Deel Facebook Twitter / X LinkedIn
Wat hebben een mens en een naakte molrat met elkaar gemeen? Het zou een mop kunnen zijn, ware het niet dat de juxtapositie het uitgangspunt vormt van Grondwerk (2025), de voor de Boon genomineerde debuutroman van ingeweken Brusselaar en bekroond dichter Tijl Nuyts (1993). In Grondwerk heeft een specimen van de heterocephalus glaber of ‘Kale vreemdkop’ zich in de Brusselse ondergrond gevestigd, waar het wacht op een briefing van het thuisfront. In de Hoorn van Afrika hebben verschillende kolonies naakte molratten zich namelijk verenigd om de macht van de homo sapiens ter discussie te stellen en te corrigeren. Daarvoor zenden ze soortgenoten uit over de hele wereld. Maar de Brusselse afgevaardigde ontvangt geen instructies. De briefing is een MacGuffin, trekt ons het gangenstelsel in.
Het Brusselse gangenstelsel vertrekt vanuit het Vaderlandsplein in Schaarbeek, waar de naakte molrat na een bedenkelijk ongeluk in de savanne wordt gestationeerd. De coördinaten van de missie – ‘een provinciale uithoek van het meest tochtige hol van allemaal’ – en het uitblijven van informatie zijn middelvingers die het verstoten dier niet lijkt te registreren. Uit loyaliteit voor de kolonie beslist ze om in afwachting van de briefing het verzet dan maar zelf vorm te geven. In haar eentje, maar met de energie van een hele kolonie, begint ze te graven, ongebreideld en blij om íets te doen. Het willekeurige graafwerk krijgt al snel een symbolische lading. Een naakte molrat mag haast blind zijn, al haar andere zintuigen staan ultrafijn afgesteld. Via geuren, trillingen en structuren, zelfs via iets wat lijkt op gedachtelezen, merkt ze dat menselijk handelen wordt gekenmerkt door individualisme en kortetermijndenken. Wanneer ze onder het Josafatpark sporen van een koloniaal verleden ruikt en de ‘roddels en beloften, de schijnbewegingen en steekvlampolemieken’ in het federale parlement hoort, raakt ze gemotiveerd om de hele stad en haar instituten doelgericht aan het wankelen te brengen. De fundamenten van het Koninklijk Paleis, de Amerikaanse ambassade en alle Europese instellingen worden ondergraven.
In tegenstelling tot de mens kent de naakte molrat een ethiek van zorgzaamheid en collectivisme, wat haar een interessante positie verleent van waaruit ze onze samenleving kan bekritiseren. Wanneer de dieren een wortel oogsten, geven ze die bijvoorbeeld een ‘pleister van klei’, zodat de knol heelt en door een volgende colonne opnieuw kan worden meegenomen. Gangen uitgraven doen ze als één lichaam, aangestuurd door hetzelfde brein, en slapen gebeurt in een grote nestkamer – de gewaarwording van elkaars gewicht doet aan de geborgenheid van een verzwaringsdeken denken. Hoewel de naakte molrat initieel een vreemde indruk maakt – ze is onbekend, ziet er onooglijk uit en weet op magische wijze de grenzen van tijd en ruimte te overstijgen – slaagt Nuyts erin het dier geloofwaardig en levendig neer te zetten. We herkennen haar gevoelens van verdriet en jaloezie en kunnen lachen om haar laconieke opmerkingen, zoals de ‘Oeps.’ die haar ontsnapt wanneer er plots verschillende “zinkgaten” opduiken.
De stem van de naakte molrat is bovendien betrokken en precies. Ze noemt dieren die je naar je smartphone doen grijpen (koedoe, caracal, kariboe) en hanteert doordachte beeldspraak. Zo doet de naakte molrat aanvankelijk uitsluitend een beroep op elementen uit haar natuurlijke omgeving om haar observaties of gevoelens te omschrijven: de zon hangt aan de hemel als een onrijpe knol, paniek voelt ze in haar keel kriebelen als een krekel, een stem klinkt zo warm als zand in de zon… Maar wanneer ze meer vertrouwd raakt met de mensenwereld, sluipen vreemde elementen haar metaforen in, zoals een warme jas of hard plastic. Poëzie zit ook in dagelijkse observaties, zoals verhitte meertalige discussies en dwarsdoorsnedes die de stad vol mededogen vatten:
Heel wat van de schakeringen ontgaan me, maar toch; alleen al op dit plein voel ik de tegenstellingen en de geschiedenissen die eraan ten grondslag liggen schuren. Ik vat lang niet alles, maar wel flitsen. De mensen die elke ochtend, nog voor het licht wordt, hun huizen verlaten – een thermos in hun tas – en pas wanneer het opnieuw donker is terugkeren. De vrouw die vorig jaar in dit land kwam wonen en nu elke dag een kinderwagen de tram in duwt, geholpen door een jongen. De man uit het dorp aan de rand van de stad die de sloten van de autogarage opent, zijn zorgen over de drempel tilt. De jonge mens die op een fiets komt aangesneld. […] Wat een verschil met de oude vrouw die de hele namiddag op de rand van de zandbank zit, af en toe een blikje openmaakt, aan haar lippen zet. Met de mensen die het wassalon binnengaan, manden vol afgeworpen huiden onder hun armen. Met de jongens die aan de rand van het plein in geparkeerde auto’s wachten, de nacht klaarwakker doorbrengen.
