Poëzie, Recensies

De verbeelding van de archipel

Een veld van eilanden

Édouard Glissant

Édouard Glissant (1928-2011), geboren op het eiland Martinique, wordt beschouwd als een van de belangrijkste eigentijdse schrijvers van de Franse Antillen. Zijn uitgebreide oeuvre omvat poëzie, romans, toneel, essays, politieke manifesten en interventies in dagbladen en tijdschriften. In 1992 wordt Glissant genomineerd voor de Nobelprijs voor literatuur, maar die gaat dat jaar naar Derek Walcott (1930-2017), die andere grote Caribische schrijver. De moderne geschiedenis van Martinique – en van de Caribische archipel als geheel – is het directe gevolg van de trans-Atlantische slavenhandel, de kolonisatie, de strijd tussen de Europese grootmachten en de culturele métissage als gevolg van dat alles. Martinique, in 1635 door Frankrijk gekoloniseerd, is nu een Frans departement en daarom, op duizenden kilometers afstand, een integraal deel van de Europese Unie. Die historische, geografische, sociale, culturele en linguïstische complexiteit van het eiland is de rijke voedingsbodem van het schrijven en denken van Édouard Glissant.

 

Creolisering

De jonge Glissant zit op de schoolbanken samen met Frantz Fanon (1925-1961) en krijgt er les van Aimé Césaire (2013-2008), twee van de hoofdrolspelers in de naoorlogse antikoloniale strijd en wegbereiders van de postkoloniale theorievorming. Fanon schrijft met De verworpenen der aarde (1961) zowat de bijbel van het antikoloniale verzet en Césaire introduceerde midden jaren dertig het begrip ‘négritude’, dat een belangrijke rol speelt in de zwarte politieke en culturele emancipatie. In 1946 gaat Glissant met een beurs naar Parijs en studeert er geschiedenis, filosofie en etnografie. Zijn schrijverschap ontwikkelt zich de daarop volgende decennia in nauwe dialoog met de belangrijkste intellectuele bewegingen op het continent: het surrealisme, het existentialisme, de deconstructie en het werk van Deleuze en Guattari. Daarnaast is Glissant ook politiek actief. In Frankrijk maakt hij deel uit van de separatistische beweging Antillo-Guyanais pour l’Autonomie. Dat levert hem van 1961 tot 1965 het verbod op om Frankrijk te verlaten. In 1965 keert hij terug naar Martinique en richt er het Institut martiniquais d’études op en het tijdschrift Acoma. Tussen 1982 en 1988 redigeert hij de nieuwsbrief van de UNESCO. Daarna  doceert hij literatuur aan de Universiteit van New York.

In het begin van zijn literaire en intellectuele carrière zet Glissant zich sterk in voor de onafhankelijkheid van Martinique in een federatie van Caribische staten. Vanaf het begin van de jaren tachtig begint hij steeds meer vraagtekens te plaatsen bij de idee van de natie als een intermediair voor een gemeenschap om een culturele identiteit op de eisen. Vooral zijn romans getuigen van zijn groeiend pessimisme over de vraag of Martinique een nationaal bewustzijn kan ontwikkelen: als dubbel slachtoffer van enerzijds zijn koloniale afhankelijkheid en anderzijds zijn niet ter discussie gestelde tradities, slaagt het eiland, volgens Glissant, er niet in zijn vervreemding op te heffen. In zijn belangrijke verzameling essays Le Discours antillais (1981) ontwikkelt Glissant een breed historisch perspectief op de psychische, economische, sociale en culturele desintegratie van Martinique en op de groeiende afhankelijkheid van het Franse model. Het geweld van de slavenhandel en de brutaliteit van de kolonisatie hebben het collectieve geheugen gewist en de Afrikaanse identiteit en talen zo goed als volledig vernietigd. In latere geschriften krijgt die culturele kaalslag naast zijn destructieve en traumatische impact echter ook een meer ‘positieve’ interpretatie. Glissant gaat in de culturele fragmentatie en het instabiele zelfbesef die de Caribische archipel kenmerken de mogelijkheid zien tot een nieuwe vorm van identiteit: open, beweeglijk, gemengd. De plantages waarop de Afrikaanse slaven te werk werden gesteld, zijn niet alleen een plek van trauma, verlies en pijnlijke herinnering, maar ook de geboorteplaats van een nieuwe wereld die bestaat uit vermenging en creolisering. Hij plaatst niet alleen al heel vroeg vraagtekens bij de ‘négritude’ van Césaire en Léopold Senghor (1906-2001), maar later ook bij de ‘créolité’, een nieuw begrip ontwikkeld door de Martinikaanse schrijvers Patrick Chamoiseau (1963), Jean Bernabé (1942-2017) en Raphaël Confiant (1951). Terwijl de négritude-beweging vooral de nadruk legt op de Afrikaanse oorsprong van de Antillen, wijst de créolité-beweging op een complexere erfenis met Indische, Europese en Chinese invloeden. Hoewel Glissant de verdienste van beide bewegingen erkent en verdedigt, wijst hij ze toch af. Hij vindt ze te generaliserend, te abstract en te fixerend. Hij geeft de voorkeur aan ‘creolisation’ (‘creolisering’) omdat daarmee een voortdurende beweging en permanent proces wordt aangegeven.

