze denkt alleszins dat het om een affaire gaat, totdat de man haar na hun eerste afspraakje een stapel bankbiljetten geeft. Ze belandt in de prostitutie: altijd is bij Erpenbeck de manier waarop mensen moeten werken een cruciaal onderdeel van wie de maatschappij hen toestaat te worden. Of anders gesteld: het is geld dat bepaalt wie ze kunnen zijn in de wereld:

 

Wat ze kon kopen van het geld dat ze op die manier verdiende, was gemeten aan het feit dat ze met niemand op de wereld meer één was, al helemaal niet met zichzelf, belachelijk weinig. Maar hoe minder een jurk, een hoed, een sieraad in verhouding stond tot wat ze van zichzelf weggaf, hoe makkelijker het voor haar werd om zichzelf opnieuw te verkopen. Op een dag zou haar werkelijke waarde, die nu alleen zij nog maar kende, onmetelijk zijn.

 

Het illustreert, nagenoeg schematisch, de vervreemdende werking van geld. De kleine bedragen die ze als sekswerker ontvangt corresponderen niet met de opoffering die het werk van haar vraagt, en het is alsof ze zo, op een bittere, vreselijke manier, een schijnkapitaal opbouwt dat haar op een dag alsnog te beurt zal vallen. Dat zijn de materiële condities waarin ze leeft, die tegelijkertijd toch bepaald zijn door het toeval – het toeval dat ertoe heeft geleid dat haar kind, nauwelijks één jaar oud, is gestorven, waarna haar huwelijk uit elkaar viel, ze een alleenstaande vrouw werd en zichzelf moest gaan verkopen. Het geeft aan hoe het historisch materialisme van Erpenbeck nooit helemaal absoluut is: in wat mensen overkomt speelt pech – of het positieve tegendeel, kairos, zoals in de gelijknamige roman – ook altijd een rol, kortstondig, als een blikseminslag tijdens een veel langere, om niet te zeggen onophoudelijke storm. De loop van de geschiedenis, de loop van een mensenleven, blijft op een krankzinnige manier afhankelijk van korte en onvoorspelbare, maar toch ook allesbepalende momenten.

Op het eerste boek volgt dan ook een ‘Intermezzo’ dat met deze zin aanvangt:

 

Maar had bijvoorbeeld de moeder of de vader ’s nachts het raam opengerukt, een handvol sneeuw van de vensterbank gegrist en onder het hemd van het kind gestopt, dan was het meisje misschien opeens weer gaan ademen, misschien ook gaan schreeuwen, in elk geval was haar hart weer gaan kloppen, haar huid weer warm geworden en de sneeuw op haar borst gesmolten.

 

Of nog: ‘Als de ouders een ingeving hadden gehad, zou het overleven van het kind datgene geworden zijn wat waar was.’ Dat alles ook altijd anders had kunnen lopen, lijkt erg, maar het tegendeel – dat de gebeurtenissen vastliggen zonder alternatief – is misschien nog veel erger. Erpenbeck bevestigt die eerste optie, en Tussen heden en morgen gaat verder alsof er niets gebeurd is, en alsof het hoofdpersonage, nauwelijks een jaar oud, is blijven leven. En toch is ook in dit tweede scenario werk bepalend, want de vader wordt overgeplaatst naar Wenen, waar het verhaal zich in het tweede boek voortzet, kort na de Eerste Wereldoorlog. De baby is ondertussen een jonge, volwassen vrouw aan wie zich – sarcastische ironie van de auteur – ook de mogelijkheid tot prostitutie aanbiedt: ‘Ze had zichzelf allang kunnen verkopen om te zorgen dat haar familie thuis geen kou meer leed, of voor haar zusje, dat harder groeide dan nodig was.’

Deze versie van het hoofdpersonage komt al snel eveneens te overlijden, om in een intermezzo volgend op het tweede boek weer tot leven te worden gewekt. Het derde boek speelt zich af in de Sovjet-Unie, waarnaar de vrouw kort na de machtsovername van Hitler emigreert, en waar ze zich onderworpen ziet aan de bekende, strenge vorm van zelfkritiek, en verplicht wordt haar levensloop neer te schrijven – een handig instrument voor Erpenbeck om een en ander samen te vatten. Het vierde boek grijpt plaats in de jaren zestig, in Oost-Berlijn, waar het hoofdpersonage – ‘met onvermoeibare inzet voor vrede en socialisme’ – een gevierd auteur is geworden, en het vooral haar zoon is die, na haar overlijden na een val van de trap, in de kijker komt te staan. In het vijfde en laatste boek is de Muur net gevallen: ‘De eeuw die vroeger zo jong was, is nu heel oud. Ook de moeder is nu heel oud.’ Ze overlijdt in een bejaardentehuis, een dag na haar negentigste verjaardag.