Door haar ingebakken gemeenschapszin en zorgzaamheid is de naakte molrat moreel boven de mens verheven. Mensen, zo heeft ze al in de kolonie geleerd, zijn arrogante oppervlaktebewoners die geen grondig werk leveren om de toekomst van de planeet veilig te stellen. De aarde zou wel gebaat zijn bij een beetje bescheidenheid, het besef dat wij niet meer zijn dan ‘haarloze apen met een stevige prefrontale cortex’. De menselijke overheersingsdrang wordt dan ook voortdurend gethematiseerd, bijvoorbeeld door wetenschappelijk onderzoek naar de molrat te weerleggen of door de scheiding tussen mens en dier te vertroebelen. De mens werpt niet zijn kledij af maar zijn huid, heeft geen baby maar een jong; de molrat heeft handen, vingers, benen en kuiten, waardoor het enkele pagina’s duurt voordat je begrijpt dat hier een naakte molrat spreekt.
Het (terechte) superioriteitsgevoel van de molrat neemt geleidelijk aan af wanneer ze vriendschap sluit met een klimaatactivist, aan wie ze in alternerende hoofdstukken vertelt over haar leven in de kolonie en in België. De activist zit dagelijks op een bankje op het Vaderlandsplein en weet wonderlijk met de molrat te communiceren via haar moedertaal van getsjirp, geknor en gefluit. Dat wordt niet zonder wantrouwen onthaald, maar net zoals de mens haar verwerving van het vreemde dialect niet prijsgeeft, haalt de molrat genoegdoening uit het verzwijgen van de logistieke details van haar reis – ‘Voor jou een vraag, voor mij een weet.’ Frappant is dat op deze punten niet alleen wantrouwen ontstaat tussen de personages, maar ook tussen de lezer en de vertelling. De ontbrekende informatie wekt namelijk ongeloof op: hoezo raakt die naakte molrat in België, hoezo spreekt die activist haar taal? Maar in plaats van de hiaten op te vullen, worden ze zelfbewust benoemd. Wat een constructiefout of grens aan de verbeelding van de auteur had kunnen zijn, wordt binnen deze ecokritische roman een verzet tegen het menselijke verlangen naar een coherent, redelijk en beheersbaar verhaal.
Het uitblijven van verklaringen voor moeilijk te bevatten verhaallijnen kan slim heten of makkelijk, maar het neemt me voor de roman in dat over ieder bezwaar is nagedacht. Zo is er ook een parabel over een kolibrie die een brand probeert te blussen door telkens een druppel water aan te dragen, terwijl de olifanten met hun grotere bluscapaciteit staan toe te kijken. Het laat zich lezen als de hoofdgedachte van de roman: net als de kolibrie blijven de molrat en de activist zich zonder draagvlak en ondanks hun persoonlijke verslagenheid engageren voor een leefbare wereld. Maar in Grondwerk kan zo’n fabel niet bestaan zonder nadien een stevige discussie te laten losbarsten die de naïviteit ervan doorprikt. De verantwoordelijkheid van het individu wordt niet gepredikt, het zijn de instituten die ondergraven moeten worden opdat een adequaat beleid zal volgen. In grassrootsinitiatieven schuilt de hoop.
Waar de naakte molrat de mens bij aankomst in Brussel aanzag voor de ‘zelfverklaard[e] rentmeester van de planeet’, ziet ze de homo sapiens steeds meer als een ‘[w]orstelende mensaap’. Ze herinnert ons eraan dat we net als zij uit het Afrikaanse continent zijn geëmigreerd en dat alle bewoners van de aarde beter zouden gedijen onder haar werkethiek. Grondwerk pleit voor bescheidenheid, samenwerking en een duidelijke visie om de maatschappelijke crises het hoofd te bieden, al is het onduidelijk hoe dat juist gerealiseerd kan worden. De ambitie is literair. Nuyts schrijft doordacht, precies en weet mens en dier met een grote verbeeldingskracht dichter bij elkaar te brengen. Met de hulp van een naakte molrat zet hij de mens weer in zijn blootje. Klaar om te beginnen, íets te doen.
Reacties
Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.