Deel Facebook Twitter / X LinkedIn
Je kent ze, al zijn ze niet talrijk, de boeken die lang na afronding nog onder je huid blijven zitten. Tot alles in beweging komt van Ester Naomi Perquin is zo een boek. De roman behoort tot de meest intrigerende die ik in de afgelopen maanden las. Perquin is al jaren een gevierd dichter maar weet zich ook als romanschrijver meteen te onderscheiden. Het gevoel een bijzonder werk in handen te hebben manifesteerde zich van bij de openingszin. ‘De eerste keer dat mijn vader stierf deed hij dat alleen voor mij.’ Zo sterk trapt Perquin af en het blijkt slechts een voorproefje van de knappe, beeldrijke constructies waaruit dit romandebuut is opgebouwd. Overigens hint deze eerste zin al meteen naar de centrale thematiek. Welke verhalen worden verteld en welke verzwegen, wie neemt het woord, wie mag vertellen, hoe werkt zelfcensuur, wat is het effect van een ingesleten zwijgcultuur, …? De verhalen zijn lange tijd van de ik-figuur alleen tot ze besluit het woord te nemen en haar beleving inbedt in een auto-fictioneel narratief.
In Tot alles in beweging komt buigt Ela zich over de gevolgen van stilte, van lijdzaam ondergaan en verzwijgen, van om en over de dingen heen stappen, van decennialang niet-handelen. Ela is een voormalige cipier en auteur van kortverhalen die handelen over het leven van mensen achter de tralies, maar nu ze net moeder is geworden van haar derde kind, een dochter, voelt ze de nood aan verandering. Ook het onafgewerkte boekproject met verhalen over mensen die ergens aan ontsnapt zijn laat ze uiteindelijk schieten om zichzelf uit de stilstand los te kunnen wrikken. Restanten en knipsels van wat mogelijk onderdeel van dit project had kunnen zijn liggen kruimelsgewijs verspreid over de roman, ze markeren de overgang tussen de hoofdstukken. Die laatste zijn op hun beurt fragmentarisch van aard en associatief geweven. Laverend langs snippers herinnering onderzoekt Ela haar eigen leven, haar geschiedenis, emoties en verlangens. Niet langer in ‘aangelijnd en effectief proza’, zoals de kritiek haar werk tot dusver omschreef, maar in een uitwaaierende, levendige stijl, verschuivend in de tijd en variërend in toon.
Familiedynamieken
Compositorisch is er in deze roman veel in beweging, maar onder de fragmentarische afwisseling gloort een chronologische structuur. In het eerste deel beleven we de jaren rond het ziekbed van Ela’s vader vanuit haar kinderlijk perspectief. Uit een gesprek tussen de volwassenen vangt Ela op dat haar vader lijdt aan het ‘klokkensyndroom’. Na een beroerte is hij verlamd en locked-in, schijnbaar volledig bevroren zoals ook de tijd voor hem moet aanvoelen, bedenkt Ela. Perquin zet dit soort scènes geloofwaardig neer, de blik van het lagereschoolkind voelt heel natuurlijk. Over de monitor die naast het bed van de zieke staat merkt Ela op:
In dat kistje werd zijn hart bewaard, verborgen onder een paneel met knopjes en lampjes. Het piepte zacht, precies om de vijf tellen. Ik stelde me dat hart voor als iets kleins en trillerigs; het muisje dat David ooit in de schuur had gevonden en, met grote ogen van ontzag, bewegend in slow motion, in de palm van zijn hand naar binnen had gedragen.
Met haar perspectiefkeuze brengt Perquin lichte en speelse schakeringen aan in het zware. Het is goed toeven in Ela’s levendige verbeelding, ze leidt ons door de kamers van het huis, langs de nieuw geïnstalleerde traplift – de zweef –, de straat op, de klas in. Ze neemt ons mee in haar verhaal over haar vaders dood, die die eerste keer alleen voor haar stierf. Dat hij in feite pas geruime tijd later zijn definitieve adem uitblies, is voor haar inderdaad van geen tel, want het behoort niet tot haar beleving. Niet veel schrijvers komen zomaar weg met het perspectief van het jonge kind; de sfeer krijgt algauw iets gezochts, maar niet hier, hier maakt het de scènes net aanschouwelijker. Je wordt als lezer in de opgeladen verbeeldingsruimte getrokken die erdoor ontstaat.