Die creolisering gaat Glissant meer en meer begrijpen als een beweging die zich in de hele geglobaliseerde wereld voltrekt. Het gaat om een identiteit die niet langer opgebouwd is vanuit oorsprong, filiatie en traditie, maar vanuit versnippering, verspreiding en toevalligheid. Het idee van ‘roots’ wordt vervangen door het deleuziaanse ‘rizoom’, een vertakte wortel die zich eerder horizontaal dan verticaal ontwikkelt. Glissant legt steeds meer nadruk op wat hijzelf ‘Relatie’ (altijd met hoofdletter) noemt – tussen verschillende plekken in de wereld. Hij noemt dit ‘le Tout-Monde’. Het is een visie op de hele wereld als een netwerk van gemeenschappen die met elkaar interageren en steeds wisselende culturele formaties vormen. Het beeld dat hij daarvoor graag gebruikt is dat van de archipel, die in de eerste plaats naar de Caraïbische eilandengroep en zijn complexe en gemixte identiteit zelf verwijst. Die ‘pensée archipélique’ plaats hij tegenover de ‘pensée continentale’. De ‘pensée archipélique’ zet zich af tegen de universele en de essentialistische claims, de transparantie, de rationaliteit, de hiërarchie en de systematiek van het continentale denken en pleit voor het particuliere, het meervoudige, de opaciteit, het toevallige, het vrije spel van de verbindingen.

Gekoloniseerde landen zijn meer geschikt om ‘in Relatie’ te gaan dan de koloniserende landen. Maar de ‘Relatie’ is al dialectisch aanwezig in het koloniale project zelf. Door de kolonisatie en de dekolonisatie zijn naties gedwongen om met elkaar in contact te komen. Het imperialistische project om te domineren en te integreren heeft zich uiteindelijk tegen zichzelf gekeerd. De hele wereld met zijn chaotische en niet te vatten verscheidenheid is nu aanwezig in iedere grote stad. De kolonisering was paradoxaal de eerste stap in de hybridisering van de moderne wereld.

 

Een zee van eilanden

Glissant is niet of nauwelijks in het Nederlands vertaald. Ligt dat aan de relatieve moeilijkheid ervan? Gezien de breedte en de diepte, de ernst en de nuance van zijn werk, is dat een gemis. Vooral in een tijd als de onze, die zich steeds meer kenmerkt door scherpe politieke en culturele polarisering, door onbuigzame identitaire claims en door expliciete en impliciete vormen van racisme en uitsluiting. Glissants oeuvre is niet alleen een belangrijke bijdrage tot de traumatische geschiedenis van de slavernij en van de complexe (etnische en linguïstische) geografie van de Cariben, maar het heeft ook een woordenschat voortgebracht om de dynamiek te beschrijven van de naoorlogse postkoloniale en multiculturele geglobaliseerde wereld. Zijn pleidooi voor een open en beweeglijke identiteit die zichzelf niet vanuit een vaste essentie maar vanuit voortdurend veranderende relaties definieert, is daarom actueler en noodzakelijker dan ooit.

