De minimumutopie

As Consciousness is Harnessed to Flesh. Diaries 1964 -1980

Susan Sontag

Wrede partner

Is het mogelijk om over een dagboek te oordelen? Zijn de dagboeken van Franz Kafka beter dan die van Sylvia Plath? Een dagboek is geen kunstwerk: de esthetische constructie overstijgt het niveau van de zin meestal niet. Een dagboek kan niet bedacht of ‘overdacht’ zijn; als het dagboek herschreven wordt (met het oog op een lezer) is het niet echt meer. Een dagboek wordt gelezen en is interessant omdat het eigenlijk niet gelezen mag worden. En wat men niet lezen kan, daarover moet men niet schrijven.

Misschien kan een dagboek alleen maar worden gelezen door iemand die geen lezer is, of althans geen goede lezer. Een dagboek moet worden beoordeeld zoals een dagboek geschreven wordt – dat wil zeggen: met alleen zichzelf voor ogen. Zoals de dagboekschrijver over zijn eigen schouder meeleest – Elias Canetti sprak van een ‘dialoog met de wrede partner’ – zo kan de dagboeklezer over de schouder meeschrijven, de pen vasthouden, en op een diepgaande manier meeleven.

Bezorging

Als een dagboek niet op een lezer belust is, kan het evenmin worden gepubliceerd. Canetti vond een dagboek belachelijk als het nog bij leven van de schrijver werd uitgegeven – laat staan dat eruit werd voorgelezen. Dagboeken zijn ruw, onbewerkt materiaal – en ze zijn ook nooit het belangrijkste werk van een ‘auteur’. (Als de dagboeken van Daniël Robberechts als zijn hoofdwerk worden beschouwd – en daar valt iets voor te zeggen – dan is hij een zeldzame uitzondering.) Meestal is er een tussenpersoon nodig in de vorm van een redacteur, die selecteert, corrigeert, en vaak ook transcribeert.

De dagboeken van Susan Sontag (1933-2004) zijn bezorgd door haar zoon David Rieff (1952). In 2009 publiceerde hij Reborn, de dagboeken geschreven tussen 1947 en 1964. In april van dit jaar verscheen As Consciousness is Harnessed to Flesh, uit de periode van 1964 tot 1980. (Een derde en laatste deel is aangekondigd.) In het voorwoord van Reborn benadrukt Rieff dat Sontag geen literaire wilsbeschikking heeft uitgesproken: een paar weken voor ze aan leukemie bezweek, was ze er nog van overtuigd dat ze zou overleven. Haar dagboeken (ongeveer honderd schriftjes) bleken schetsmatig, onvolledig (er waren periodes dat Sontag niet in haar dagboek schreef) en divers van aard. Rieff heeft uit deze overvloed een ruime selectie gemaakt. We weten niet wat hij heeft weggelaten en waarom. We weten evenmin of hij iets heeft veranderd. In elk geval is hij in de tekst zo bescheiden aanwezig, dat die onwetendheid nooit stoort.

Programmaverklaring

Reborn documenteert de adolescentiejaren van Sontag, tot haar dertigste. Op 31 december 1957 schrijft ze ‘On Keeping a Journal’, een vastberaden programmaverklaring voor haar dagboeken: ‘Superficial to understand the journal as just a receptacle for one’s private, secret thoughts – like a confidante who is deaf, dumb, and illiterate. In the journal I do not just express myself more openly than I could do to any person; I create myself.’ Dat voornemen is ze, zo blijkt nu uit As Consciousness is Harnessed to Flesh, trouw gebleven. Niemand kan een dagboek bijhouden zonder zichzelf tot stand te brengen. De creatie van een talig, tijdelijk (in de tekst) vaststaand bewustzijn, is het belangrijkste verlangen achter elk dagboek. Maar Sontag doet meer: haar ego wordt tijdens het schrijven niet streng aangestaard en aangemaand door een superego. Ze probeert niet (of niet alleen) haar eigen kritische geschiedenis te schrijven of te analyseren wat ze heeft gedaan of gezegd. In vele passages is het alsof Sontags superego zelf schrijft en de agenda van haar leven bepaalt. Een dagboek bijhouden wordt als een trainingssessie, waarbij de coach de roeiers door een megafoon toeschreeuwt.

De verlangens en ambities van Sontag zijn vanaf het eerste moment gigantisch en quasi onmenselijk. In 1948 schrijft ze (ze is vijftien): ‘There are so many books and stories and plays I have to read – Here are just a few’ – waarna een lijst van een bladzijde volgt. In het tweede deel van de dagboeken raadt ze zichzelf het lezen af – ze moet immers schrijven! Weer later moet ze ophouden met essays te schrijven (die haar beroemd hebben gemaakt) en eindelijk aan een nieuwe roman beginnen.

