Poëzie, recensie

Daden van verlangen

WHO IS ME, Dichter van de as

Pier Paolo Pasolini (vert. Piet Joostens)

Dit najaar verscheen bij Sabzian de Nederlandse vertaling van het postuum gepubliceerde ‘bio-bibliografisch gedicht’ Who is me/ Dichter van de as (1966) van Pier Paolo Pasolini. Vijftig jaar geleden werd deze iconische dichter, denker, romancier en cineast brutaal vermoord in Ostia, een kustplaats even buiten Rome. De omstandigheden van deze gruweldaad blijven tot vandaag onopgehelderd en ook het werk blijft tot de verbeelding spreken.

Het gedicht, bestaande uit tweeëndertig getypte vellen vol correcties, doorhalingen en aanvullingen, werd na Pasolini’s dood aangetroffen in zijn werkkamer. Alles wees erop dat hij van plan was het op te nemen aan het slot van een nieuwe anthologie. Zoals wel meer werk van Pasolini bleef ook deze tekst lang onvertaald in het Nederlands, tot nu Piet Joostens de taak op zich nam. Joostens is niet aan zijn proefstuk toe, voor uitgeverij Polis selecteerde en vertaalde hij in 2016 al poëzie en polemieken die werden gebundeld in Vaarwel en beste wensen.

Ook deze publicatie heeft hij met eenzelfde zorg behandeld en voorzien van een boeiend voorwoord. Zo duidt hij er de opvallende keuze voor de dubbele titel Who is me/ Dichter van de as, in het Italiaans werd immers geopteerd voor het enkelvoudige Poeta delle Ceneri. Maar, zo stelt Joostens, op basis van Pasolini’s aantekeningen vermoedt men dat hij zelf nog twijfelde ‘tussen “‘WHO IS ME’ (getypt, omcirkeld, zonder vraagteken, misschien opzettelijk in slecht Engels?) en ‘POETA DELLE CENERI’ (‘Dichter van de as’, in handgeschreven kapitalen, een niet mis te verstane verwijzing naar zijn bekroonde bundel De as van Gramsci uit 1957).” Terwijl de Engelse variant verbonden kan worden aan zijn trip naar Amerika waar hij uitgenodigd was op een filmfestival, sluit de Italiaanse dan weer beter aan bij de insteek van het gedicht. Zoals De as van Gramsci (1954) betreft het ook hier een contemplatief existentieel gedicht; daar laat de openingsregel ‘Ik ben iemand’ geen twijfel over bestaan.

In Who is me/ Dichter van de as zoekt de ik, die gezien het expliciet biografische karakter samenvalt met de auteur, de confrontatie op met zijn vroegere zelf, met zijn wortels, zijn familiebanden, zijn geëvolueerde kunstopvatting. Hij spreekt zich uit over zijn verleden, de verschuivingen die zich op persoonlijke en artistieke vlak hebben voorgedaan, en kijkt ook vooruit naar toekomstig werk. Het gedicht raakt aan de elementen die hem als mens en als kunstenaar hebben vormgegeven en die hem nog steeds, zij het soms enigszins gewijzigd, bepalen.

Levende contestatie

In het gedicht ‘De as van Gramsci’ (1954) ondernam Pasolini een gelijkaardige denkoefening. Daar bevindt het ‘ik’ zich bij valavond aan het graf van de marxistische denker Antonio Gramsci: ‘Zo nader ik / jou half hoopvol, half met argwaan die is gebleven, / bij toeval in deze schrale gaard, op de plek // van jouw graf, van jouw geest die hier bleef leven’ om er zijn verhouding tot hem te overschouwen. De ‘ik’ geeft aan sterk te zijn beïnvloed door de ideeën van Gramsci, maar neemt ook afstand van dat gedachtegoed. Dit eigengereid denken is tekenend voor de levenshouding van Pasolini. In al wat hij onderneemt, zal hij het unieke, authentieke en daarin afwijkende belichamen. Het is dat wat een mens tot mens maakt en wat Pasolini ten allen tijde zal verdedigen en wil vrijwaren van de uniformeringsdrang waartoe een kapitalistisch ideaal aanmoedigt.