In het middendeel van de roman belicht Ela haar periode als gevangenisbewaarder. Met mondjesmaat kom je dan ook meer te weten over de extreme kwetsbaarheid en psychische problematiek van de jongste broer David en de gistende gevolgen van een jarenlang toegedekt familiegeheim. Zelf is Ela dan net ontsnapt aan een toxische relatie met P. bij wie ze op jonge leeftijd introk, een bepalende episode waarover ze op het einde van de roman uitgebreider reflecteert. In de loop van de vertelling leer je ook Ela’s eigenzinnige moeder kennen. Wat een heerlijk en onvergetelijk personage; ze grossiert in boude, droogkomische uitspraken en roept tegelijk ontzetting op door de mate waarin ze haar kinderen verwaarloost. Na de dood van haar man verdwijnt de moeder zo goed als volledig in haar binnenwereld, ze sluit zich op in een maniakaal lezen en wordt niet veel later, als ze verhuist naar ‘Schouwen’, ook echt een eilandbewoner. De symboliek van de plaatsnaam is veelzeggend. Ook op latere leeftijd, wanneer Ela zelf moeder is en zwanger van haar derde kind, ontpopt ze zich niet tot typisch omaatje maar blijft ongehoorde meningen over het moederschap verkondigen.
Het is belangrijk om te begrijpen, legt mijn moeder uit, dat kinderen allemaal op een andere manier een beroep op je doen en dat je daar pas achter komt als je ze al rond hebt lopen. Dat ouderschap “in het beste geval voelt als een omhelzing” en in het slechtste geval “als een wurging”. “En het slechtste geval heeft meestal de overhand, dat kan ik tegen jou inmiddels toch wel zeggen?”
Verder is er nog Micha, Ela’s oudste broer, nuchter en evenwichtig en later een succesvol advocaat. Ook hij draagt de sporen van de bewogen familiegeschiedenis, zij het op geheel andere manier, en wil ze bij voorkeur blijven toedekken. Hij reageert dan ook het felst op Ela’s aankondiging autobiografisch te willen gaan schrijven. ‘Volgens Micha kan ik “echt onmogelijk” over papa schrijven, maar desnoods wel “iets over David”’. Zijn terughoudendheid werpt de vraag op van wie het verhaal nu eigenlijk is en leidt tot de vaststelling dat elk gezinslid op basis van de eigen ervaringen in feite zijn eigen verhaal construeert, dat opgroeien in hetzelfde gezin niet garant staat voor eenzelfde vorming.
Ela zet haar schrijfplan door. Nu ze een dochter verwacht, ondervindt ze de noodzaak om haar eigen bestaan te laten herboren worden: ‘het idee dat ik nog een fikse inhaalslag moest maken voordat ik in staat zou zijn een meisje groot te brengen’. En Micha heeft er vrede mee zolang maar duidelijk vermeld wordt dat het om fictie gaat. ‘Uiteindelijk kan ik “natuurlijk alles” schrijven wat ik wil, die ruimte heb ik nu eenmaal en hij zou de laatste zijn die “het vrije woord wil indammen”’.
Een crisis die geen crisis is
De komst van de dochter zet de dingen in beweging, ook literair. Geen verhalen meer waar de auteur moeiteloos kan in- en uitwandelen, geen ‘licht literair amusement’ over misdadigers en hun gruwel waarmee ze bij publiekslezingen moeiteloos scoort. ‘Er was weinig persoonlijks aan wat ik schreef of vertelde; niets was traceerbaar of verwijtbaar.’ Al te lang vermijdt Ela elke vorm van intiem zelfonderzoek en loopt ze met een boog om het verleden heen. Ze laaft zich aan de routine van het wegdrukken, het gemak van het uitstel:
Misschien gaat het altijd zo. Of bijna altijd. Je houdt een bepaald tempo aan en er is nauwelijks ruimte om bezig te zijn met sluimerende onvrede of oude verlangens, ergernis over het telkens herhalen van één bepaald trucje, de grenzen van je relativeringsvermogen, de risico’s van andere opties – je hebt nu eenmaal een huis, kinderen, je moet rekeningen betalen en boodschappen doen. Hooguit praat je er soms over, met mensen die hetzelfde ervaren, die instemmend zeggen dat het nu eenmaal zo is, maar je staat nergens bij stil, niet echt, je moet door, je weet niet wat er gebeurt met achterblijvers?