Nog verschrikkelijker dan die steeds weer hard bevochten intellectuele discipline zijn de talloze manieren waarop Sontag zich van haar verlangens bewust wordt. Ze beseft telkens dat ze – als naoorlogse, moderne Amerikaanse – in principe met haar leven kan aanvangen wat ze wil, dat haar niets in de weg staat behalve eer, luiheid, conformisme, angst, melancholie en een al te gemakkelijk verlangen naar anderen. Dat kan onsympathiek, hebzuchtig, egocentrisch en bij uitstek Amerikaans klinken; eigenschappen die Sontag al bij leven zijn toegedicht. Ambitie is echter nooit alleen maar een leeg economisch verlangen – je kan niet iets van je leven willen maken door aan alles te verzaken. In 1980 schrijft ze dat haar ‘technisch systeem’ erin bestaat om onafgebroken door de Westerse beschaving te lopen. Ze had erbij kunnen zetten dat ze tijdens die wandeltochten ook iets wilde achterlaten. Als die strategie pathetisch of pretentieus overkomt, is er dan, voor mensen die de onmogelijkheid van het leven ten gronde beseffen, een zinnig alternatief?

Liefdesleven

Niemand kan alleen maar werken of met cultuur bezig zijn. Zo zwalpt Sontag heen en weer tussen het verlangen naar het bewustzijnsverlies dat (in het beste geval) aan gezelschap te ontlenen valt, en de altijd gedeeltelijk opgelegde keuze voor isolement en intellectuele arbeid. De eerste twee delen van Sontags dagboeken (misschien – het valt te hopen – brengt het derde deel verslag uit van de rust in haar relatie met fotografe Annie Leibovitz) lijken te bewijzen dat iemand die zich van die scheiding bewust is tot een ongelukkig liefdesleven is veroordeeld. Om de drie, vier jaar wordt Sontag in de steek gelaten door een partner (meestal een vrouw, soms een man), waarna ze in een diepe depressie belandt en wanhopig op zoek gaat naar oorzaken – ook in dit dagboek, in de passages die het minst fragmentarisch zijn, en die zich vaak tot mini-essays ontwikkelen.

Sontag analyseert haar relatie met de Europese, katholieke Carlotta aan de hand van culturele verschillen. ‘Everyone knows,’ schrijft ze op 17 februari 1970 met een knipoog naar Max Weber, ‘that much more work gets done in Protestant than in Catholic countries.’ Dat verklaart waarom zij zo veel werk wil verrichten en in ‘projecten’ denkt, terwijl haar partner een hele dag languit op de bank kan liggen zonder zich af te moeten vragen of ze wel een ‘ernstig’ leven leidt. In een onhoudbare poging grip te krijgen op een mooie vrouw die ze om onverklaarbare redenen elk moment van de dag nodig heeft, betrekt Sontag de hele cultuurgeschiedenis op de relatie. Het doel: als we de verschillen begrijpen, vormen ze geen probleem meer. Tot plots, op 10 maart 1970: ‘It’s over – just as suddenly, mysteriously, arbitrarily, unpredictably as it began.’ Waarna ze nog op dezelfde dag schrijft (en onderstreept): ‘I don’t want to learn anything from the failure of this love.’

Sontag wil vermijden dat ze nog onbevangen voor een nieuwe liefde open zou staan. Maar is het überhaupt mogelijk om lessen te trekken uit de liefde? Het is een van de vele impasses die in dit dagboek worden gesuggereerd: de liefde kun je niet leren. Eerder het tegendeel is waar: wie eenmaal een relatie heeft zien verzanden in een mislukking, neemt daar meteen ook een abonnement op. De dagboeken tonen Sontags liefdesleven als een opstelling van twee communicerende vaten, waarbij bindings- en verlatingsangst onophoudelijk in elkaar overlopen. Alleen de vloeistoftemperatuur lijkt met de jaren af te nemen. Op 24 april 1971 schrijft ze: ‘Am I through with the search for the perfect ideal symbiosis? Is one ever through with a longing so profound as that one?’ Die vraag kan worden beantwoord door een aforisme van 12 augustus 1978: ‘To be older: to find everyone else pathetic.’

