Deel Facebook Twitter / X LinkedIn
In het werk van Bart Meuleman worden regelmatig romantische kunstenaars als hoofdpersonage opgevoerd. In zijn autobiografische bildungsroman De jongste zoon (2014) probeert de schrijvende hoofdpersoon een identiteit te vormen door zich te spiegelen aan bewonderde voorbeelden. Hij creëert daarmee een mythe (en ontmaskert die vaak in dezelfde adem) rondom de persona van de kunstenaar als einzelgänger, een schepper-vernietiger die zijn bescheiden afkomst meetorst als een molensteen. In de autobiografische verhalenbundel Wij zijn nooit alleen (2021) is het verbindende personage ook schrijver, maar is zijn artistieke blik op de wereld wat veranderd. Nukkig en een tikkeltje dweepziek wordt de oudere verteller heen en weer geslingerd tussen verveling en oprechte fascinatie voor wie hij tegenkomt en wat hij meemaakt: ‘Er zou nog iets moeten gebeuren. Maar wat?’
Waar Meuleman in De jongste zoon het gloedvolle schrijven van gedichten nog verheerlijkte als de manier om zich los te zingen (in zijn kenmerkende gebalde stijl), rekende hij daar in Wij zijn nooit alleen juist mee af. Het heeft ook te maken met de levensfase. ‘Het gezin staat op gespannen voet met de poëzie.’ De ik-figuur stelt vast dat hij als dichter nooit volwassen is geworden. In een van de verhalen maakt hij de balans op van het late dichterschap: ‘Zo is het liefste.// We willen wel.// We komen niet van de grond.’
Kroniek van een kunstzinnige broekschijter
Met het gevoel niet van de grond te kunnen komen laat Meuleman zijn hoofdpersonage van zijn recente roman Een distel in bloei eveneens worstelen. Schilder Modest Dams droomt zo erg van een leven als groot kunstenaar dat het zijn levensloop bepaalt. Zijn naam is bescheiden en ‘oervlaams’ en verschilt flink met namen als Mandelson of Muerbergen: ‘Namen als klokken. Zo heetten echte schilders.’ Om nog maar te zwijgen van de wereldwijze Geo Crux, door Dams om zijn compromisloze levenswandel heimelijk benijd. Velen fantaseren over de buitelingen van zwaluwen, maar Dams voelt zich, geworteld in de Kempense zandgrond van zijn geboortestreek, verbonden met hazelwormen en mollen. In tegenstelling tot Meuleman blijft hij er zijn hele leven wonen.
Soms zou hij liever in de grond verdwijnen. Tijdens de bezetting duikt Dams onder in het souterrain onder het varkenskot van de boer Klijt Moeskops. Dreigt er gevaar, of wordt het hem ingefluisterd door zijn paranoïde inborst? Probeert hij zijn verantwoordelijkheid als echtgenoot en vader nog wat langer te ontlopen? Hij kruipt onder de grond en oefent op behangpapier zijn tekenkunst, zijn vrouw Ludwine staat er met hun pasgeboren zoon in tussentijd alleen voor.
Meuleman schildert Dams af als een heimelijke broekschijter, die zijn roeping als kunstenaar heel ernstig neemt, maar door zijn opportunisme wel vaker in een oncomfortabele spreidstand terechtkomt. Hij wil zich engageren (niet voor niets gaat hij bij het verzet), maar hij waakt ervoor om echt iets te riskeren. Voor zijn vrienden springt hij in de bres, als het moet, liefst niet te veel. Ondertussen leest hij Sartre en dubt hij over een manier om zich te onderscheiden. Door dieren te schilderen in groteske kleuren klaagt hij het valse optimisme van de animisten en het menselijke lijden aan, alleen is de oorlog dan al achter de rug.
Strakke compositie, expressieve beeldtaal
Een distel in bloei heeft een klassiek verloop. In het eerste deel ‘Lange winter’ vallen het geploeter en de ontberingen samen met de trage lancering van Dams’ carrière. In het daaropvolgende deel ‘Vroege lente’ komen de vette jaren van erkenning. ‘Dams is de enige Vlaming die geen kleine Picasso’s maakt’, zou Picasso zelf hebben gezegd. Op de Biënnale van Venetië hangen zijn schilderijen tussen de allergrootsten. Wat doet dat met een stille schilder, die, ook als het goed gaat, lijdt aan de ziekte van de provincie?
De bloei luidt bij Meuleman automatisch ook al het verval en de neergang in. Schept hij er in de eerste twee delen nog plezier in om de schilder met zijn zelfkritische natuur en overijverige geweten rustig wat te laten lijden, in ‘Late herfst’ dient hij hem met liefde de genadeslag toe. We treffen Dams als tachtiger, op een mindere dag, ten prooi aan ouderdomskwalen en muizenissen.