Er kantelt pas werkelijk iets na een crisis die geen crisis is, veeleer een vertraagde wake-upcall. Wanneer Ela in de trein zit met haar driejarige dochter ziet ze hoe de blik van een forens tegenover haar steeds afdwaalt naar het onderbroekje van haar dochter. Ze registreert de grensoverschrijding wel maar handelt niet. In de nasleep ervan volgt de confrontatie met het besef dat haar kind ook een lichaam is, een mogelijk lustobject, en haar eigen naïviteit hierin, haar onvermogen tot actie. Door hierover na te denken ontwaart ze bepaalde patronen: het gemak waarmee ze telkens over de werkelijkheid heen stapt en elk mogelijk weerhaakje negeert. Het treinincident dwingt haar om de eigen beginselen te herdenken; het navolgen van een feministisch discours staat niet gelijk aan feministisch handelen, zo blijkt. De blik van de forens confronteert Ela met haar jarenlange onvermogen tot transgressie van de stilstand. Perquin trekt hier een mooie parallel met Ela’s rijlessen die ze vroegtijdig stopzet nadat ze bijna de sloot in rijdt, wegens uitgerust met een brein dat niet compatibel is met de rijvaardigheidskunst. ‘Er was iets mis met de manier waarop ik naar dingen keek. Ik registreerde het gevaar wel maar greep niet in; op de een of andere manier wilde ik toch graag zien hoe het af zou lopen.’ Ook het verband met het jarenlange werk aan het ontsnappingsboek is sprekend; ‘verhalen over mensen die hun lot wisten te ontlopen, die hun leven aan het toeval te danken hadden of iets opmerkelijks hadden gepresteerd om weg te komen.’ Op haar manier leeft ook Ela al jarenlang locked-in, de impact op haar werkelijkheidsbeleving en waarheidsvinding is navenant.
Omtrekkende bewegingen
De neiging tot verdwijnen en loslaten betekent in Ela’s geval ook het veilige afgelijnde proza inwisselen voor een dynamisch schrijven dat de intrinsieke verwevenheid laat zien: ‘[…] ik wist toen nog niet hoezeer die dingen samenhingen.’ Perquin brengt suggestieve verbindingen aan die ze met open geest, met een zekere kinderlijke verwondering en op poëtische wijze sensitief aan elkaar rijgt. Deze omtrekkende beweging raakt aan de schemerzones die zich moeilijk rechtstreeks laten benaderen. In de kritiek over Tot alles in beweging komt werd die veelheid aan verhalen opgemerkt en soms geduid als een teveel, maar wat mij betreft raakt Perquin net door deze associatieve verscheidenheid aan een vorm van waarachtigheid. De montage vormt samen een vitaal geheel, een organisch tekstlichaam dat spreekt zonder iets duidelijk omlijnds te zeggen. Het is proza dat je moet ervaren als lezer, beleven en voelen door de onderdompeling in het vibrerend weefsel. Het doet denken aan poëzie: lezen wordt ook hier deels een lichamelijke sensatie, waarbij de betekenis zich manifesteert in de ervaring van het lezen zelf.
Net als bij lyriek geeft deze roman geen sluitende antwoorden. Dat het geheel zich niet volledig laat doorgronden vind ik een plus, ik rijg graag zelf verbanden, word graag actief aan het werk gezet. Bovendien zet Perquin ons niet voor een onmogelijke opgave, de vele romans in één worden geslaagd samengehouden dankzij haar precieze pen. De dynamiek resoneert bovendien sterk met de nieuwsgierigheid en verbeeldingskracht die de binnenwereld van de ik-verteller kenmerken. Ze sluit ook aan bij de manier waarop de excentrieke, compulsief lezende moeder, de psychisch kwetsbare David en zelfs de dichter de werkelijkheid kunnen ervaren. Inbeelding en werkelijkheid lopen daarbij vaak ongemerkt in elkaar over.