Met de tweetalige Frans-Nederlandse poëziebloemlezing Een veld van eilanden, vertaald en ingeleid door Jan H. Mysjkin, wordt iets van Glissants afwezigheid in de Nederlanden goedgemaakt. Maar toch is de bloemlezing een gemiste  kans om hem op een behoorlijke manier in ons taalgebied te introduceren. Glissant heeft twee poëtische periodes in zijn schrijversloopbaan gehad. Een zeer vruchtbare periode is die tussen het einde van de jaren veertig en 1960. Nadat hij zich gedurende twintig jaar bijna uitsluitend op het schrijven van romans concentreert, verschijnen vanaf het begin van de jaren tachtig opnieuw dichtbundels (en veel essays). Mysjkin koos één kort en drie lange gedichten, uit Glissants debuut Un champs d’îles (1953), Le sel noir (1960), Le sang rivé (1961) en Les grands chaos (1993).  Die keuze wordt jammer genoeg nergens verantwoord. Ook de zeer summiere inleiding doet weinig recht aan het belang van Glissant als schrijver én als denker. Poëzie moet in de eerste plaats voor zichzelf spreken, maar de literaire en filosofische intensiteit van Glissants oeuvre vragen om duiding en context.

Zijn reputatie en bekendheid dankt Glissant vooral aan zijn romans en zijn beschouwend werk, maar toch is het niet fout te beweren dat hij in de eerste plaats een dichter is. De poëzie en het spel met, ritmes en rijmen, beelden en verbindingen zijn de bron van zijn schrijven en denken. Glissants romans en zijn essays wijken vaak ver af van wat er traditioneel onder die termen wordt verstaan, precies omdat hij de poëzie van de taal inzet om zowel de klassieke vertelling als het filosofische concept open te breken, beweeglijk en vloeibaar te maken. Het is geen toeval dat ‘de zee’ met zijn vele betekenissen een van de centrale beelden in zijn oeuvre is.

Glissants krachtige beeldende poëzie – zowel beïnvloed door Europese dichters als Mallarmé, Rimbaud en Breton als door Antilliaanse dichters als Césaire en Saint-John Perse (1887-1975) – bezingt de geschiedenis van Martinique, zijn trauma’s, zijn gebroken herinneringen en zijn versplinterde identiteit. In Een veld van eilanden (1953) duiken flarden op van herinneringen aan Afrika, aan de gruwel van de slavenhandel en aan de Atlantische overtocht:

 

Daar slapen de tamtams

In slaap dromen ze van fakkels

Hun droom ruist in het getij

In de ondergrond van afgemeten woorden

 

Hun droom deint in onze ogen

Panische angsten en maalstromen

Woeliger dan de woeste wildernis

Wanneer diegene komt met klare woorden

 

Bloedige schoonheid van golven

O het is een wond een wond

Waarin de hemel danst, plechtig en traag

Bij het zien van zulke naakte mannen

 

De ‘afgemeten woorden’ en de ‘klare woorden’ zijn ongetwijfeld de woorden van de (Franse) kolonisator die met zijn cartesiaanse helderheid de wereld methodisch opdeelt en onderwerpt. Maar tegenover dat rationele woord zal zich een ander spreken ontwikkelen – een ‘contre-poétique’ noemt Glissant het – geboren uit pijn en diep verbonden met het lichaam, een ‘bloedige schoonheid’:

 

Welke onbuigzame gedachte loopt door

De vezels de sappen de spieren

Werd uit pijn een woord gemaakt

Een nieuw woord dat zich vermenigvuldigt

 

Op het einde van het lange gedicht breekt de kracht van dat nieuwe woord volledig door. De laatste regel breekt zelfs uit de vierregelige strofische structuur waaruit het hele gedicht is opgebouwd. Niet toevallig komt precies daarin opnieuw de zee ter sprake:

 

In dit geluid van broederschap

De steen en zijn korstmos mijn juist

Maar levendig woord morgen voor u

Als razernij in het zachte zilt

 

Ik maak mezelf tot zee waarin het kind zal dromen

 

In latere bundels, vanaf Le grand chaos (1993), wordt het vers losser, de syntax vloeiender, de taal zoekender en rizomatischer. Maar de beelden van de zee en de reis blijven Glissants poëzie bespoken, zoals in het gedicht Het ontvreemde oog uit deze bundel, over een tocht over de Nijl die ook een tocht door de tijd is:

 

In bronzen vuren ruikt hij over het water, wijst de halte aan

we rusten in de roerloze vruchten, we stamelen

een meisje bezoekt ons, met wangen zwart van een onvermoeid smeekgebed.

 

‘Mijn beminde lichaam mijn beminde lichaam’, zucht de ochtend op de boot,

‘onderwijs hun de wierook van mimosa, de geur van inkt,’ de lans van een blik

gedreven in het vuur van een manke pottenbakker.

 

Nu is het nacht, de dagtocht heeft zijn bijenkorf in de stilte neergezet.

Een ster tekent met aquavit zijn bejaarde droom.