Zijn werk valt niet simpelweg te categoriseren. Als dichter is hij te subversief, politiek en onvoorspelbaar voor de traditionelen, terwijl hij voor de experimentelen dan weer te lyrisch, te romantisch en te emotioneel is. Ook als filmmaker vormt hij een gegeven op zich. Hij streeft ernaar de werkelijkheid uit te drukken door middel van die werkelijkheid zelf, maar koppelt aan dit realisme ook iets mystieks. In zijn werkwijze legt hij bewust een zeker dilettantisme aan de dag. Als regisseur bijvoorbeeld selecteert hij zijn acteurs bij voorkeur uit de lokale bevolking omdat die volgens hem nog in staat zijn tot de evocatie van het zuivere, chaotische leven dat hij nastreeft.

Voor de scènes uit Il Vangelo secondo Matteo (1964) die zich afspelen in Jeruzalem trekt hij naar Metara waar men nog leeft in grotwoningen en haalt daarmee heel Italië op zijn dak. Toch is het esthetiseren van deze zogenaamde schande van Europa niet alleen een poëtische ontkenning van de nieuwe wereld, maar tegelijk een aanklacht tegen het consumentisme als ziekte die alles aantast. Het consumentisme reduceert het lichaam namelijk tot ding, waardoor de mens vervreemdt van zichzelf en van zijn oorspronkelijke, elementaire instincten.

In Pasolini’s kunst zijn het existentiële en het politieke steeds intens met elkaar verweven. Die verknoping spreekt ook uit het zelfonderzoek dat aan de basis ligt van Who is me/ Dichter van de as. De ik leidt de lezer langs opeenvolgde levensfasen en verbindt ondertussen fragmentarische wetenswaardigheden aan elkaar. Hij benoemt ijkpunten tussen zijn geboorte in 1922 ‘in een stad vol arcaden’ (Bologna) en 1966, wanneer hij deze regels naar eigen zeggen schrijft bij wijze van voorbereiding op zijn eerste trans-Atlantische interview.

Pasolini was destijds inderdaad uitgenodigd op het New York Film Festival waar zowel zijn debuut Accattone (1961) als zijn pas verschenen Uccellacci e uccellini (1966) werden vertoond. Piet Joostens stelt zich echter vragen bij deze geëxpliciteerde aanleiding, want hoe waarschijnlijk is het dat iemand een lang gedicht schrijft ter voorbereiding op het geven van een interview? Het duurt tot iets voorbij de helft van het gedicht voor het woord ‘interview’ voor het eerst valt. Dat die verwijzing zo laat komt, suggereert veeleer dat het om een ingeving van het moment gaat, een idee dat zich tijdens het schrijven aandient waar Pasolini zijn verzen aan kan ophangen. Het hoeft bovendien niet te verbazen dat dergelijke invallen zomaar worden ingelast en mogen bestaan. Dat strookt namelijk helemaal met Pasolini’s poëtica van het spontane en het onaffe.

Pas in het slot van het gedicht richt de dichter zich een tweede keer en nu wel rechtstreeks tot die zogenaamde Amerikaanse vriend; de interviewer voor wie hij de pen opnam. Maar ook dan voegt de apostrof weinig noodzaak toe aan Who is me/ Dichter van de as dat als bio-bibliografisch gedicht op zichzelf staat en boeiend is, zeker voor wie al enigszins vertrouwd is met het oeuvre en de figuur van de dichter. Het rijgt betekenisvolle ogenblikken aaneen, toont hoe herinnering en beschouwing vanuit de terugblik op elkaar inwerken. Voor wie nog onbekend is met zijn werk en levensloop zijn er betere ‘instapwerken’, zoals het vermelde De as van Gramsci.