De seizoenen bepalen het ritme in een landelijke regio. In de stijlvolle compositie van Meuleman is dit drieluik, dat nadrukkelijk verwijst naar een levensloop, verder opgesplitst. De hoofdstukken in de eerste twee delen dragen telkens de titel van een schilderij of tekening waaraan Dams werkt. In het tweede deel zijn de hoofdstukken korter, waardoor het meer vaart krijgt en Dams’ productiviteit ook voor de lezer voelbaar wordt. De titels in het slotdeel zijn dan weer afgestemd op de bedaagde eenzaat Dams, die wel nog werkt, maar niet meer schildert, en in dagdelen rekent: ‘Middag’, ‘Avond’, ‘Nacht’… waarbij de pendule in de woonkamer het tempo aangeeft.
Meuleman schrijft ritmisch, levendig, altijd met een ondertoon van milde spot, of in elk geval een geamuseerdheid over de schilder en zijn entourage. Het zijn vaak pijnlijke en droogkomische scènes. Geen uitbundige humor, maar rake observaties die doen grijnzen, bijvoorbeeld in het atelier van de animist Fil Tuytelaers: ‘Hij kon voortreffelijk opspringende honden weergeven.’ Meuleman blinkt uit in ongemak, zozeer zelfs dat men zich kan afvragen hoeveel geprojecteerde zelfspot er in het boek geslopen is.
Misschien komt het door zijn achtergrond als theaterschrijver dat hij zo vlot schakelt tussen personages, en even geloofwaardig een ongemakkelijke dialoogscène als huiselijk geluk weergeeft. Opvallend is de fotoreeks, genomen met Dams’ Kodak Six-20 Brownie E (‘Naar de kapper geweest. Luddy met Wally op de arm aan de voordeur’), waarmee de lichte dagen in snapshots worden vastgelegd. Zowel de subtiele kuiperijen in artistieke kringen, die worden omschreven als ‘een kleine wederdienst’, als een hallucinante ervaring in een groezelig Antwerps café beschrijft Meuleman trefzeker: ‘Wat als dit établissement niet bestond en hij door een kartonnen deur naar binnen was gelokt?’
Dromen van een ander leven
We zouden bijna vergeten dat Meuleman het verhaal van Modest Dams niet zelf heeft bedacht, maar losjes gebaseerd op leven en werk van de Kempense kunstenaar Jan Vaerten (1909-1980). Het is geen biografie of historische roman, waarbij alleen de gaten worden gedicht om zo trouw mogelijk de werkelijkheid te beschrijven. Zijn bronnen onvermeld laten of onherkenbaar verdraaien doet Meuleman evenmin. Geheel in de stijl van faction gebruikt hij de herkenbare realiteit als een kapstok om verzonnen elementen aan op te hangen.
Meuleman speelt met de vraag of je iemands leven mag annexeren en volgens je eigen luim mag vervormen. De Ander bestaat niet los van onze fantasieën. Dit thema speelde al een rol in het eerdergenoemde Wij zijn nooit alleen en in de reconstructie van zijn familiegeschiedenis van vaderskant Hoe mijn vader werd verwerkt (2018). Meulemans oeuvre roept dan ook de vraag op of de lezer waarheid en interpretatie gemakkelijker van elkaar kan onderscheiden als de schrijver zelf het personage is. Of is het andersom en gaat fictie soms aan de realiteit vooraf? Wie Meuleman een beetje volgt herkent in Dams trekken van de hoofdfiguur uit eerdere verhalen, waardoor er bij momenten eerder sprake lijkt van een gedaanteverwisseling dan van een inleefoefening. Zijn recentste roman leest ook als een originele invulling van de terugkerende thema’s en onderwerpen in een slijtvast oeuvre.
Hoe aanlokkelijk is het, voor een schrijver, om zich te verplaatsen in een beeldend kunstenaar en te worstelen met een tastbaardere materie dan de taal? Droomt de stugge schilder er niet van om aan het lichaam te ontsnappen? ‘Je lot is je lijf, je sleept het voort. (…) We voelen, tasten, graaien als het kan, maar grijpen vooral in de lucht, klauwen in het niets. We komen niet van de grond.’ Een artiest vat je beter in kernwoorden dan met een chronologisch overzicht, mijmert de late Dams. In Een distel in bloei sprankelt Meulemans zwijgen en zindert het na.
Een signalement van Een distel in bloei van Bart Meuleman door Isabelle Stockmans. Isabelle schreef deze recensie naar aanleiding van haar deelname aan Welbeschouwd, het project voor literatuurkritiek dat De Reactor organiseerde in samenwerking met DeBuren en ILFU.
![]()
Een tip: Een distel in bloei is al eens eerder op De Reactor besproken door criticus Stefan Clappaert. Ben je benieuwd hoe het signalement van Isabelle en de recensie van Stefan met elkaar in dialoog gaan, lees dan Stefans recensie hier.
Reacties
Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.