Scherven branden half.

 

Daar gaan we weer! Op weg! – !Vaya! – En nu al deze spreekwijzen die het stof vervlechten.

 

 

Relatie

De poëzie – en dat geldt ook voor de romans – van Glissant is niet makkelijk toegankelijk. Het intense lyrisme ervan heeft weinig of niets met herkenbare persoonlijk emoties te maken. De epische dimensie ervan verwijst naar een verhaal dat zich niet makkelijk laat vertellen en voor de buitenstaander hermetisch aandoet. Het begrip ‘opaciteit’ is trouwens een belangrijke term in zijn denken. Het is een strategie in zijn ‘contre-poétique’, een strategie tegen de taal van de kolonisator, een strategie om een dam op te werpen tegen diens verlangen om alles te vatten en te bevatten, ook de andere, vooral de andere. ‘Opaciteit’ heeft te maken met de limieten van het westerse kennismodel en met zijn ambitie om alles te begrijpen. Dit heeft onmiddellijk repercussies op de vertaling van dit soort poëzie en van poëzie en literatuur in het algemeen. Glissant schrijft dan wel in het Frans, de taal van de kolonisator, maar binnen die taal zoekt hij naar een andere taal – een opake taal – om de historisch verdrongen en miskende ervaring van de gekoloniseerde uit te drukken. In Poëziekrant (mei-juni 2020) haalt Bart Vonck uit naar de vertaling van Mysjkin. Hij heeft het over ‘slordigheid’ en ‘scheefheid’, maar geeft slechts één concreet voorbeeld, wat niet voldoende is om zijn harde oordeel te staven. Vonck beweert daarnaast dat Mysjkin er niet in slaagt het ‘bezwerende ritme’ van Glissants poëzie in het Nederlands over te brengen, maar toont dat niet aan. Verder pleit Vonck voor een collectief aan vertalers om moeilijke poëzie als die van Glissant te vertalen en stelt een uitsplitsing voor van de vertaling in een poëtische én een letterlijke vertaling. Vertalen (vooral van niet-westerse teksten) is cruciaal voor wat Glissant ‘Relatie’ noemt – de respectvolle en evenwaardige uitwisseling tussen culturen – en moet daarom ernstiger dan ooit genomen worden. ‘Relatie’ is vertaling. En vertaling is wellicht een van de meest concrete manifestaties van ‘Relatie’. Het recht op en het respect voor ‘opaciteit’ staan daarin centraal. Ik wil in dit verband de Arabische dichter Adonis aanhalen, in een gesprek over vertalen met de Chinese dichter Yang Lian:

 

Een vertaling breekt uit een gedicht een paar dingen los, en in wezen komt dit proces neer op een vernietiging. Maar ik wil toch graag met nadruk zeggen dat ik tegen zo’n vernietiging geen enkel bezwaar heb. De vertaling verwijdert zich heel ver van het origineel, ze wordt ondernomen in een andere culturele context. Het is onmogelijk om de betrekking tussen de woorden en de dingen te vertalen of de beelden en de metaforen met al hun ondoorgrondelijke betekenissen. Maar als compensatie voor de vernietiging verschaft de vertaling je de overdracht van heel bepaalde verlangens.

 

Wat Adonis duidelijk probeert te maken is dat een vertaling nooit het origineel en zijn betekenissen kan vatten, maar dat dat geen reden mag zijn om niet te vertalen. In het proces van ‘vernietiging’ enerzijds en ‘overdracht van heel bepaalde verlangens’ anderzijds’ ontstaat er toch communicatie. Een veld van eilanden is een tweetalige uitgave. Het origineel en de vertaling liggen er als een kleine archipel van twee eilanden waartussen de lezer kan bewegen zoveel hij wil en noodzakelijk vindt. Hij kan het proces van vernietiging en compensatie mee voltrekken en beoordelen. Mijns inziens is de balans in de vertaling van Mysjkin positief. Ik volg Bart Vonck wel in zijn oproep om vertalen én ernstiger te nemen én meer te problematiseren. Vraag is natuurlijk hoe dat precies moet.

