Proza, recensie

Met het oog op de klink van de deur in je hoofd

Je zit op een stoel

Bob Vanden Broeck

Het regent sterren voor het zopas bij Koppernik verschenen en prachtig uitgegeven prozadebuut van dichter Bob Vanden Broeck. Enigszins opmerkelijk want Je zit op een stoel is een staaltje experimenteel proza, het gebeuren is er karig. Vanden Broeck tekent het portret van iemand die op een stoel zit, vastgeklonken aan de routines van alledag. Verveeld opent en sluit de ‘jij’ tabbladen, swipet nu eens links dan weer rechts, roert in z’n koffiekopje, nog maar eens, en slaagt er niet in om op te staan. De lof is terecht voor de wervelende manier waarop Vanden Broeck dit stationaire leven evoceert. Door de rijkdom van zijn proza, de inzet van sprekende en frisse beelden, de pulserende cadans en het afwisselende ritme weet hij iets wezenlijks aan te raken. Vanden Broeck zet in zijn schrijven een onvatbare ervaring om in een tastbare ervaring, zijn taalbehandeling wekt een sensitief zinderen.

Water worden

Meer dan om het gebeuren gaat Je zit op een stoel dan ook om de ervaring. De sensatie van iets eenvoudigs als het zitten op een stoel is de bron vanwaaruit dit gelaagde werk ontstaat. Meermaals wijst Vanden Broeck de lezer erop dat het ‘nu onmogelijk [is] om wat er is, de feiten, en wat je ervaart, de gevoelens, van elkaar te onderscheiden. Precies omdat je op een stoel aan een tafel zit, zit je op een stoel in je hoofd en precies omdat je op een stoel in je hoofd zit, blijf je als versteend zitten op de stoel aan deze tafel, net omdat het mentale zitten en het fysieke zitten met elkaar zijn verstrengeld als een foetus met zijn moeder.’

Om deze ervaring te evoceren kiest Vanden Broeck voor de stream-of-consciousness, hij rijgt bladzijdenlange zinnen, vol uitweidingen, vergelijkingen, bijstellingen, tussenwerpsels, interne tegenspraak, … aan elkaar met voegwoorden (en, maar). Het resulteert in een voortdurend proces, een onafgebroken vloeien en wel zonder hoofdstukken, alinea’s of witregels. Talig is er dus niets stars aan zitten op een stoel.

Vanaf de eerste bladzijde wordt duidelijk dat dit schrijven zich onttrekt aan de geplogenheden van traditionele narratieve fictie. De roman is plotloos, de centrale instantie – de ‘je’ op de stoel – kent geen klassieke karaktertekening, er is niet echt sprake van psychologische ontwikkeling, het is niet eens duidelijk of het om een personage dan wel om de ‘jij’ van de lezer gaat. En net deze ambiguïteit, dit niet weten, maakt rijk. Ook het tijdsverloop in deze roman is onvast; nu eens ingedikt dan weer uitgerekt, want onderhevig aan het stromen van de beleving. In feite heb je geen idee hoelang de ik-persoon op die stoel blijft zitten, noch waar het ‘verhaal’ zich precies afspeelt. Is het in een kantoorruimte, vindt het plaats in de woonkamer van de jij-figuur of liever op de stoel waar jij zit, in jouw hoofd als lezer? In de tekst duiken ruimtelijke indicaties op, maar nergens kristalliseren ze tot een vaststaande, concrete plek. Dat maakt immers niets uit, want, zo schrijft Vanden Broeck:

En je had ook ergens anders kunnen zitten, op een andere stoel maar dan had je op die andere stoel precies dezelfde handelingen verricht als op deze stoel, misschien heeft het dus helemaal niets met deze stoel te maken maar met de stoel in je hoofd, nee, misschien bevindt deze stoel zich zowel onder als in jou, zowel in als onder jou, al zou het evengoed kunnen dat het om twee verschillende stoelen gaat, zoals twee gelijkaardige maar afzonderlijke wielen van dezelfde fiets.

Het draait met andere woorden om een vorm van stilstand en wat daaruit voortvloeit: de stromende ervaring van het aanwezig zijn en wat daarin aan het subject verschijnt. Net de onmogelijkheid om los te komen van de stoel schept een subjectieve ruimte waarin herinneringen, angsten, beschouwingen zich met elkaar verknopen. Vanden Broeck laat tal van boeiende thema’s passeren, zoals bedenkingen over het onderscheid tussen het geklokte leven en het gedroomde leven, over het niet langer kunnen wachten, over de vraag in hoeverre het verkieslijk is ‘de daad bij het woord [te] voegen’, en wat dan wel de interessante, de wenselijke, de toelaatbare opties zijn. Treffend en toepasselijk is ook de kwestie van het ware reizen, want zijn het niet net de echte ontdekkingsreizigers die blijven zitten op een stoel?