Op on-poëtische wijze

Vorm-technisch toont Who is me/ Dichter van de as een duidelijke evolutie ten opzichte van De as van Gramsci. In 1966 is Pasolini immers al voluit overgeschakeld op het medium van film; er zijn dan al vier langspeelfilms, een kortfilm en twee documentaires. In het laatste deel van dit gedicht doet hij de opzet van Teorema uit de doeken, dat in 1968 als roman en als film zou verschijnen.

In Who is me/ Dichter van de as heeft Pasolini de terzinen, in de traditie van Dante, losgelaten en duiken technieken op die hij ook graag toepast in zijn filmwerk; het wat ruwe, verknipte karakter, de directe toon inclusief de plotse stijlbreuken en de registerwissels. Het zijn ingrepen die passend en waarachtig zijn, horten en stoten zoals het leven zelf. Ze liggen geheel in lijn met zijn opvatting dat er geen onderscheid bestaat tussen werkelijkheid en fictie, dat de werkelijkheid in zichzelf poëzie is.

Ook de dichter zelf richt de aandacht op het nonchalant verspringende karakter van zijn schriftuur. De bewust grillig gehouden montage zorgt ervoor dat het discontinue, het afwijkende, niet uitgeveegd wordt door het construct. Tegelijkertijd betreft het geen bric-a-brac-arrangement, er is steeds genoeg oog voor spanning en variatie. Het lyrisch ik geeft daarenboven al commentaar op de mogelijke receptie door literatuurwetenschappers: ‘Dat kwam door een oudere contradictie / nog zo een die geleerden niet kunnen verdraaien!’ Hij voelt zich door de literaire kritiek zowel genegeerd – ‘Daarom werd mijn boek niet in de officiële tijdschriften gerecenseerd’ – als misbegrepen. Hij suggereert dat de ‘geleerden’ zich moeilijk raad weten met zijn openlijk persoonlijke, eigengereide werk.

Het onttrekt zich aan de voorhanden etiketten, varieert tussen het lyrische en het prozaïsche, en last terugblikken, intertekst, natuurevocaties en associatieve denksprongen in, zoals we die kennen uit zijn essays. Bovendien schrijft Pasolini dit gedicht rond de tijd dat hij verkondigt niet langer als dichter te willen worden gelezen. Midden jaren zestig neemt hij publiekelijk afstand van de literatuur, van de burgerlijke zweem die er naar zijn aanvoelen mee gepaard gaat: ‘(Vandaag ben ik geen literator meer, / ik mijd de anderen en met hun prijzen en hun pers / heb ik niets te maken.)’.

Zijn geloof in de poëzie heeft dan al een flinke deuk gekregen. Hij dicht erover – jawel! – in de cyclus ‘een wanhopige vitaliteit’ uit de bundel In de vorm van een roos (1964): ‘Het Neokapitalisme heeft gewonnen, en nu / sta ik op de stoep, / als dichter, ha!’, ‘mij wordt geen poëzie meer gevraagd’. En ook in deze Who is me/ Dichter van de as borduurt hij verder op deze gedachte. Hij blikt terug op een tijd waarin hij nog geheel anders dacht over de aard en de noodzaak van poëzie, zijn gevoel een stuk verhevener was. Een tijd van ‘onaangetaste poëziedromen’ en de overtuiging dat in de poëzie ‘alles kon worden opgelost’. Sterker zelfs: ‘Het leek alsof Italië […] / afhing van wat ik erover schrijven zou, / in verzen doordrenkt met onversneden werkelijkheid.’