Hoezeer het ook stroomt in de verhaalwereld, op zinsniveau blijft Perquin vasthouden aan een zekere nuchtere beheersing. Haar intieme spreken is heterogeen van toon maar steeds behoedhaam, haar stijl nooit zweverig, overdadig of sentimenteel. In concrete alledaagse beelden roept ze een tastbare wereld op, in sprekende metaforen – ‘een mistbank van stof en lawaai’ – en geloofwaardige dialogen. Ze slaagt erin je deel van de verhaalwereld te maken, je bent in de ruimte waar het gesprek plaatsvindt. Ook het spel met structurele parallellen en herhalingen speelt Perquin als geen ander; de gevangenissetting echoot met die van de psychiatrische instelling waar David verplicht verblijft.
Het veelzijdige karakter fungeert ook als ontstaansplek voor de vraagstelling: van wie is het verhaal? – en de ethische component die aan autofictie vastzit. Van de drie kinderen die elk anders terugblikken op hun kindertijd heeft enkel de ik-verteller de macht van het woord. Zij is het die de woorden kiest en er de werkelijkheid mee inkleurt. Net door de veelheid aan verhalen die ze vertelt, brengt ze op haar beurt toch schakering aan en zorgt ze voor nuance.
Naar een plek waar ik niemand in de weg zou lopen
Ela’s beslissing om uiteindelijk zelf het woord te nemen, markeert haar groeiend zelfbewustzijn. Tijdens haar periode als gevangenisbewaarder ontwikkelt ze inzichten over de bepalende invloed van de mannen in haar leven. Ze leert de eigen mechanismen en relaties te doorzien en merkt dat ze zich aangetrokken voelt tot macht als manier om angst op afstand te houden. Als cipier flirt ze met deze positie.
Voor het eerst heb ik een lichaam. Een machtig lichaam, bedoel ik, een lichaam dat onophoudelijk begeerd wordt, niet omdat het strikt genomen mooi is of in enig opzicht opmerkelijk, maar omdat het in deze wereld zeldzaam is.
Van de intimiteit van lichamen die ze moet fouilleren, van de cellen die ze moet inspecteren verschuift het naar het onderzoek van de eigen intimiteit. Ze bekijkt haar lichaam met een klein badkamerspiegeltje, onderzoekt de eigenheid van haar schaamlippen en clitoris. Toch voelt ze zich bovenal comfortabel als inwisselbaar lichaam.
Ze nemen mijn maat op en geven me een uniform. Ze leggen me de gevolgen daarvan niet uit, ze kennen die misschien niet eens. Ik moet gaandeweg zelf maar ontdekken wat een vreemde uitwerking die dienstkledij heeft, op mij, op gedetineerden, op collega’s. Macht bestaat altijd voor een deel uit anonimiteit; niemand herinnert zich mijn gezicht als ik verander in deze functie, ook ikzelf herinner me mijn gezicht niet zodra ik het uniform aantrek, wat me om de een of andere reden oplucht. Het maakt me, in een paar uur tijd, onderdeel van een groep – ik ken dat gevoel niet, niet op deze manier. Ik bedoel: inwisselbaar, grijpbaar, een verlengstuk.
Als gevangenisbewaarder wordt ze getraind in onophoudelijke waakzaamheid, een staat van paraatheid en de besliste inzet van zelfverdedigingsmechanismen, eigenschappen waarvan ze al stevige kiemen in zich draagt. Ela beweegt zich bij voorkeur in een ruimte van strakke vooropgezette patronen en regels, voorspelbaar en veilig. Zoals voor elke bewaker bestaat haar taak grotendeels uit herhaling en wachten. Dat wekt weliswaar verveling op, maar de regels zijn helder en door zich te voegen naar de groep, haar plek te kennen, denkt ze een beroep te kunnen doen op de kracht en de bescherming van de groep.
In deze ruimte beweeg ik eindeloos veel losser, soepeler en vanzelfsprekender dan ik dacht te kunnen. Ik ben samen met de anderen, die me ronddragen, me tussen zich innemen, in me overlopen.