Zichtbaar maken

Je zit op een stoel speelt met de filosofie van het concrete, de waarneming van de zaken zelf, van de directe leefomgeving. De aandacht ligt bij de dingen, de verschijnselen die zich aandienen aan de belichaamde ‘je’.

o, wat houd je van het schikken van bloemen in een vaas, ja, het schikken van de bloemen opdat die bloemen in die vaas samen uit elkaar kunnen vallen, om dan nog maar te zwijgen over de sterren zelf, flonkerend, hun eindeloze figuren, hun constellaties, de grenzeloze landkaarten! Maar je dwaalt af, dankzij je ogen dwaal je af, en daarom wandel je nu al kijkend terug naar de boom in je hoofd, de berk dus, het roerloze wiegen van de berk dus, de berk, roerloos, wiegend, […].’

De betekenis van wat verschijnt – de bloemen, de sterren, de berk dus – ligt niet in de zaken zelf, maar komt tot stand in onze relatie met de dingen. De ‘je’ smeedt een zintuigelijk, lichamelijk verband met de wereld, veeleer dan dat het een bewuste, cognitieve activiteit betreft, toch in eerste instantie. In oorsprong is onze verhouding met de wereld lichamelijk, de dingen spreken tot ons lichaam en ons leven. Het bewustzijn is dus steeds in wording, onderhevig aan de veranderlijke dingen; je bent je immers steeds bewust van iets. Deze processen, die nauwgezet bestudeerd worden in de fenomenologie, maakt Vanden Broeck aanschouwelijk voor de lezer. In Je zit op een stoel geeft hij op begeesterde wijze expressie aan de talloze manieren waarop de jij – ja, ook jij, lezer – eindeloos in verband treedt met de je omringende wereld, ook al zit je en blijf je zitten op een stoel. De keuze voor een jij-perspectief versterkt dit effect; de waarneming en de waargenomen wereld, lichaam en geest, staan niet alleen onlosmakelijk met elkaar in verband, ook de vertelinstantie en de lezer zijn in dat ene woord ‘jij’ geheel op elkaar betrokken.

De focus op de lichamelijke aanwezigheid van een jij in een leefwereld heeft ook invloed op het tijdsverloop en de tijdsbeleving. Een belichaamde waarneming als vertrekpunt zorgt voor een opeenvolging van nu-momenten.

Zoals het licht nu bijvoorbeeld, licht dat je anders nauwelijks zou opmerken, licht balancerend tussen onzichtbare golven en materie, strijklicht dat nu door de zon traag als een dun, haast transparant laken van de bakstenen muur wordt getrokken en alle voegen in je verlangens simultaan doet openbreken, openspatten, de ontluikende knop van een magnolia, paarsige toortsen in de nissen van ondergrondse gangen in koude kastelen van suïcidale baronessen, gepofte oogballen in gietijzeren kookpotten.

De opeenvolging van dit ‘nu’ culmineert in een nunc stans, een eeuwig nu, waarvan onmogelijk te zeggen is of het om stilstand dan wel om beweging gaat. In de verzonken ervaring wordt de ‘je’ als het ware uit zichzelf, uit de ruimte en uit de tijd gelicht. Wanneer je doordrongen bent van de diepte van het ‘nu’ is je bewustzijn ‘aan gene zijde van ruimte en tijd’, stelt Schopenhauer, jij bent in de dingen en de dingen zijn in jou.

Vanden Broeck mikt hier niet alleen op in zijn werk, maar verwijst ook expliciet naar die beleving van dit eeuwig nu in zinssneden als: ‘omdat je wat is niet kan onderscheiden van wat je ervaart, gaan die eeuwen in deze totale stilstand ook voorbij in enkele minuten’.  De beleving van dit staande nu flirt met de mystieke ervaring. Mij herinnert het bijvoorbeeld aan een middeleeuwse mystica als Julian of Norwich die haar leven van gebed en contemplatie doorbracht in een aan de kerk aangebouwde cel en zo tot een verhevigde beleving kwam. Heeft Vanden Broeck met zijn jij-figuur een hedendaags type kluizenaar gecreëerd gebonden aan een (kantoor)stoel en krijgen wij diens visioenen te lezen?