Gekwadrateerd narcisme

De illusieloosheid van Sontag – het algemene onvermogen tot verliefdheid – neemt in de jaren zeventig alleen maar toe, en ze lijkt zich ook steeds meer tegen emotionele schade te pantseren. In 1975 schrijft ze: ‘I’ve constructed a life in which I can’t be profoundly distressed or upset by anyone – except by D[avid] of course. Nobody can get to me, get into my guts, topple me over the precipice.’ Is dat het einde van de adolescentie? Die voorzichtigheid wordt in elk geval weerspiegeld in haar werk en in haar maatschappelijke en politieke overtuigingen. Het is geen toeval dat As Consciousness is Harnessed to Flesh na 500 bladzijden op 30 juli 1980 eindigt met deze onderstreepte notitie: ‘Great subject: the West falling out of love with Communism. End of a 200-year-passion.’ De onmogelijkheid om liefde te voelen voor het communisme (of voor de mogelijkheid van een definitieve en totale omkering van de organisatie van de samenleving) is de keerzijde van de munt waarop de kop van de geliefde staat geperst. De onmogelijkheid van een ‘perfecte ideale symbiose’, waar Sontag in 1971 nog naar verlangde, dringt zich meer en meer op, zowel op maatschappelijk als op individueel vlak.

Toch schrijft ze, in 1976 tijdens een verblijf in Parijs, zonder in- of uitleiding: ‘the minimum utopia’. Sontag bleef inderdaad op zoek naar een ‘minimumutopie’, ook wat betreft de rol die ze nog voor zichzelf als auteur zag weggelegd. In een interview in 1978 met het Franse literaire tijdschrift Tel Quel benadrukte ze dat de intellectueel moet aanvaarden deel uit te maken van de ‘heersende klasse’, om dat besef vervolgens te gebruiken ‘als een basis om specifieke campagnes over echte onderwerpen aan te vatten’. Dat betekent opnieuw niet dat Sontag het zichzelf makkelijker is gaan maken. De voortdurende zoektocht naar ‘ernst’ en ‘echtheid’, naar onderwerpen voor haar kritische campagnes, en dus naar een ethiek of een moraal, werd al snel bijna een dwangneurose. ‘I make an idol of my moral consciousness. My pursuit of the good is corrupted by the sin of idolatry.’ (1970) Dat kan wederom als gekwadrateerd narcisme worden beschouwd: het volstond voor haar niet om naar haarzelf te kijken – ze moest in de spiegel ook nog eens een moraalridderlijk kunstje opvoeren. Tegelijkertijd is het, opnieuw vanuit existentieel oogpunt, een houding die zeer Amerikaans is, of liever: die door Amerika wordt opgewekt. Hoeveel blindheid en wereldvreemdheid zou het vergen om in de VS uitsluitend een gymnast of een ballerina van de geest te zijn – zoals Valéry of Barthes dat in Frankrijk waren? Sontag richtte haar intellectuele en existentiële project tegen haar vaderland, maar zonder ironie of afstandelijkheid. Dat ze na 11 september 2001 in The New Yorker de aanslagen als ‘rechtvaardig’ bestempelde, is daarvan het meest radicale voorbeeld.

Onbemiddeld medelijden

Op 1 juni 1973 schrijft Sontag: ‘When I was an infant, I think, I already knew I had only two choices: intelligence or autism. Being intelligent isn’t, for me, like doing “something better”. It’s the only way I exist.’ De kern van literatuur bestaat erin het geestesleven van implosie te vrijwaren door het tot een tekst te maken – die vervolgens op de wereld wordt losgelaten. Het dagboek is de kleinste, banaalste en bij uitstek private revolutie die in het teken van deze minimale utopie wordt verwezenlijkt. Zoals Patricia de Martelaere – wier project qua ethische ascese zeker niet voor dat van Sontag moest onderdoen (en wier dagboeken hopelijk ooit gepubliceerd zullen worden) – schreef over de dagboeken van Pavese, vertrekt het neerschrijven van het werkelijke leven uit ‘de revolte tegen het alleen-maar-gewone leven’. Het programmatische karakter dat Sontag aan haar dagboeken probeerde te geven, doet daar geen afbreuk aan – eerder integendeel.

Van alles wat Sontag heeft geprobeerd, van de manier waarop zij het schrijverschap als de meest inclusieve levensinvulling heeft gedefinieerd, kan vrij eenvoudig het proces worden gemaakt. Haar gepubliceerde dagboek kan daarbij nu als het meest genadeloze bewijsstuk worden ingezet. De vraag is wie bij zo’n oordeel baat heeft. Want als literatuur een manier is om te tonen wat een mens kan aanvangen met de levenstijd waar nooit om gevraagd is, dan is het dagboek de meest directe en meest bruikbare vorm van literatuur. Zonder kunstgrepen of omwegen, zonder esthetisch of vormelijk plezier, biedt het dagboek van Susan Sontag vele kansen tot onbemiddeld medelijden – uitgeoefend door de lezer, en aangereikt als troost.