In de gevangenis kan ze simpelweg vergeten dat ze bestaat, opgaan in de massa. Al heerst ook daar willekeur en uit Perquin een niet mis te verstane kritiek op het gevangeniswezen. Maar Ela meent er een beroep te kunnen doen op een voorrecht dat ze als meisje niet kent, maar wel in jongens vermoedt: ‘zoals ze op bankjes hingen met hun capuchons, hun brommers, hun Red Bulls en joints, zoals ze zich bewogen, zo loom, onbespied, inwisselbaar. Ze waren met velen, ze leken onkwetsbaar […]’. Van meisjes wordt dienstbaarheid en onzichtbaarheid verwacht. Een rol waarin ze tijdens haar toxische relatie met P. effectief wordt gedwongen. Ze kan bij hem intrekken, hij zal haar alles leren in ruil voor absolute loyaliteit en bewondering voor zijn grote dromen en plannen.
En zolang je goed oplet, zolang je écht luistert, vanuit liefde en niet vanuit angst, zal hij je blijven voeden met kennis. Want je hebt wel degelijk potentieel, ook al ziet niemand anders dat zo scherp als hij.’
Er is een aanzienlijk leeftijdsverschil tussen Ela en P. maar daar knelt het schoentje niet: ‘Wat zijn jaren uiteindelijk? Een behoefte aan ordening die kleinzieligheid kenmerkt – daar sta jij boven, net als hij. Maar het verschil in ontwikkeling laat zich niet altijd negeren. Kijk naar jezelf, je bent sinds je negende, je tiende nauwelijks het eiland af geweest. […] Hij ziet dat jij beter verdient dan de armetierigheid die je nu omringt. En hij kan het weten.’
Opnieuw en opnieuw wijst P. haar op haar onkunde, haar minderwaardigheid en haar beperkte kennis van de wereld en het leven. Hij beweert haar lief te hebben maar vernedert haar voortdurend en voert een terreur van psychisch geweld waarvan de gevolgen zich nog lang nadat ze weet te ontsnappen manifesteren. Als gevangenisbewaarder neigt ze naar macht, maar ook in haar intieme relaties verdraagt ze geen zachte zorgzame geliefde, geen echte wederzijdsheid uit angst.
Toen ik het met Bram uitmaakte, twee maanden nadat hij voor het eerst bleef slapen, moest hij huilen. Maar ik vond hem steeds aardiger, op zo’n manier dat ik me doorlopend schuldig voelde, om dingen die ik onmogelijk uit zou kunnen leggen. Waarschijnlijk kon ik alleen samen zijn met iemand die wist hoe verdwaald ik was in mijn eigen hoofd, hoe bang en tegenstrijdig en zelfzuchtig ik eigenlijk was […]
Jarenlang zet Ela in op verdwijnkunst als overlevingsmechanisme, jarenlang sluit ze zichzelf op en zit ze andermans strafwerk te maken. Pas met de opgave van het recht om te verdwijnen komt alles in beweging. Enkel door over zichzelf te schrijven kan ze iets van de verlangde vrijheid naleven en de helende werking van het vertellen ondervinden.
Perquin weet in haar romandebuut de diepere lagen in het gewone leven bloot te leggen. Ze evoceert en beschouwt op een indrukwekkende, heldere en humoristische wijze. Het lichte en het zware, de verwondering en de beklemming zijn tegelijk aanwezig. Dat maakt van Tot alles in beweging komt een rijke en gedurfde roman waar je als lezer op veel verschillende niveaus iets aan hebt. Met een lichtvoetige en open geest tackelt ze thema’s die ertoe doen. De zwijgcultuur in gezinnen is zo wijdverbreid, de giftige impact ervan niet te overzien. In prachtige beelden toont Perquin niet alleen de kwetsbaarheid van David, maar ook die van haar hoofdpersonage Ela. Ze evoceert het isolement waartoe de omstandigheden hen al te lang had veroordeeld: de ene nooit in staat ergens lang te blijven, steeds onrustig en ontheemd, de andere als bevroren. Maar gelukkig vliegen zwanen als het moet.
Een recensie van Tot alles in beweging komt van Ester Naomi Perquin door Liesbeth D’Hoker.
Reacties
Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.