Je zit op een stoel toont in elk geval wat een rijkdom en vruchtbaarheid er schuilt in de afzondering en het repetitieve. Tijdens het afdalen in de eigen belevingswereld lossen vaste constituerende dimensies als verleden en toekomst op, wat rest zijn enkel die dimensies van de eigen existentie zoals we die beleven in het heden. Dat wat in dat moment relevant is en iets reveleert over de eigen aanwezigheid in het nu, want zelfs als de je terugkeert naar een herinnering, een verlangen, een angst, … gebeurt dat in het nu. Tegelijk leidt elke terugkeer ook terug naar de initiële ervaring die in de oorsprong lichamelijk was en pas in tweede instantie het resultaat van bewuste reflectie. Bij het opdiepen van een vroegere beleving of gedachte voltrekt zich dus een beweging in jou, weliswaar geen werkelijk lichamelijke verplaatsing van de ene plek naar de andere, maar een imaginaire. Zittend op een stoel, verzonken in contemplatie, zijn we dus continu in beweging.

Maar is er ook sprake van evolutie? In de loop van de roman voltrekt zich wel degelijk een verschuiving in de beleving van de jij-figuur, er tekent zich een overgang af van beklemming naar omarming, ook de jij ontdekt de weidse mogelijkheden van het aan een stoel gekluisterd zijn; een ‘nee’ transformeert in een ‘ja’.

Associatief spreken, naderen, ankeren

Aan deze rijke, veelvormige bewustzijnservaring weet Vanden Broeck op indrukwekkende wijze taal te geven. Hij combineert zijn scherp afgestelde observatievermogen met stilistische kunde. De wijze waarop hij speelt met zijn beeldenarsenaal, met de inzet van stijlfiguren, reveleert de dichter die hij in wezen is. In zijn toolkit onder meer: de vergelijking, de paradox, de herhaling, inlassen van intertekst – onder andere referenties aan Paul Snoeks ‘altijd begrijpende water’ dat ook al in zijn dichtbundel opdook, Willem Frederik Hermans’ mus die van het dak valt. Dat Vanden Broeck ook versregels uit het eigen bekroonde poëziedebuut recupereert, benadrukt de eigenheid van zijn idioom en de verwevenheid van zijn werk.

Verschillende recensies vermelden dat je dit 117 bladzijden tellende boek best in een keer of hoogstens enkele bewegingen leest. De tekstuele densiteit werkt inderdaad het best wanneer je je er als lezer aan kan overgeven en gaat meedeinen met dit ritmische schrijven. Toch slaagde ik er tijdens mijn lezing niet in om aldoor bij de tekst te blijven, de vraag om overgave resulteerde evenzeer in een overgave aan mijn eigen binnenwereld. De soms verrassende door de auteur opgeroepen beelden en mijmeringen leidden mij meermaals weg, wat ik best prettig vond. Dat dit meditatieve aspect met gemak oversloeg op mij als lezer vond ik verrijkend, helemaal niet erg dus dat je zo nu en dan een stukje moet hernemen. Vanden Broeck verweeft dit heen-en-weer overigens zelf in zijn tekstcompositie door een spel met woordelijke herhaling. Zinsflarden als ‘de mus die van het dak valt, de gebalde vuist die je in de mond probeert te proppen’, ‘de verkrampte anus’, verschijnen met regelmaat als waren het melodieuze motieven.

Ook integraal is deze roman gebaat bij herlezing. Centraal staat immers het nu-moment van het lezen: dat moment van geduldige afdaling waarop de lezer in het boek zit en het boek in de lezer. De overeenkomsten met het lezen van poëzie zijn onmiskenbaar, en in feite kan je dit werk evengoed als een lang prozagedicht beschouwen. Zoals in poëzie wordt elk spreken hier opgevat als een naderen. Omdat er geen zuivere verbanden zijn – er is steeds zowel nee als ja – kan dit spreken niet anders dan als een niet-afsluitende, steeds opnieuw beginnende stroom worden opgevat, geconcipieerd en ervaren. Op de meest intense momenten weet Vanden Broeck iets van de raadselachtigheid van de wereld te reveleren. Niet toevallig is er een speciale aandacht voor natuurelementen: de berk, de buizerd, de transformerende wolkenformaties, de blauwe reiger, … Stuk voor stuk maken ze deel uit van doorvoelde observaties en fungeren ze als glimpen die zich in de verbeelding van de lezer verwerkelijken. Heel vaak licht Vanden Broeck alledaagse verschijnselen uit, maar wat zich verwerkelijkt is niet noodzakelijk realistisch. Precieze observaties leiden bij Vanden Broeck evengoed tot grappige, absurde en irrationele hallucinaties.