Pasolini mag dan wel verkondigen zijn geloof en ontzag voor de poëzie voorgoed kwijt te zijn, we kunnen niet om de paradox in zijn handelen heen. Dit brengt een dubbelzinnigheid voort die in verband kan worden gebracht met zijn onophoudelijke poging tot verzet. Natuurlijk schrijft hij poëzie, ook al neemt hij er afstand van; poëzie is immers futiel en inutiel en daarin misschien wel de uitgelezen reactie op de destructie waarvan ze getuigenis aflegt. Ondanks alles blijft poëzie overeind als poging om het weerbarstige, het complexe en het ambigue te vangen. Het gedicht onttrekt zich aan de eis tot onderwerping, precies door zijn niet-instrumentele, ambivalente taal. Poëzie ontstaat bij Pasolini tegen beter weten in. Ze is de drager van oude, verdrukte waarden en bestaat niet om antwoorden te bieden maar om wat voorligt te bevragen, te ontmantelen en van weerwoord te voorzien. Poëzie blijft daarom de vorm bij uitstek voor Pasolini, die ook in zijn filmwerk een dichter was. Zijn schrijversvriend Alberto Moravia benadrukt dit in zijn afscheidsrede op het Campo de’ Fiori, waar mensen massaal bijeen zijn gekomen om de kist van Pasolini te groeten.

‘land van onweders en sleutelbloemen’

Pasolini ambieerde het dichterschap al op jonge leeftijd. Aan het begin van Who is me/ Dichter van de as vergelijkt hij zichzelf met de bekende Franse dichter Rimbaud – ‘Ik was een poète de sept ans’ – maar dan alleen op het vlak van wilskracht, als dichter van het leven. Hij neemt de lezer en de journalist tot wie hij zich richt mee naar zijn jeugdjaren in Casarsa, ‘een dorp tussen zee en bergen, / waar hevige onweders losbarsten en het in de winters veel regent’. De uitgebreide natuurbeschrijvingen getuigen van een direct emotioneel contact met de omgeving en zijn bewoners; ‘grof en geletterd, een beetje vulgair maar wel gevoelig’.

De regio in Noord-Italië gelegen tussen de Dolomieten en de Adriatische zee zal voor Pasolini altijd een soort arcadia blijven waaruit hij werd verdreven. De landschappen die hij oproept zijn sensitieve landschappen. Het sacrale verschijnt hier belichaamd, tastbaar en bij momenten met een verpletterende intensiteit.

Het is mijn lot
terug te denken aan heuveltjes boven een rivier
met zo’n glashelder blauw water en daaronder keitjes,
stromend tussen grindstroken als knekelvelden, eerst
door de treurig groene magredi, dan door de wijnheuvels
(’s zomers dol van een vochtige, wazige, haast oosterse stilte),
om te eindigen tussen landwinningen waarvan de geur
voor twee wilde ogen en wildzuivere lendenen volstaat
om een verpletterende uitputting te veroorzaken
die maakt dat je wilt sterven.

De natuur van dit ‘droomland’ is expressief en erotisch. Aan ogenblikken van extase kleeft steeds iets duisters. Zo herinnert, iets verderop in het gedicht, de geur van de acacia’s die vol bloesems hangen aan ‘die heerlijke geur van ontbindend mensenvlees / in die sublieme warmte van het mooiste seizoen’. Pasolini gaat niet voorbij aan het obscure in de mens, hij getuigt van het leven dat heftig verlangt en daarin desoriënterend uitpakt. In dit ‘land van onweders en sleutelbloemen’ beleeft Pasolini zijn eerste homo-erotische ervaringen, een zinnelijk verlangen dat bij aanvang al duister en schuldbeladen is want niet conform de norm. Ook op dit domein ondervindt Pasolini de diepe haat van Italië voor diversiteit en hij laat er geen misverstand over bestaan wanneer hij dicht: ‘De Italiaanse bourgeoisie rondom mij is een bende moordenaars.’