Voor Glissant is ‘Relatie’ (en dus communicatie) alleen maar mogelijk omdat er ‘opaciteit’ is. Die is niet alleen cruciaal voor Glissants ethiek maar ook voor zijn esthetiek, voor zover het mogelijk is om bij hem een onderscheid tussen beide te maken. Ik citeer (in eigen vertaling) een langer fragment uit zijn Introduction à une poétique du divers (1996), waarin hij zijn opvattingen over de ontmoeting met poëzie én met de ander in een chaotische geglobaliseerde wereld in elkaar laat overlopen :

 

Deze literaturen waarvan ik het verschijnen voorvoel, deze literaturen van de wereld, zijn, denk ik, alleen maar mogelijk als we van bij hun komst, op de plek waar we zijn en van waar we hun verschijning verwachten, dat affirmeren waar ik in geloof en wat ik, met betrekking tot de identiteitsproblematiek, het recht van eenieder op opaciteit noem.

In onze planetaire ontmoeting van culturen die we als een chaos ervaren, lijkt het alsof we ons niet meer kunnen oriënteren. Waar we ook kijken, zien we catastrofe en agonie. De chaos-wereld maakt ons wanhopig. Maar dat komt doordat we nog steeds proberen er een soevereine orde in aan te brengen die de totaliteit-wereld opnieuw tot een eenheid reduceert. Laten we de utopische verbeeldingskracht ontwikkelen om deze chaos niet als de  apocalyptische chaos van het einde van de wereld te zien. De chaos is mooi wanneer we alle elementen als gelijkwaardig en noodzakelijk begrijpen. In de ontmoeting van de culturen van de wereld moeten we de verbeeldingskracht hebben om in alle culturen zowel het streven naar eenheid als het verlangen naar bevrijdende diversiteit te zien. 

Daarom eis ik voor iedereen het recht op opaciteit op. Het is niet langer noodzakelijk om de andere te ‘begrijpen’, dit wil zeggen hem te reduceren tot het model van mijn eigen transparantie, om met deze andere samen te leven of samen te werken.

Het recht op opaciteit is vandaag het meest duidelijke teken van het niet-barbaarse. En ik beweer dat de literaturen die zich gaan ontwikkelen en die we verwachten zullen schitteren met alle licht en alle opaciteit van onze totaliteit-wereld.

 

Het is een indrukwekkende synthese van Glissants wereldbeeld. De wereld als een chaotische, niet te reduceren totaliteit van verschillen die geen apocalyps voorspellen, maar de voorwaarde zijn voor schoonheid en niet-barbarij, precies omdat ze een zekere mate van opaciteit behouden. In politiek handelen en in een militant programma is een dergelijke houding niet makkelijk te vertalen. Concepten als natie, identiteit, cultuur en traditie helpen niet om vorm te geven aan het precaire ‘wij’ van deze ontmoeting. Het is geen toeval dat Glissant in zijn latere geschriften steeds meer de nadruk is gaan leggen op de kracht van de verbeelding om dit mogelijk te maken. Zijn poëzie is wellicht de meest geschikte plek om de wereld te leren zien als een nieuwe ruimte zonder de hiërarchische oppositie tussen centrum en periferie, als een utopisch veld van mogelijke trajecten waarin mensen op een open, niet-imperialistische manier kunnen bewegen en zo de noodzakelijkheid van ieder element als schoonheid kunnen ervaren. De hoger geciteerde dichtregel ‘Ik maak mezelf tot zee waarin het kind zal dromen’ vat dit levensideaal perfect samen.

Uitgeverij Vleugels, Bleiswijk, 2019
Vertaald door: Jan H. Mysjkin
ISBN 978 90 78 627 876
64p.

Geplaatst op 19/02/2021

Tags: Aimé Césaire, Dekolonisatie, Édouard Glissant, Een veld van eilanden, Frantz Fanon, Jan H. Mysjkin, Kolonisatie, Martinique, Slavernij

Categorie: Poëzie, Recensies

Reacties

  1. Joris Note

    Voor zover ik kan nagaan heeft Glissant evenmin als Frantz Fanon les gekregen van Aimé Césaire, ook al wordt dat vaak beweerd; op de een of andere manier hebben ze hem wel ‘ontmoet’, als leerlingen van het lyceum waar hij werkte, en zijn ze door hem beïnvloed. Het is ook erg onwaarschijnlijk dat Fanon (1925) en Glissant (1928) samen op de schoolbanken gezeten zouden hebben, ik meen me te herinneren dat ze elkaar pas na de oorlog leerden kennen. Overigens, Glissant is nu nogal in de mode, hier en daar, maar in een wereld van racisme, onderdrukking en uitbuiting klinkt het citaat uit ‘Introduction à…’ volgens mij nogal hol.

    Beantwoorden

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.