En het sneeuwt binnen, eerst dikke, wollige sneeuwvlokken maar enkele seconden later, na enkele eeuwen dus, blijken het geen sneeuwvlokken te zijn, geen dwarrelende of stuivende sneeuwvlokken, nee, het blijken dikke witte oogballen te zijn die naar beneden vallen, dikke witte oogballen, die zowel omhoog als naar beneden en zowel naar beneden als omhoog vallen, en die zowel van links naar rechts als van rechts naar links stuiven, en terwijl deze oogballen vallen en stuiven, loopt de ene oogbal over in de andere oogbal, muteert de vlok in de vlek, begint de ruimte te dansen in het ritme […]

Een wereld tussen zitten en opstaan

We leven in ontwrichtende tijden, waarom je dan willoos overgeven aan het isolement van een stoel? Vraagt een betrokkenheid op de ons omringende, actuele, zowel tastbare als imaginaire werkelijkheid, niet net om opstaan en handelen? Wat leert de eenling die liever zitten blijft ons over de spanning tussen individu en maatschappij? Spreekt uit de drang om op een stoel te blijven zitten, het bestaan te vernauwen, een vorm van verzet? Is het zitten blijven op een stoel Vanden Broecks manier om als een Bartleby te stellen: I would prefer not to? Toont hij de lezer een vervullende manier om zich te verhouden tot een teveel aan buitenwereld? Je zit op een stoel valt te lezen als een pleidooi voor een aandachtig terugplooien op jezelf in contemplatie, in lezen en schrijven. Een verenging die er geen hoeft te zijn, niet echt. Want in de oriëntatie op het zelf presenteert zich immers zowel de eigen begrenzing als de eigen grenzeloosheid. Het betreft met andere woorden een ervaring die intrinsiek ambigu is. Wie blijft zitten op een stoel erkent dat een volledige helderheid niet tot de mogelijkheden behoort. Lichamelijk verbonden met de wereld zullen we nooit een geheel overzicht krijgen. ‘Absolute waarheid bestaat niet, evenmin als absolute onwaarheid’, zo stelt Merleau-Ponty in Fenomenologie van de waarneming (1945), ‘Zin en on-zin gaan altijd hand in hand.’

Wie stilstaat bij de wereld zoals die direct beleefd wordt, wie openstaat voor de verschijnselen, kan daardoor gegrepen worden. En precies omdat onze relatie met de wereld fundamenteel ambigu is, bestaat de noodzaak tot waarneming. Omdat er geen zekerheid is blijven we ons richten tot de verschijnselen en opent zich steeds ruimte voor herbetovering.  Als ik bij Bob Vanden Broeck zinnen lees waarin hij het gekrijs van meeuwen associeert met dat van brommers, bevind ik me plots op een late zomeravond aan zee, samen met het licht vallen ook de geluiden weg tot enkel het gekrijs van meeuwen en een brommer in de verte overblijft. Vanden Broeck richt met uitgelezen beelden mijn aandacht op het magische verband tussen lichaam en wereld, tussen taal en bewustzijn. Hij maakt tastbaar hoe een zin een beeld en daarmee ook een wereld oproept, hoe het bewustzijn op basis van een paar welgemikte woorden een levendig schouwspel in elkaar zet. Taal is een uitdrukking, zoals een gebaar een uitdrukking is – taal is de belichaming van een gedachte in de wereld, van een sensatie.

Met zijn taalbehandeling brengt Vanden Broeck de vanzelfsprekende betekenissen en structuren aan het wankelen. Door een andersoortig proza te schrijven wijst hij een traditionele, overheersende visie af. Zijn I would prefer not to zet een ander soort zingeving in de plaats. Er is een gebrek aan richting, de richting is richting omleiding zoals Vanden Broeck in de titel van zijn poëziedebuut (2023) aangeeft. Door terug te plooien op jezelf en de gewaarwordingen die zich aan je ontvouwen binnen de beperking van je stoel, valt mogelijk aan manoeuvreerruimte te winnen. Want blijven zitten betekent loskomen van het oneigenlijke, van datgene wat je van je eigen zijn vervreemdt. Zittend op je stoel vervalt de noodzaak anderen gemakshalve na te praten, het eigen denken en doen te plooien naar de anderen, te leven in imitatie. Je terugtrekken op een stoel schenkt de mogelijkheid tot een reset, tot herbeginnen. Vanaf je stoel valt een wereld vol mogelijkheden te ontdekken vanuit je lichaam, vanuit je eigen waarden. Mogelijk brengt dit zitten op een stoel ons enigszins dichter bij de eigen existentie en bewerkstelligt het zelfs een stukje herwonnen vrijheid, want helemaal aan het einde ‘ja, midden in dit hier, kruipend door het oog van een naald, begint, begint, begint, begint [een lichaam] te dansen …’

Een recensie van Je zit op een stoel van Bob Vanden Broeck door Liesbeth D’Hoker.

Koppernik, 2026
ISBN 9789083616261
120p.

Geplaatst op 27/06/2026

Tags: Bob Vanden Broeck, De richting is omleiding, Je zit op een stoel, Koppernik

Categorie: Proza, recensie

Naar boven

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.