In zijn gedichten schept Pasolini beeldruimtes waarin het afwijkende als natuurlijke manier van zijn kan bestaan. In zinnelijke verzen – ‘alleen mijn buik leefde nog, zoals die landtong in dat nutteloze blauw’ – tekent hij een onzuiver landschap dat vitaal is, bezoedeld met wilde lichaamsvreugde. Hij staat stil bij de opmerkzaamheid die zijn begeerte vraagt; ‘wat gezichten betreft heb ik mij nooit vergist, / want vanwege mijn verlegenheid en mijn libido / moest ik mensen zoals ik wel vlot herkennen.’

Ook in de postuum gepubliceerde novelle Daden van onkuisheid (1982) schrijft hij expliciet over zijn eerste, overweldigende ervaringen met jongere jongens aan de oevers van de Tagliamento. In Who is me/ Dichter van de as alludeert hij kort op de aanklacht wegens zedenfeiten met drie zestienjarige jongens die verbonden is aan deze periode en die aanleiding vormt voor zijn plotse verhuizing naar Rome. Ook na zijn vertrek uit Friuli blijft hij echter ‘Achterbuurtjongens beminnen, zowel abstract als daadwerkelijk’. Het was, zoals Barth David Schwartz in zijn biografie Pasolini Requiem (1992) schrijft, ‘zijn band met de vitaliteit van het leven zelf’.

En wat hij niet ziet

Het gewetensonderzoek waarvan Pasolini in versvorm verslag doet, is rijk en in zekere mate zelfkritisch. Hij spaart niemand, ook zichzelf niet, zoals blijkt uit de herhaalde verzen waarin hij stelt een kleinburger te zijn die alles dramatiseert. Maar hoe gedegen zijn reflectieve onderneming ook is, er zijn steeds de blinde vlekken. Pasolini doorzag zijn eigen tijd als geen ander en deed profetische uitspraken over die van ons, maar hij had op specifieke domeinen ook een gebrekkig zelfinzicht. Hij erkende bijvoorbeeld niet dat de scheve machtsverhoudingen problematisch waren wat zijn aantrekking tot jongere jongens betrof. Alleen al door de rolverdeling – hij was leraar in Friuli – was er een vorm van manipulatie in het spel. Hij presenteert zichzelf als onbegrepen en als slachtoffer van zijn verlangen: ‘ik leidde het leven van een terdoodveroordeelde, / met altijd de last van die gedachte op mijn schouders / – schande, werkloosheid, ellende.’ Hij schrijft: ‘Andere zaken kan ik jullie niet vertellen’ en hij slaagt er niet in zich empathisch op te stellen tegenover de aanbeden jongens. Zowel de regels uit Who is me/ Dichter van de as als het relaas in de novelle Daden van onkuisheid wijzen erop dat hij onvoldoende aanvoelt dat hij de jongens in kwestie beschadigt door ze onder druk te zetten.

Recht doen aan de kunstenaar en zich laten inspireren door zijn opvattingen kan hand in hand gaan met het benoemen van moeilijke kwesties, van aspecten die problematisch waren aan de mens. In de bestaande Nederlandstalige bronnen is dit soms te weinig het geval, ze scheren met een opvallende terloopsheid langs de dingen heen. Ook biograaf Barth David Schwartz laat bijvoorbeeld de leeftijd van het jongetje in Friuli en die van Pasolini onvermeld. In een dergelijke kwestie is dat geen detail. Het slechts zijdelings, zo verholen mogelijk presenteren van grensoverschrijdend gedrag is op zichzelf problematisch.

Uiteraard is de romantiek van de jongenslichamen onmiskenbaar verbonden met het werk van Pasolini en met die verbeelding is niets mis. Integendeel: die verbeelding werkt heel krachtig. Het veroordelen van de eigenlijke daad kan daar echter goed naast bestaan. Kritiek daarop doet niets af aan de erkenning van hoe belangrijk de rol is van die verbeelding.