Links

Hamish Hamilton, Londen, 2012
ISBN 9780241145173
544p.

Geplaatst op 02/05/2012

Deel:

Reacties

  1. Joris Note

    Zou het dagboek van Daniël Robberechts werkelijk zijn ‘hoofdwerk’ kunnen zijn? Het is ieders recht dat te vinden, maar we moeten dan goed beseffen dat er geen harder of geringschattender oordeel over deze schrijver denkbaar is. Robberechts hechtte veel belang aan zijn dagboek maar zag het uitsluitend als een document van een willekeurig individu (slechts toevallig een schrijver) – dus als af- of uitscheiding, en niet als ‘werk’, niet als iets wat ‘geschreven’ was.
    Nogmaals, iedereen mag denken wat hij of zij wil. Maar ik zou – twintig jaar na de dood van Robberechts – ervoor willen pleiten om nog eens wat aandacht te geven aan zijn échte werk (‘Tegen het personage’, ‘Aankomen in Avignon’, ‘Praag schrijven’…); ik heb het gevoel dat sympathie voor het dagboek soms als alibi dient om dat echte werk te kunnen verwaarlozen. De vraag is niet in de eerste plaats of die geschreven boeken helemaal geslaagd zijn, wél of ze voor onze literatuur niet bepaalde mogelijkheden openden die later grotendeels ontweken werden.
    Overigens, het lijkt me weinig zinvol algemeenheden te verkondigen over ‘het’/’een’ dagboek, zoals bij het begin van deze recensie gebeurt.

    Beantwoorden

  2. Christophe Van Gerrewey

    Een aantal subtiele suggesties, die ik hopelijk tot een paar vragen mag expliciteren. Zijn de dagboeken van Robberechts helemaal geslaagd of integendeel helemaal niet? Is de manier waarop hij zijn dagboeken heeft gepubliceerd en ook (met het oog op publicatie bij leven) heeft geschreven (al zijn ze dus niet ‘geschreven’) niet hoogst uitzonderlijk en zelfs buitengewoon? Hebben zijn dagboeken dus intrinsieke kwaliteiten, of zijn ze alleen genietbaar omdat ze wél bepaalde mogelijkheden geopend hebben voor onze literatuur die later niet grotendeels ontweken werden? En als het, om nog verder te gaan, zinloos is om een houding te definiëren voor de lectuur van een dagboek, zijn de door mij verkondigde algemeenheden dan zo specifiek dat ze, bijvoorbeeld, enkel op het dagboek van Sontag van toepassing zijn?

    Beantwoorden

  3. Joris Note

    Misschien zijn uw vragen wat te veel voor het genre ‘internetreactie’? Toch een paar korte opmerkingen.
    Geslaagd of niet geslaagd, dat lijkt mij een vraag die hier niet van toepassing is, juist omdat een dagboek als dat van DR geen prestatie is maar een document: als zodanig niet goed of slecht, maar bijvoorbeeld interessant of oninteressant – met alle mogelijkheden daar tussenin.
    Tweede vraag: ja, wat hij op dat punt deed was heel bijzonder. Maar er zijn wat caveats nodig; bijvoorbeeld, voor zover ik weet is DR slechts laat gaan denken dat het dagboek dat hij aan het schrijven was wellicht nog tijdens zijn leven gepubliceerd zou worden, en dan nog denk ik niet dat hij het geschreven heeft ‘met het oog op lezers’.
    Derde vraag: zelfde probleem als bij de eerste, wat betekent ‘kwaliteiten’ hier? En ik geloof niet dat die dagboeken literaire mogelijkheden geopend hebben, daar ging het ook niet om; de relatieve aandacht die ze krijgen heeft volgens mij te maken met hun ‘curieuze’ karakter, niet met literatuur; nogmaals, ze helpen (allicht zonder dat er kwade bedoelingen in het spel zijn) om het echte werk van de schrijver te verdonkeremanen (in plaats van, zoals het hoort, er een achtergrond aan te geven).
    (Tussen haakjes: geschreven en ‘geschreven’: dat maakt echt wel een enorm onderscheid bij iemand die al schrijvend elke zin steeds weer om en om draaide en bewerkte.)
    Ten slotte: mijn opmerking over ‘algemeenheden’ sloeg alleen maar op het feit dat er tussen dagboeken zulke geweldige verschillen zijn in bedoeling, schrijfmethode, publicatiewijze… Je leest de dagboeken van DR niet op dezelfde manier als die van Hans Warren.
    Bij dit alles is zeker meer toelichting en nuancering nodig, maar hopelijk volstaat het voorlopig.

    Beantwoorden

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.