 

Een ander tijdperk

Net als Kairos eindigt Tussen heden en morgen dus met het verdwijnen van de Duitse Democratische Republiek, met de eenmaking van Duitsland, en met teleurstelling. Het is echter opmerkelijk dat de periode tussen het einde van de Tweede Wereldoorlog en de omwentelingen van 1989 nauwelijks beschreven wordt. Wat het hoofdpersonage heeft meegemaakt, hoe haar leven als schrijfster was in Oost-Duitsland, in de jaren vijftig, zestig, zeventig en tachtig – er wordt slechts even kort als bitter op teruggeblikt, nadat het allemaal alweer verdwenen is, bijvoorbeeld omdat haar uitgeverij kort na de Wende failliet is gegaan: ‘De lezers hebben nu wel iets anders te doen dan lezen, ze willen eerst eens naar de Canarische Eilanden.’ Het lijkt alsof Erpenbeck, in het experiment dat Tussen heden en morgen is, deze historische periode niet of nauwelijks heeft willen betrekken. Meer nog: haar studie van de geschiedenis, van de rol die toeval en materiële omstandigheden samen spelen in het leven van mensen en de evolutie van hun gezichten, beperkt zich tot de periode voor en na de DDR. Het bestaan van het socialistische Duitsland, zo is de impliciete boodschap, viel immers samen met een ander tijdperk, waarin de staat zelf gunstige werk- en bestaansomstandigheden voor al haar burgers wist te verzekeren. Op het einde van het boek, begin jaren negentig, zit de zoon van het hoofdpersonage in een café in Wenen, en dit is wat hij denkt:

 

En het kan hem ook absoluut niet schelen of de anderen aan zijn blik, zijn haar, zijn wangen kunnen zien dat hij uit het terecht, eindelijk, goddank, het werd ook tijd, ten onder gegane land komt waar je, wat een idiotie, staatsbedrijven had, op 1 mei rode anjers voor in je knoopsgat, vervalste verkiezingen, bejaarden met een alpinopet uit de Spaanse Burgeroorlog en als schoolvak dialectiek. Een mens, wat klinkt dat trots. Toen hij ’s ochtends om zes uur uit te nachttrein stapte, zag hij mensen die op het station op karton lagen te slapen. In welke wereld heeft hij de afgelopen veertig jaar geleefd? Waar is die wereld gebleven? Heeft hij nu voor de rest van zijn leven het hart van een hond?

 

Tussen heden en morgen kreeg van Erpenbeck een motto mee van W.G. Sebald, uit diens bekendste roman Austerlitz uit 2001: ‘Afgelopen zomer zijn we nog van hier naar Mariënbad gegaan. En nu, waar gaan we nu heen?’ Het gaat om een herinnering van het hoofdpersonage aan een gelukzalig verblijf in het Tsjechische kuuroord in 1938. Door de referentie aan dit boek en aan Sebalds oeuvre, dat volledig in de schaduw ligt van het nazisme en de holocaust, lijkt Erpenbeck daar een eigen en andere versie van de twintigste eeuw en van de geschiedenis van Duitsland tegenover te willen plaatsen. Het echte, grote ongeluk is het verscheiden van de DDR. Niet toevallig is haar daarom vaak ostalgie aangewreven, of zelfs haat voor het Westen, en zeker is ook Tussen heden en morgen te lezen als een kritische geschiedenis van het onvermogen van overheden om het leven van hun burgers te ondersteunen. Het maakt haar, middels een vergelijking met een andere auteur, tot een soort omgekeerde Vladimir Nabokov, wiens oeuvre grotendeels in het teken stond van de teloorgang van een ander regime – het oude, tsaristische Rusland. Hoe gelukkig dat tijdperk voor hem was, heeft Nabokov uiteengezet in Geheugen, spreek. Haar eigen versie van dat boek moet Erpenbeck nog schrijven.

De Geus, Amsterdam, 2025
Vertaald door: Elly Schippers
ISBN 9789044547665
272p.

Geplaatst op 22/01/2026

Tags: DDR, Jenny Erpenbeck, Tussen heden en morgen

Categorie: Proza, Recensies

Naar boven

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.