In het essay bij zijn vertaling van De as van Gramsci heeft Luc Devoldere het overigens wel over de kritische vragen die opduiken bij ‘het beleven van zijn seksualiteit’. Ze werden bij zijn leven en na zijn dood vaak weggezet als pogingen van rechts om de dichter – die inderdaad van leer trok tegen de fascisten – in een slecht daglicht te zetten. Dergelijke bagger en de dreiging uit neofascistische hoek zullen er zeker geweest zijn, maar ook die aspecten van zijn leven, werk en receptie nemen niet weg dat de kritische vragen terecht waren.

‘in de zon van zijn ouders’

Op het moment dat Pasolini Who is me/ Dichter van de as schrijft, bevindt hij zich op liefdesvlak in een van de gelukkigste perioden van zijn leven. ‘Het belangrijkste in mijn leven was mijn moeder / (en pas nu is Ninetto erbij gekomen)’. Ninetto Davoli was van wezenlijk belang voor de dichter, zowel professioneel als persoonlijk. In Who is me/ Dichter van de as blijft het bij een vermelding tussen haakjes. Wel buigt de dichter zich nader over de sterk verknoopte relatie met zijn moeder in een poging haar te ontrafelen en in verband te brengen met de problematische verhouding tot zijn vader. Hij zingt het lof over haar boezem, haar ‘onschuldige engelenziel’, haar schoonheid en haar taal – het Friuliaanse dialect – en gaat vervolgens de confrontatie met de vader aan.

Pasolini’s vader was aanhanger van het fascisme waartegen Pasolini zijn hele leven streed. De strijd tegen het gedachtengoed van zijn vader werd ook een strijd tegen de man zelf. Toch brengt Pasolini in dit gedicht belangrijke nuances en schakeringen aan. ‘Nu ik onverdiend vierenveertig ben geworden, [….] / zie ik hem buiten mijn geschiedenis staan’. De tijd en de afstand die tijd met zich brengt, stellen hem in staat meer subtiliteiten te zien:

Het einde van het fascisme betekende het einde van mijn vader.
Dat van het fascisme is een excuus waarmee ik mijn haat kan rechtvaardigen,
mijn onterechte haat voor die arme man – en toch moet ik zeggen
dat het haat was, gruwelijk versneden met medelijden.

In verzen die de vader beschrijven als ‘een hersen- en kritiekloos slachtoffer / van de fascistische oorlog’ klinkt nu voor het eerst ook mededogen. Ondanks de haat, stelt de dichter, was er zeker in zijn kinderjaren ook sprake van liefde voor zijn vader, ‘een zinnelijke’. Pasolini probeert te begrijpen waar het misging. Hij ziet een man die de contradicties in zijn eigen leven en handelen niet onder ogen wou zien en dus niet in staat was ze te onderzoeken.

Die interne tegenspraak houdt volgens de dichter verband met het feit dat zijn vader verliefd werd op Suzanna, Pasolini’s moeder, een representant van een kleine, minderwaardige wereld, een wereld ‘van boeren, zwarten haast, een wereld die hij zo verachtte, / hem via haar tot slaaf gemaakt – / maar ook dat begreep hij niet. / Hij begreep niet dat de liefde nu zijn meester was’. De voormalig militair kon eenvoudigweg niet omgaan met de ambiguïteit van zijn eigen gevoelens. Hij was opgeleid in en gewend aan strenge structuren die zijn leven op zoveel domeinen zo lang vormgaf.

Wanneer Pasolini en zijn moeder in 1950 halsoverkop naar Rome verhuizen, laten ze Pasolini’s vader achter ‘met zijn oude officiersjas, / zijn paranoia, zijn levercirrose en zijn afschuwelijke woedeaanvallen.’ Een half jaar later voegt hij zich terug bij het gezin alsof er niets gebeurd is, maar de onderliggende breuk is onherstelbaar. Op het eenvoudige kerkhof van Casarsa liggen de familieleden, door toeval, niet samen begraven, maar gevoelsmatig klopt het wel. Aan de linkerzijde van de toegangspoort rust Pasolini naast zijn moeder onder een eenvoudige grafsteen waarboven een laurierboom groeit en rechts aan het begin van een lange muur onder een arcade bevindt zich de gedenkplaat van zijn vader, met in dezelfde hoek ook een aandenken aan Pasolini’s jonggestorven broer Guido Alberto die aan het eind van de Tweede Wereldoorlog als partizaan het leven liet. Dat was een gebeurtenis die evengoed een impact had op de intieme relatie tussen Pier Paolo en zijn moeder; Guido Alberto’s dood dreef hen nog inniger naar elkaar toe. De herinnering aan zijn broer ontlokt aan de dichter beschouwingen over de vergeefsheid van zijn dood en de gehele partizanenstrijd. Hij acht een transformatie van het engagement noodzakelijk. Het heeft geen zin de oorlogsslachtoffers zoals zijn broer nog langer te bewieroken, stelt hij, want hun antifascistische strijd is vergeten: ‘Ik wil niet naar die heuvels terug, / moge dat duidelijk zijn, niet als toerist en niet als grafzoeker. / Ook ik, ook ik ben hen vergeten.’

Er staat volgens Pasolini een nieuw soort engagement op ontluiken: ‘Pas nu begint het te bestaan. / Nu ook die begraafplaatsen zonder bloemen / beginnen te bloesemen.’

In dit laatste deel van het gedicht gaat hij de meer polemische toer op en doet hij een oproep om ‘dichter van de dingen’ te zijn. Het is immers onmogelijk geworden zich comfortabel moralistisch uit te spreken over de invloed van de consumptiecultuur van de bourgeoisie nu iedereen alvast een kleinburger geworden is. Het verschil kan alleen worden gemaakt in de wijze waarop iemand zijn leven vormgeeft: ‘Vandaag zeg ik jullie dat we ons niet alleen moeten engageren in wat we schrijven, / maar ook in hoe we leven’. De acties van het leven zullen zélf de poëzie zijn, het draait met andere woorden om de expressiviteit van het leven zelf dat oneindig fascinerend is.

Weet je, ik zei je toch, oude vriend, vader
[…]
dat niets zoveel waard is als het leven.
Vandaar dat ik alleen maar wil leven,
ook al ben ik dichter,
want het leven kan zich ook alleen uitdrukken.

Het assemblagegedicht Who is me/ Dichter van de as besluit heel mooi, al dromend over de aankoop van een Saraceense toren in de buurt van Viterbo. Deze Torre di Chia, waar Pasolini aan de watervallen de doopscène uit zijn Vangelo secondo Matteo opgenomen heeft, kan hij in 1970 verwerven. De droom verwerkelijkt zich, hij brengt er de laatste jaren van zijn leven veel tijd door.

Ook in het politieke streven en het reiken naar het poëtische, het transcendente dat zo centraal staat bij Pasolini, speelt het belang van de droom. Het zijn daden van verlangen. Who is me/ Dichter van de as brengt veel samen van dit dichterlijke leven, Pier Paolo Pasolini  is er aanwezig als politiek, sensitief, erotisch en existentieel dichter. Hulde aan Piet Joostens die zijn vertaling nauwgezet en weloverwogen heeft geannoteerd. Hij geeft duiding waar nodig, zonder af te leiden van het gedicht zelf en de lezing al te vaak te onderbreken. Ik wens Joostens de droom en de gedrevenheid van een Pasolini om de lezers van nog meer knappe vertalingen te voorzien.

Een recensie van Who is me/ Dichter van de as van Pier Paolo Pasolini door Liesbeth D’Hoker.

Sabzian, 2025
ISBN 9789090406183

Geplaatst op 23/02/2026

Tags: Daden van onkuisheid, De as van Gramsci, Piet Joostens, Poëzie, Vangelo secondo Matteo, Who is me/ Dichter van de as

Categorie: Poëzie, recensie

Naar boven

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.